Wet van 2 november 1990, tot wijziging van de gemeentewet in verband met de overdracht van taken van de rijksbelastingdienst betreffende de heffing en de invordering van de onroerend-goedbelastingen aan de gemeenten
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de taken die de rijksbelastingdienst verricht met betrekking tot de heffing en de invordering van de gemeentelijke onroerend-goedbelastingen over te dragen aan de gemeenten en in verband daarmee de gemeentewet te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel II
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel III
Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat:
- a. artikel I, onderdeel A, toepassing vindt met ingang van 1 januari 1991;
- b. artikel I, onderdeel B, toepassing vindt met ingang van 1 januari 1992;
- c. artikel 302, eerste, tweede en derde lid, van de gemeentewet, alsmede de bij of krachtens dit artikel en de artikelen 273 en 303 van die wet gegeven regelen, toepassing blijven vinden met betrekking tot belastingaanslagen, ten aanzien waarvan aanslagbiljetten zijn verzonden door de rijksbelastingdienst.
Ten aanzien van de overdracht van de bevoegdheden van de rijksbelastingdienst ter zake van de heffing en de invordering met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde belastingaanslagen aan de gemeenten worden door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling regels gesteld omtrent:
- a. de voortzetting door de gemeenten van de invordering van belastingaanslagen, ten aanzien waarvan geen aanmaning is verzonden of geen dwangbevel is betekend, dan wel ten aanzien waarvan: een en ander in dier voege dat daarbij kan worden bepaald dat de in dit lid genoemde bevoegdheden, met de uitoefening waarvan de ontvanger der rijksbelastingen of de ambtenaren der directe belastingen een begin hebben gemaakt worden aangemerkt als bevoegdheden van de in artikel 281, tweede lid, onderdeel c, van de gemeentewet genoemde functionaris, onderscheidenlijk de in onderdeel e van dat lid genoemde functionarissen;
- 1°. een aanmaning is verzonden;
- 2°. een dwangbevel is betekend, waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen of nog niet is geëindigd;
- 3°. een vordering is gedaan;
- 4°. uitstel van betaling is verleend;
- 5°. gedeeltelijke of voorwaardelijke kwijtschelding is verleend;
- 6°. andere invorderingsmaatregelen zijn genomen;
- b. andere onderwerpen waarvan regeling nodig is in verband met de overdracht van de taken van de rijksbelastingdienst ter zake van de in artikel 273 van de gemeentewet bedoelde belastingen aan de gemeenten.
Artikel IV
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet overdracht taken OGB.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.