← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens

Geldende tekst a fecha 2005-04-22

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 mei 1989, nr. RW 26148, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 2 en 34 van de Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554);

Gelet op het op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake het wegverkeer (Trb. 1974, 35), het op 8 november 1968 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake verkeerstekens (Trb. 1974, 36), de op 1 mei 1971 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake het wegverkeer dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (Trb. 1974, 37), de op 1 mei 1971 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (Trb. 1974, 38) en het op 1 maart 1973 te Genève tot stand gekomen Protocol inzake tekens op het wegdek, aanvulling op de Europese Overeenkomst tot aanvulling van het Verdrag inzake verkeerstekens dat op 8 november 1968 te Wenen voor ondertekening werd opengesteld (Trb. 1975, 114);

De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 1990, nr. W09.89.0262);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 juli 1990, nr. RW65898, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1a

Onder de vermelding in dit besluit van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.1a van het Voertuigreglement, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.7, eerste lid, van het Voertuigreglement bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.7, tweede lid, van het Voertuigreglement is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2
1.

De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.

2.

De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen.

3.

De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde kolonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

Artikel 2a

De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen.

Artikel 2b

De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk II. Verkeersregels

§ 1. Plaats op de weg

Artikel 3
1.

Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.

2.

Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.

Artikel 4
1.

Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.

2.

Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.

3.

Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

Artikel 5
1.

Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.

2.

Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.

3.

Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Snorfietsers mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.

4.

Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.

Artikel 6
1.

Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.

2.

Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

3.

Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.

Artikel 7

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan.

Artikel 8
1.

Ruiters gebruiken het ruiterpad.

2.

Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

Artikel 9

Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een kolonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.

Artikel 10
1.

Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Zij mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

2.

Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

§ 2. Inhalen

Artikel 11
1.

Inhalen geschiedt links.

2.

Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald.

3.

Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen.

4.

Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen.

5.

Bestuurders mogen trams rechts inhalen.

Artikel 12

Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

§ 3. Files

Artikel 13
1.

Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd.

2.

Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.

§ 4. Oprijden van kruispunten

Artikel 14

Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.

§ 5. Verlenen van voorrang

Artikel 15
1.

Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.

2.

Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen:

§ 5a. Gedrag bij overwegen

Artikel 15a
1.

Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken.

2.

Bij overwegen laten weggebruikers een railvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.

§ 6. Doorsnijden militaire kolonnes

Artikel 16

Weggebruikers mogen militaire kolonnes niet doorsnijden.

§ 7. Afslaan

Artikel 17
1.

Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door:

2.

Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.

Artikel 18
1.

Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.

2.

Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.

3.

Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.

§ 8. Maximumsnelheid

Artikel 19

De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.

Artikel 20

Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

Artikel 21

Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

Artikel 22

Voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:

§ 9. Stilstaan

Artikel 23
1.

De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:

2.

Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

§ 10. Parkeren

Artikel 24
1.

De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

2.

Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.

3.

De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.

4.

Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E 4 tot en met E 13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.

Artikel 25
1.

Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.

2.

Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep, is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan, indien het motorvoertuig overeenkomstig het door Onze Minister bepaalde is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf, waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen en de toegestane parkeerduur niet is verstreken.

3.

Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, geldt het tweede lid slechts gedurende die dagen of uren.

Artikel 26

Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

§ 11. Het plaatsen van fietsen en bromfietsen

Artikel 27

Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.

§ 12. Signalen

Artikel 28

Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.

Artikel 29
1.

Bestuurders van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer, ziekenauto’s en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai- of knipperlicht en een twee- of drietonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.

2.

Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het blauwe zwaai- of knipperlicht en de meertonige hoorn.

Artikel 30
1.

Bestuurders van motorvoertuigen, die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden tijdens deze werkzaamheden geel zwaai- of knipperlicht. De in artikel 29 genoemde bestuurders mogen in die gevallen in plaats van geel zwaai- of knipperlicht, blauw zwaai- of knipperlicht voeren.

2.

Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het gele zwaai- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd.

Artikel 31

Signalen mogen niet worden gegeven in andere gevallen of op andere wijze dan in deze paragraaf is toegestaan.

§ 13. Gebruik van lichten tijdens het rijden

Artikel 32
1.

Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers, snorfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht voeren.

2.

Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:

3.

Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.

Artikel 33

Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in het Voertuigreglement voorgeschreven stadslicht voeren.

Artikel 34
1.

Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren.

2.

Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd.

Artikel 35

Fietsers en bestuurders van een wagen moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.

Artikel 36

Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen.

Artikel 37

Door voetgangers gevormde kolonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren.

§ 14. Gebruik van lichten tijdens het stilstaan

Artikel 38

Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren.

Artikel 39

Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in het Voertuigreglement voorgeschreven stadslicht voeren.

Artikel 40

Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren.

§ 15. Bijzondere lichten

Artikel 41

Bestuurders van een motorvoertuig mogen tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bermlicht, richtlicht of markeringslichten voeren.

§ 16. Autosnelwegen en autowegen

Artikel 42
1.

Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden.

2.

Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden.

Artikel 43
1.

Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden.

2.

Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan.

3.

Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

4.

Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren.

§ 17. Erven

Artikel 44

Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken.

Artikel 45

Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan stapvoets.

Artikel 46
1.

Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven.

2.

Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijf-zone, is ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 van toepassing.

§ 18. Rotondes

Artikel 47

Het is bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden.

Artikel 48

Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen.

§ 19. Voetgangers

Artikel 49
1.

Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.

2.

Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan.

3.

Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne.

4.

Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van toepassing is.

§ 20. Voorrangsvoertuigen

Artikel 50

Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

§ 21. Loslopend vee

Artikel 51
1.

Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.

2.

Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.

§ 22. In- en uitstappende passagiers

Artikel 52

Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven.

§ 23. Slepen

Artikel 53

Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt.

§ 24. Bijzondere manoeuvres

Artikel 54

Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.

Artikel 55

Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen.

Artikel 56
1.

Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt.

2.

Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne.

§ 25. Onnodig geluid

Artikel 57

Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.

§ 26. Gevarendriehoek

Artikel 58
1.

Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt.

2.

De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert.

3.

Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd.

§ 27. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

Artikel 59
1.

Bestuurders van een motorvoertuig of bromfiets en de naast hen gezeten passagiers moeten gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel. Naast de bestuurder gezeten passagiers jonger dan 12 jaren die korter zijn dan 1.50 meter moeten gebruik maken van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet.

2.

Andere dan de in het eerste lid bedoelde passagiers moeten eveneens gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel. Indien deze passagiers jonger zijn dan twaalf jaren en korter zijn dan 1.50 meter, moeten zij gebruik maken van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, indien dit aanwezig is. Indien een dergelijk kinderbeveiligingssysteem niet aanwezig is, moeten passagiers van 3 tot 12 jaren die korter zijn dan 1.50 meter gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers van 0 tot 3 jaren behoeven alsdan geen beveiligingsmiddel te gebruiken.

3.

Bestuurders en passagiers die korter zijn dan 1.50 meter en die gebruik moeten maken van de autogordel mogen een driepuntsgordel gebruiken als heupgordel.

4.

Het is bestuurders verboden passagiers jonger dan twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

5.

Het eerste lid geldt niet voor bestuurders tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000.

6.

Het eerste en het tweede lid gelden niet voor personen woonachtig in het buitenland die overeenkomstig de aldaar geldende wettelijke voorschriften van de verplichting tot het gebruik maken van een beveiligingsmiddel zijn vrijgesteld.

§ 28. Helmen

Artikel 60
1.

De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de wet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor:

3.

Het is bestuurders verboden passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven.

§ 29. Zitplaats kinderen op fietsen en bromfietsen

Artikel 61

Fietsers en bromfietsers mogen slechts kinderen beneden acht jaren vervoeren indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige zitplaats met voldoende steun voor rug, handen en voeten.

§ 30. Gebruik van mobiele telecommunicatieapparatuur

Artikel 61a

Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.

Hoofdstuk III. Verkeerstekens

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 62

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Artikel 63

Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.

Artikel 63a

Verkeerstekens die een maximumsnelheid aanduiden gaan niet boven de in de artikelen 20, onderdeel b, 21, onderdeel b, en 22, vastgestelde maximumsnelheden en de ingevolge een ministeriële regeling krachtens artikel 86a geldende maximumsnelheid, en de in artikel 45 aangegeven snelheid, voor zover deze tekens een hogere maximumsnelheid aanduiden.

Artikel 64

Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen.

§ 2. Verkeersborden

Artikel 65
1.

Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken.

2.

De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst.

3.

Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten.

Artikel 66
1.

Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied.

2.

Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst.

Artikel 67
1.

Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden:

2.

Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord.

3.

Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen.

§ 3. Verkeerslichten

Artikel 68
1.

Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

2.

Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting.

3.

Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

4.

Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire kolonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden.

5.

Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.

6.

Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan.

7.

Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook.

Artikel 69
1.

Bij tweekleurige verkeerslichten betekent:

2.

Het tweede tot en met zevende lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 70
1.

Bij tram/buslichten betekent:

2.

Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.

3.

De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft.

4.

De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van een autobus, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft.

Artikel 71

Bij overweglichten betekent:

Artikel 72

Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop.

Artikel 73

Bij rijstrooklichten betekent:

Artikel 74
1.

Bij voetgangerslichten betekent:

2.

Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan.

Artikel 75

Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden.

§ 4. Verkeerstekens op het wegdek

Artikel 76

Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:

Artikel 77

Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken niet gebruiken.

Artikel 78

Bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft.

Artikel 79

Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.

Artikel 80

Haaietanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.

Artikel 81

Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus.

Hoofdstuk IV. Aanwijzingen

§ 1. Verplichtingen weggebruikers

Artikel 82
1.

Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door:

2.

Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven.

3.

Bestuurders zijn tevens verplicht de in bijlage II, onderdeel 8, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers.

4.

Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van bijlage 1, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.

Artikel 83

Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode lamp dan wel uit een aan een politievoertuig aangebrachte transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht.

§ 2. Rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels

Artikel 84

Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels.

Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten

§ 1. Uitzonderingen voor gehandicapten

Artikel 85
1.

Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, 46 en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

2.

Op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, zijn artikel 25 en, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de artikelen 24, eerste lid, onderdeel e, en 62, voor zover het betreft bord E1 van bijlage 1, niet van toepassing.

3.

In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen.

§ 2. Buiten Nederland afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten

Artikel 86

Met een gehandicaptenparkeerkaart worden gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voor zover deze bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

Hoofdstuk VA. Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer

Artikel 86a
1.

In geval van een ernstige verstoring van de olie-aanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van artikel 21, aanhef en onder a, voor motorvoertuigen, niet zijnde vrachtauto's, autobussen of motorvoertuigen met aanhangwagen, een maximumsnelheid geldt van 90 km per uur.

2.

Onze Minister stelt de regeling, als bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken.

3.

De regeling, als bedoeld in het eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding.

Artikel 86b

Het is bestuurders van motorvoertuigen, niet zijnde vrachtauto's, autobussen of motorvoertuigen met aanhangwagen, verboden de ingevolge artikel 86a bepaalde maximumsnelheid te overschrijden.

Hoofdstuk VI. Ontheffingen en vrijstellingen

§ 1. Algemeen

Artikel 87

Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98.

§ 2. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

Artikel 88
1.

Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd.

2.

De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar.

3.

Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton (PbEG L 373) aangebracht.

4.

Een wijziging van de richtlijn nr 91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

5.

De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht.

§ 3

Artikel 89

Vervallen

§ 4

Artikel 90

Vervallen

§ 5. Voorrangsvoertuigen

Artikel 91

Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist.

Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

Artikel 92
1.

Overtreding van de artikelen 3 tot en met 12, 14 tot en met 27, 31 tot en met 43, 45, 46, 49 tot en met 61a, 62, met uitzondering van verkeersbord C22 van bijlage 1, 68, zesde lid, 74, tweede lid, 82, 83 en 86b is een strafbaar feit.

2.

Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

Hoofdstuk VIII. Overgangsbepalingen

Artikel 93

Vervallen

Artikel 94

Vervallen

Artikel 95

De voor 16 juli 1988 in woonerven geplaatste borden "woonerf" en "einde woonerf" zoals deze bij koninklijk besluit van 27 augustus 1976, Stb. 453, waren vastgesteld, blijven tot 16 juli 1998 van kracht.

Artikel 96

De in de rechterkolom genoemde borden volgens het model van bijlage II, behorende bij het met ingang van 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is toegekend aan de overeenkomstige in de linkerkolom genoemde borden opgenomen in bijlage I van het RVV 1990, uitgezonderd de in de rechterkolom genoemde borden 46 en 47 die de betekenis behouden die daaraan is toegekend in het in de eerste volzin bedoelde reglement.

Bijlage I RVV 1990 Bijlage II RVV 1966
A1 1
A2 2
A4 1a (eerste model)
A5 2a (eerste model)
B1 6
B2 7
B3 8
B4 8 (uitgevoerd conform onderschrift)
B5 8 (uitgevoerd conform onderschrift)
B7 10
C3 13
C4 14
C6 17
C7 17a
C8 17b
C10 18
C11 19
C12 20
C13 21
C14 22
C15 23
C16 27
C17 32
C18 33
C19 34
C20 35
C21 36
C22 98a
D1 15
D2 16
D3 63
D4 tot en met D6 46 en 47
E3 52
E4 99
E5 54a
E6 54b en 54c
E7 54d
E8 99 (met onderbord waarop de betrokken categorie is aangegeven)
E9 99a
E10 53
E11 54
F1 40
F2 41
F3 42
F4 43
F5 44
F6 45
F7 48
F8 55
G1 57a
G2 58a
G3 57b
G4 58b
G5 57c
G6 58c
G7 61
G11 59
G13 60
H1 3 en 4
H2 5
J2 66
J3 67
J4 69
J5 68
J1 73
J15 79
J16 80
J20 82
J21 83
J22 84
J23 84
J24 87
J25 85
J26 86
J27 88
J28 89
J29 91
J31 93
J33 94a
J34 94b
J35 94c
J37 90
K14 98
L2 96
L3 102
L4 100
L8 101, onderdeel a
L9 101, onderdeel b
Artikel 97

Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1 november 1991, blijven van kracht totdat zij door in bijlage I vastgestelde borden zijn vervangen.

Artikel 98

Tot 1 januari 2000 blijven de borden 37 en 38 van bijlage II, van het op 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), van kracht. De in het Voertuigreglement vervatte bepalingen die betrekking hebben op onverharde wegen gelden tot deze datum ook ten aanzien van door deze borden aangeduide wegen.

Artikel 99

Vervallen

Hoofdstuk IX. Wijziging van het wegenverkeersreglement

Artikel 100

Vervallen

Hoofdstuk X. Wijziging van de bijlage, behorende bij het Wegenverkeersreglement

Artikel 101

Vervallen

Hoofdstuk XI. Wijziging van andere Besluiten

Artikel 102

Vervallen

Artikel 103

Vervallen

Artikel 104

Vervallen

Artikel 105

Vervallen

Artikel 106

Vervallen

Artikel 107

Vervallen

Artikel 108

Vervallen

Artikel 109

Vervallen

Artikel 110

Vervallen

Artikel 111

Vervallen

Artikel 112

Vervallen

Artikel 113

Vervallen

Artikel 114

Vervallen

Artikel 115

Vervallen

Artikel 116

Vervallen

Artikel 117

Vervallen

Artikel 118

Vervallen

Hoofdstuk XII. Intrekking RVV 1966

Artikel 119

Vervallen

Hoofdstuk XIII. Inwerkingtreding

Artikel 120

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Hoofdstuk XIV. Citeertitel

Artikel 121

Dit besluit kan worden aangehaald als "Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" of als "RVV 1990".

Bijlage 1. Verkeersborden

Hoofdstuk A. Snelheid

Hoofdstuk A. Snelheid

Hoofdstuk B. Voorrang

Hoofdstuk C. Geslotenverklaring

Hoofdstuk D. Rijrichting

Hoofdstuk E. Parkeren en stilstaan

Hoofdstuk F. Overige geboden en verboden

Hoofdstuk G. Verkeersregels

Hoofdstuk H. Bebouwde kom

Hoofdstuk J. Waarschuwing

Hoofdstuk K. Bewegwijzering

Bijlage 2. Aanwijzingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

§ 31. Vervoer van personen in of op aanhangwagens en in laadruimten

Hoofdstuk III. Verkeerstekens

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Verkeersborden

§ 3. Verkeerslichten

§ 4. Verkeerstekens op het wegdek

Hoofdstuk IV. Aanwijzingen

§ 1. Verplichtingen weggebruikers

§ 2. Rangorde aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels

Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten

§ 1. Uitzonderingen voor gehandicapten

§ 2. Buiten Nederland afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten

Hoofdstuk VA. Tijdelijke verlaging maximumsnelheid in geval van verstoring olie-aanvoer

Hoofdstuk VI. Ontheffingen en vrijstellingen

§ 1. Algemeen

§ 2. Autogordels en kinderbeveiligingssystemen

§ 3

§ 4

§ 5. Voorrangsvoertuigen

Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

Hoofdstuk VIII. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk IX. Wijziging van het wegenverkeersreglement

Hoofdstuk X. Wijziging van de bijlage, behorende bij het Wegenverkeersreglement

Hoofdstuk XI. Wijziging van andere Besluiten

Hoofdstuk XII. Intrekking RVV 1966

Hoofdstuk XIII. Inwerkingtreding

Hoofdstuk XIV. Citeertitel

Bijlage 1. Verkeersborden

Hoofdstuk L. Informatie

Bijlage 2. Aanwijzingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.