Wet van 6 juni 1991, houdende regels met betrekking tot de waterschappen

Type Wet
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-04-18
State In force
Source BWB
artikelen 361
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Het bij of krachtens artikel 122k bepaalde, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) blijft gedurende ten hoogste tien jaar van toepassing op de heffingplichtige voor wie de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water is bepaald aan de hand van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan voornoemd tijdstip, voor zover deze vervuilingswaarde per m3 ingenomen water niet behoorde binnen de klassegrens die leidt tot een afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht.

2.

Voor de in het eerste lid bedoelde heffingplichtige stelt de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, binnen tien jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip een individuele afvalwatercoëfficiënt vast. Na deze vaststelling is op de desbetreffende heffingplichtige dit artikel niet meer van toepassing.

3.

Dit artikel is tevens niet langer van toepassing indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van ten hoogste tien jaar de in het tweede lid bedoelde vaststelling van de afvalwatercoëfficiënt nog niet heeft plaatsgevonden en door verandering in de bedrijfsomstandigheden vaststelling van een nieuwe afvalwatercoëfficiënt nodig is.

Artikel 167

Vervallen

Artikel 168

Vervallen

Artikel 169

Vervallen

Artikel 170

Vervallen

Artikel 170a

Vervallen

Artikel 171

Vervallen

Artikel 172

Op termijnen gesteld in een verordening van het waterschap zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet (Stb. 1964, 314) van overeenkomstige toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.

Artikel 173

Artikel 44, vierde tot en met zevende lid, artikel 44a, vierde en vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 48, zesde en zevende lid, is niet van toepassing op het bij inwerkingtreding van die bepaling zittende lid van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter van het dagelijks bestuur van een waterschap, zolang deze zonder onderbreking zijn ambt vervult in hetzelfde waterschap.

Artikel 174

Vervallen

Artikel 175

Vervallen

Artikel 176

Vervallen

Artikel 177

Vervallen

Artikel 178

Vervallen

Artikel 179

Vervallen

Artikel 180

Deze wet kan worden aangehaald als Waterschapswet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk VII. Afdelingen

Hoofdstuk VIA. De ombudsman

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepaling

§ 2. Verhouding tot provincie en Rijk

§ 3. De ombudscommissie voor het waterschap

§ 4. Bestuursdwang

§ 3. De ombudscommissie voor het waterschap

Hoofdstuk VII. Afdelingen

Hoofdstuk VIIIa. Geheimhouding

§ 1. Inleidende bepaling

§ 2. Verhouding tot provincie en Rijk

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 3. Bijzondere voorzieningen

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

Hoofdstuk XII. De bevoegdheid van de voorzitter

Hoofdstuk XIV. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XVI. De waterschapsbelastingen

Hoofdstuk XIV. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XVIII. De heffing en invordering van waterschapsbelastingen

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 51b
1.

Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kan het algemeen bestuur de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opdragen aan een ombudsman of ombudscommissie voor het waterschap, dan wel een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.

2.

Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien het algemeen bestuur hiertoe besluit, zendt het het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.

3.

De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien het algemeen bestuur hiertoe besluit, zendt het het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.

§ 2. De ombudsman voor het waterschap

Artikel 51c
1.

Indien het algemeen bestuur de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een ombudsman voor het waterschap, benoemt het deze voor de duur van zes jaar.

2.

Het algemeen bestuur benoemt een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.

3.

De ombudsman wordt door het algemeen bestuur ontslagen:

  • a. op eigen verzoek;
  • b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
  • d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
  • f. indien hij naar het oordeel van het algemeen bestuur ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4.

Het algemeen bestuur stelt de ombudsman op non-activiteit indien hij:

  • a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
  • b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Artikel 51d
1.

De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

2.

Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.

Artikel 51e
1.

Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de vergadering van het algemeen bestuur, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(«Dat verklaar en beloof ik!»)

2.

Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:

«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta ombudsman beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw.

Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.

Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e Grûnwet, dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as ombudsman yn alle oprjochtens ferfolje sil.

Sa wier helpe my God Almachtich!»

(«Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).

Artikel 51f
1.

Op voordracht van de ombudsman besluit het dagelijks bestuur tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met het personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van zijn werkzaamheden.

2.

De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.

3.

Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan instellen.

4.

Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.

Artikel 51g

De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan het algemeen bestuur.

Artikel 51h

De ombudsman ontvangt een bij verordening van het algemeen bestuur vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.

Artikel 51i
1.

Indien het algemeen bestuur de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een ombudscommissie voor het waterschap, stelt het algemeen bestuur het aantal leden van de ombudscommissie vast.

2.

Het algemeen bestuur benoemt de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes jaar.

3.

Het algemeen bestuur benoemt uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.

Artikel 51j
1.

De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan het algemeen bestuur.

2.

Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen 51c, derde en vierde lid, 51d, 51e, 51f en 51h van overeenkomstige toepassing.

§ 3. De ombudscommissie voor het waterschap

Artikel 51k
1.

Het algemeen bestuur kan voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met de raad of raden van een of meer andere gemeenten, dan wel met provinciale staten van een of meer provincies, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.

2.

De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende rechtspersonen.

3.

Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie zijn de artikelen 51c tot en met 51f, 51h en 51i van overeenkomstige toepassing.

Artikel 51l

Indien het algemeen bestuur een ombudsman of een ombudscommissie instelt met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Hoofdstuk VII. Afdelingen

Hoofdstuk VIII. De secretaris

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk VIII. De secretaris

§ 1. Inleidende bepaling

§ 2. Verhouding tot provincie en Rijk

§ 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

§ 1. Algemene bevoegdheden

§ 1. Inleidende bepaling

Hoofdstuk XII. De bevoegdheid van de voorzitter

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

§ 1. De begroting

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XVIII. De heffing en invordering van waterschapsbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Hoofdstuk XVI. De waterschapsbelastingen

Hoofdstuk XXII. Het toezicht op interprovinciale waterschappen

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 2. De zittingsduur, het lidmaatschap en de plaatsvervanging

§ 3. De zittingsduur, het begin van het lidmaatschap en de plaatsvervanging

§ 4. Bijzondere bepalingen in verband met de instelling van een waterschap

§ 5. De inrichting

Artikel 38a
1.

Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de beraadslaging en stemming over:

  • a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;
  • b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
2.

Op de beraadslaging en stemming, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

3.

Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

4.

Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing gekozen en benoemde leden.

Artikel 38b
1.

Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

  • a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;
  • b. voorzover het betreft onderwerpen die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
Artikel 38c
1.

Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

2.

Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Hoofdstuk V. Het dagelijks bestuur

§ 1. De samenstelling

§ 2. De inrichting

Artikel 44a
1.

Op de bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.

2.

Kostenvergoedingen krachtens artikel 44, eerste lid, tweede zin, zijn niet vatbaar voor beslag.

Hoofdstuk VI. De voorzitter

§ 1. Algemene bepaling

§ 1. Algemene bepaling

Hoofdstuk VI0a. De rekenkamer

Hoofdstuk VII. Afdelingen

Artikel 55a
1.

Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

2.

De artikelen 54 en 55 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen

§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 1. Inleidende bepaling

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

§ 1. Algemene bevoegdheden

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XIII. Algemene bepalingen

Artikel 98a
1.

De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.

2.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van:

  • a. door het dagelijks bestuur vast te stellen documenten ten behoeve van de uitvoering van de begroting en de jaarrekening;
  • b. door het dagelijks bestuur aan derden te verstrekken informatie op basis van de begroting en de jaarrekening en de controle van deze informatie. In overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat kan worden bepaald dat deze informatie wordt verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek.
3.

Indien de informatie, bedoeld in het tweede lid onder b, niet of niet tijdig wordt verstrekt, dan wel de kwaliteit van de informatie tekort schiet, geven gedeputeerde staten een aanwijzing aan het dagelijks bestuur om alsnog informatie van voldoende kwaliteit te verstrekken.

4.

Indien het dagelijks bestuur nalaat de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, op te volgen zorgen gedeputeerde staten dat de benodigde informatie alsnog wordt verstrekt. De kosten daarvan komen voor rekening van het waterschap.

Hoofdstuk XIV. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 2. Bijzondere bevoegdheden

Artikel 107a

Indien het algemeen bestuur de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit niet of niet naar behoren vaststelt, zendt het dagelijks bestuur de jaarrekening, vergezeld van de overige in artikel 103 bedoelde stukken, respectievelijk het indemniteitsbesluit ter vaststelling aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Artikel 109a
1.

Het dagelijks bestuur verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. Het algemeen bestuur kan bij verordening hierover regels stellen.

2.

Het dagelijks bestuur brengt schriftelijk verslag uit aan het algemeen bestuur van de resultaten van de onderzoeken.

Artikel 109b

Het dagelijks bestuur zendt de verordeningen, bedoeld in de artikelen 108, 109 en 109a, binnen twee weken na vaststelling door het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten.

Artikel 109c

Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie, bedoeld in artikel 108, eerste lid.

Hoofdstuk XIIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Artikel 115a
1.

Een aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, wordt niet opgelegd.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag.

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XVIIa. De heffing ter bekostiging van het wegenbeheer

Artikel 122a
1.

Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak ter zake van het wegenbeheer kan, binnen het gebied waar deze taak wordt uitgevoerd, onder de naam wegenheffing een heffing worden geheven.

2.

De wegenheffing kan worden geheven van hen die:

  • a. ingezetenen zijn;
  • b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;
  • c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;
  • d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.
3.

Op het tweede lid is artikel 116 van toepassing.

Artikel 122b
1.

Het algemeen bestuur stelt ten behoeve van de in artikel 122a bedoelde heffing een verordening vast, waarin voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen.

2.

Bij reglement wordt bepaald aan welke regels de toedeling van het kostendeel, bedoeld in het eerste lid, voldoet. Daarbij kunnen de artikelen 118 tot en met 121 van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

3.

De heffing, bedoeld in artikel 122a, kan onderdeel uitmaken van de in artikel 117 bedoelde heffing.

Hoofdstuk XVIIb. De zuiveringsheffing

Artikel 122c

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • −. afvalwater: stedelijk afvalwater als bedoeld in de Omgevingswet;
  • −. bedrijfsruimte: naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool;
  • −. hernieuwbare energie: hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 116;
  • −. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;
  • −. openbaar vuilwaterriool: openbaar vuilwaterriool als bedoeld in de Omgevingswet;
  • −. primair energiegebruik: primair energiegebruik als bedoeld in artikel 116;
  • −. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
  • −. woonruimte: woonruimte als bedoeld in artikel 116;
  • −. zuiveringtechnisch werk: werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool.
Artikel 122d
1.

Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.

2.

Aan de heffing worden onderworpen:

  • a. ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
  • b. ter zake van het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die afvoert.
3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingplichtig:

  • a. in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de in artikel 123, derde lid, onderdeel d, bedoelde ambtenaar van het waterschap is aangewezen;
  • b. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
  • c. in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik: degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.
4.

Indien stoffen met behulp van een openbaar vuilwaterriool worden afgevoerd, is degene bij wie dat openbaar vuilwaterriool in beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op het openbaar vuilwaterriool heeft gebracht aan een heffing onderworpen.

5.

De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:

  • a. aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;
  • b. aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen;
  • c. aan het doen van uitgaven ter beperking van de afvoer van hemelwater op een zuiveringtechnisch werk of op een openbaar vuilwaterriool;
  • d. aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van de zuivering van afvalwater en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. De hoeveelheid op te wekken hernieuwbare energie mag niet hoger zijn dan driemaal het primaire energiegebruik van het betreffende waterschap benodigd voor de zuivering van afvalwater.
6.

Voor de zuivering van ander afvalwater dan bedoeld in artikel 1, tweede lid, kan een waterschap een overeenkomst sluiten met degene die zich van dit afvalwater ontdoet.

7.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop het primaire energiegebruik wordt bepaald.

Artikel 122e

Voor de heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

Artikel 122f
1.

Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

2.

Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot:

  • a. zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof;
  • b. gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink: 1,00 kilogram;
  • c. gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 kilogram;
  • d. gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 kilogram;
  • e. gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 kilogram;
  • f. gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 kilogram.
3.

Het algemeen bestuur kan bij verordening met betrekking tot één of meer van de in het tweede lid, onderdelen b tot en met f, genoemde stoffen:

  • a. de gewichtshoeveelheid die één vervuilingseenheid vertegenwoordigt, hoger vaststellen dan in het tweede lid is bepaald;
  • b. bepalen dat:
  • 1°. zij niet worden onderworpen aan de heffing;
  • 2°. een bepaald aantal vervuilingseenheden niet wordt onderworpen aan de heffing;
  • 3°. vervuilingseenheden niet worden onderworpen aan de heffing, indien het aantal daarvan, na toepassing van de onderdelen a en b, onder 1° en 2°, niet uitgaat boven een bepaald aantal vervuilingseenheden; of
  • 4°. zij niet of niet geheel worden onderworpen aan de heffing als de stof in een bepaalde concentratie aanwezig is.
Artikel 122g
1.

Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van gegevens verkregen door middel van door de heffingplichtige, gedurende elk etmaal van het kalenderjaar ondernomen meting, bemonstering en analyse, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.

2.

Op aanvraag van de heffingplichtige staat de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, onder nader te stellen voorwaarden toe dat van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Dit besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3.

De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid organische koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid stikstof verminderd met de nitriet-stikstof en de nitraat- stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen.

4.

In afwijking van het derde lid, tweede volzin, wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen vastgesteld op lager dan drie onderscheidenlijk hoger dan drie, indien de heffingplichtige op zijn kosten onderscheidenlijk de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, op kosten van het waterschap overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen nadere regels doet blijken dat deze verhouding lager is dan tweeënhalf onderscheidenlijk hoger is dan drieënhalf. Indien blijkt dat die verhouding lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen gedeeld door tweeënhalf onderscheidenlijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie.

5.

Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.

Artikel 122h
1.

In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij verordening van het algemeen bestuur worden bepaald dat de vervuilingswaarde van de stoffen geheel of gedeeltelijk wordt bepaald aan de hand van de door het drinkwaterbedrijf geleverde hoeveelheid drinkwater en door de betrokken leverancier geleverde hoeveelheid warm tapwater.

3.

De heffing met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde woonruimten wordt geheven over het tijdvak van 12 maanden zoals dat door het betrokken drinkwaterbedrijf bij de levering van drinkwater of door de berokken leverancier bij de levering van warm tapwater ten behoeve van die woonruimten wordt gehanteerd.

4.

Indien het in het derde lid bedoelde tijdvak in twee kalenderjaren is gelegen worden de voor de kalenderjaren geldende tarieven per vervuilingseenheid naar tijdsevenredigheid toegepast.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

6.

Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte, waarvan de heffing is bepaald op basis van het eerste lid, aanvangt of eindigt, wordt de gebruiker voor een evenredig gedeelte van de op basis van dit lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan de heffing onderworpen.

Artikel 122i
1.

In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

2.

In afwijking van artikel 122g wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, gesteld op drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.

3.

Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het tweede lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor een evenredig gedeelte aan de heffing onderworpen.

4.

Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid van minder dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.

Artikel 122j

Het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar kan geheel of gedeeltelijk door middel van schatting worden vastgesteld indien door de heffingplichtige:

  • a. de meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel is geschied in overeenstemming met de in artikel 122g bedoelde regels;
  • c. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 122k, vierde lid, wel mogelijk is, maar door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in dat artikel is gedaan.
Artikel 122k
1.

Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 122g vastgesteld volgens de formule: A x B, waarbij,

A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht van de in het derde lid opgenomen tabel of indien de heffingplichtige of de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap doet blijken dat een andere klasse dan acht van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water.

3.

De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:

Klasse Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m3 ingenomen water in het heffingsjaar
Ondergrens Bovengrens
1 > 0 0,0013 0,0010
2 > 0,0013 0,0020 0,0016
3 > 0,0020 0,0031 0,0025
4 > 0,0031 0,0048 0,0039
5 > 0,0048 0,0075 0,0060
6 > 0,0075 0,012 0,0094
7 > 0,012 0,018 0,015
8 > 0,018 0,029 0,023
9 > 0,029 0,045 0,036
10 > 0,045 0,070 0,056
11 > 0,070 0,11 0,088
12 > 0,11 0,17 0,14
13 > 0,17 0,27 0,21
14 > 0,27 0,42 0,33
15 > 0,42 0,5
4.

Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 122g is het eerste lid op verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XVII. De watersysteemheffing

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIIb. De zuiveringsheffing

Hoofdstuk XXI. Schorsing en vernietiging

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 73a

Vervallen

Artikel 73b

Vervallen

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XIII. Algemene bepalingen

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XVII. De watersysteemheffing

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Hoofdstuk XXI. Schorsing en vernietiging

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 122l

Nadere regels met betrekking tot de zuiveringsheffing kunnen worden gesteld bij verordening van het algemeen bestuur.

Hoofdstuk XVII. De watersysteemheffing

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XVIIa. De heffing ter bekostiging van het wegenbeheer

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Hoofdstuk XXI. Schorsing en vernietiging

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 3. De zittingsduur, het begin van het lidmaatschap en de plaatsvervanging

Artikel 31a

Leden van het dagelijks bestuur die na de stemming, bedoeld in artikel J 6a van de Kieswet, niet zijn toegelaten tot lid van het algemeen bestuur zijn geen lid van dat algemeen bestuur.

Artikel 31b

Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot lid van het algemeen bestuur hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden in het algemeen bestuur, behorende bij de categorie van belanghebbenden, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel a, wegens handelen in strijd met artikel 33 van het lidmaatschap van het algemeen bestuur is vervallen verklaard.

Hoofdstuk V. Het dagelijks bestuur

§ 1. De samenstelling

§ 1a. De plaatsvervanging

Hoofdstuk VI. De voorzitter

Hoofdstuk VIA. De ombudsman

§ 2. De ombudsman voor het waterschap

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene bepaling

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 4. Last onder bestuursdwang

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XIV. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XVI. De waterschapsbelastingen

Hoofdstuk XII. De bevoegdheid van de voorzitter

Hoofdstuk XVIIb. De zuiveringsheffing

Hoofdstuk XVIIa. De heffing ter bekostiging van het wegenbeheer

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Hoofdstuk XXII. Het toezicht op interprovinciale waterschappen

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 44b

Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.

Artikel 44c
1.

Met de bezoldiging kan worden verrekend hetgeen het lid van het dagelijks bestuur zelf als zodanig aan het waterschap verschuldigd is.

2.

Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 44d, eerste lid.

3.

Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.

Artikel 44d
1.

Op de bezoldiging kan ten behoeve van een schuldeiser van het lid van het dagelijks bestuur een korting worden toegepast, mits het lid van het dagelijks bestuur de vordering van de schuldeiser erkent dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.

2.

Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn.

3.

Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van het lid van het dagelijks bestuur van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.

Artikel 44e

Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 44c, tweede lid, en artikel 44d, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.

Artikel 44f

Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging, geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.

Artikel 44g
1.

Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor het lid van het dagelijks bestuur enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou zijn.

2.

Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.

Artikel 44h

Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten het waterschap, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen het waterschap van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.

Artikel 44i

Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.

Artikel 44j

Met bezoldiging worden in de artikelen 44a tot en met 44h gelijkgesteld de bedragen – onder de benaming van uitkering of welke benaming ook – waarop het lid van het dagelijks bestuur krachtens artikel 44, eerste lid, eerste zin, aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden krachtens artikel 44, eerste lid, aanspraak hebben.

Artikel 44k
1.

Een lid van het dagelijks bestuur vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie als lid van het dagelijks bestuur van een waterschap.

2.

Een lid van het dagelijks bestuur meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan het algemeen bestuur.

3.

Een lid van het dagelijks bestuur maakt zijn nevenfuncties openbaar. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot lid van het dagelijks bestuur of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op de secretarie van het waterschap.

4.

Een lid van het dagelijks bestuur dat zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op de secretarie van het waterschap uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.

5.

Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.

Hoofdstuk VIA. De ombudsman

§ 3. De ombudscommissie voor het waterschap

Hoofdstuk VII. Afdelingen

Hoofdstuk VIII. De secretaris

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen

§ 2. De ombudsman voor het waterschap

§ 2. Verhouding tot provincie en Rijk

§ 1. Inleidende bepaling

§ 2. Verhouding tot provincie en Rijk

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

§ 1. Algemene bevoegdheden

§ 2. Bijzondere bevoegdheden

Hoofdstuk XII. De bevoegdheid van de voorzitter

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XII. De bevoegdheid van de voorzitter

Hoofdstuk XII. De bevoegdheid van de voorzitter

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XVI. De waterschapsbelastingen

Hoofdstuk XVII. De watersysteemheffing

Hoofdstuk XVIIb. De zuiveringsheffing

Hoofdstuk XVIII. De heffing en invordering van waterschapsbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XIX. Goedkeuring

Hoofdstuk XXII. Het toezicht op interprovinciale waterschappen

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 41a
1.

Het dagelijks bestuur verleent aan een lid van dat bestuur op diens verzoek verlof wegens zwangerschap en bevalling. Het verlof gaat in op de in het verzoek vermelde dag die ligt tussen ten hoogste zes en ten minste vier weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling die blijkt uit een bij het verzoek gevoegde verklaring van een arts of verloskundige.

2.

Het dagelijks bestuur verleent aan een lid van dat bestuur op diens verzoek verlof wegens ziekte, indien uit een bij het verzoek gevoegde verklaring van een arts blijkt dat niet aannemelijk is dat hij de uitoefening van het lidmaatschap binnen acht weken zal kunnen hervatten.

3.

In het geval een lid van het dagelijks bestuur vanwege ziekte niet in staat is zelf het verzoek te doen, kan de voorzitter namens het lid het verzoek doen indien de continuïteit van het waterschapsbestuur dringend vereist dat in vervanging van de het lid wordt voorzien.

4.

Het verlof eindigt op de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag waarop het verlof is ingegaan.

5.

Aan een lid van het dagelijks bestuur wordt gedurende de zittingsperiode ten hoogste drie maal verlof verleend.

Artikel 41b
1.

Het dagelijks bestuur beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek tot verlof, doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het verzoek.

2.

De beslissing geschiedt in overeenstemming met de verklaring van de arts of verloskundige en bevat de dag waarop het verlof ingaat.

Artikel 41c
1.

Het algemeen bestuur kan een vervanger benoemen voor het lid van het dagelijks bestuur dat met verlof is gegaan. Artikel 40 is niet van toepassing.

2.

De vervanger is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag waarop het verlof is ingegaan.

3.

Indien de vervanger voor het einde van het verlof ontslag neemt of door het algemeen bestuur wordt ontslagen, kan het algemeen bestuur voor de resterende duur van het verlof een vervanger benoemen.

§ 2. De inrichting

Hoofdstuk VI. De voorzitter

§ 1. De rekenkamer van het waterschap

§ 2. De ombudsman voor het waterschap

Hoofdstuk VIA. De ombudsman

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

§ 3. Bijzondere voorzieningen

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

§ 1. Algemene bevoegdheden

§ 2. Bijzondere bevoegdheden

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

§ 1. Algemene bevoegdheden

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XVIIa. De heffing ter bekostiging van het wegenbeheer

Hoofdstuk XVIII. De heffing en invordering van waterschapsbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Hoofdstuk XXI. Schorsing en vernietiging

Hoofdstuk XXII. Het toezicht op interprovinciale waterschappen

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk VIA. De ombudsman

§ 1. Algemene bepaling

§ 2. De ombudsman voor het waterschap

§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie

Hoofdstuk VII. Afdelingen

Hoofdstuk VIII. De secretaris

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen

§ 4. Last onder bestuursdwang

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het algemeen bestuur

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van het dagelijks bestuur

§ 1. Algemene bevoegdheden

Hoofdstuk XIIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van het waterschap

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XVIII. De heffing en invordering van waterschapsbelastingen

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Hoofdstuk XXI. Schorsing en vernietiging

Hoofdstuk XXII. Het toezicht op interprovinciale waterschappen

Titel VI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 55b

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie van het waterschap kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.

Artikel 55c
1.

Het algemeen bestuur kan informatie ten aanzien waarvan krachtens artikel 35, vierde lid, een verplichting tot geheimhouding geldt of hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie van het waterschap.

2.

Het dagelijks bestuur kan informatie ten aanzien waarvan hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan het algemeen bestuur en een commissie van het waterschap.

3.

De voorzitter kan informatie ten aanzien waarvan hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en een commissie van het waterschap.

4.

Een commissie van het waterschap kan informatie ten aanzien waarvan hij een verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, verstrekken aan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

5.

Indien het dagelijks bestuur, de voorzitter of een commissie overeenkomstig het tweede, derde of vierde lid informatie verstrekt aan het algemeen bestuur, kan het algemeen bestuur die informatie verstrekken aan anderen. Het algemeen bestuur kan regels stellen over het verstrekken van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding is opgelegd door het dagelijks bestuur, de voorzitter of een commissie en die tevens aan het algemeen bestuur is verstrekt.

Artikel 55d
1.

Een verplichting tot geheimhouding wordt vermeld op het stuk ten aanzien waarvan de geheimhouding geldt. Indien de geheimhouding geldt ten aanzien van informatie anders dan in schriftelijke vorm, wordt de verplichting op een passende wijze kenbaar gemaakt.

2.

Een verplichting tot geheimhouding wordt in acht genomen door allen die van de informatie kennis dragen.

3.

Een verplichting tot geheimhouding duurt voort totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd haar opheft. Indien de verplichting tot geheimhouding is opgelegd door een commissie, kan die verplichting tevens worden opgeheven door het orgaan dat de commissie heeft ingesteld.

4.

Indien informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt aan het algemeen bestuur is verstrekt, duurt die verplichting in afwijking van het derde lid voort totdat het algemeen bestuur haar opheft.

5.

Een lid van het algemeen bestuur dat in strijd handelt met het tweede lid kan bij besluit van het algemeen bestuur ten hoogste drie maanden worden uitgesloten van het ontvangen van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt.

Titel III. De bevoegdheid van het waterschapsbestuur

Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 4. Last onder bestuursdwang

§ 1. Algemene bevoegdheden

§ 2. Bijzondere bevoegdheden

Titel IV. De financiën van het waterschap

Hoofdstuk XIV. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XVIIb. De zuiveringsheffing

Hoofdstuk XVII. De watersysteemheffing

Hoofdstuk XX. Het beroep tegen besluiten

Hoofdstuk XXI. Schorsing en vernietiging

Hoofdstuk XXII. Het toezicht op interprovinciale waterschappen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het waterschapsbestuur

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 51aa

Het algemeen bestuur stelt een rekenkamer in.

Artikel 51ab

Het algemeen bestuur stelt het aantal leden van de rekenkamer vast.

Artikel 51ac
1.

Het algemeen bestuur benoemt de leden van de rekenkamer voor de duur van zes jaar.

2.

Indien de rekenkamer uit twee of meer leden bestaat, benoemt het algemeen bestuur uit de leden de voorzitter.

3.

Het algemeen bestuur kan plaatsvervangende leden benoemen. Indien de rekenkamer uit één lid bestaat, benoemt het algemeen bestuur in ieder geval een plaatsvervangend lid. Paragraaf 1 van hoofdstuk VIOA is op plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

4.

Het algemeen bestuur kan een lid herbenoemen.

5.

Voorafgaand aan de benoemingen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, pleegt het algemeen bestuur overleg met de rekenkamer.

6.

Een lid van de rekenkamer wordt door het algemeen bestuur ontslagen:

  • a. op eigen verzoek;
  • b. bij de aanvaarding van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap;
  • c. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • d. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld; of
  • e. indien hij naar het oordeel van het algemeen bestuur ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
7.

Een lid van de rekenkamer kan door het algemeen bestuur worden ontslagen:

  • a. indien hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen; of
Artikel 51ad
1.

Het algemeen bestuur stelt een lid van de rekenkamer op non-activiteit indien:

  • a. hij zich in voorlopige hechtenis bevindt;
  • b. hij bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • c. hij onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
2.

Het algemeen bestuur kan een lid van de rekenkamer op non-activiteit stellen, indien tegen hem een gerechtelijk onderzoek ter zake van een misdrijf wordt ingesteld of indien er een ander ernstig vermoeden is van het bestaan van feiten en omstandigheden die tot ontslag, anders dan op gronden vermeld in artikel 51ac, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a, zouden kunnen leiden.

3.

Het algemeen bestuur beëindigt de non-activiteit zodra de grond voor de maatregel is vervallen, met dien verstande dat in een geval als bedoeld in het tweede lid de non-activiteit in ieder geval eindigt na zes maanden. In dat geval kan het algemeen bestuur de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.

Artikel 51ae

Artikel 32 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.

Artikel 51af
1.

Een lid van de rekenkamer is niet tevens:

  • a. minister;
  • b. staatssecretaris;
  • c. lid van de Raad van State;
  • d. lid van de Algemene Rekenkamer;
  • e. Nationale ombudsman;
  • g. commissaris van de Koning van de provincie waarin het waterschap waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
  • h. gedeputeerde van de provincie waarin het waterschap waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
  • i. secretaris van de provincie waarin het waterschap waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
  • j. griffier van de provincie waarin het waterschap waar hij lid van de rekenkamer is, is gelegen;
  • k. lid van het algemeen bestuur van het betrokken waterschap;
  • l. voorzitter van het betrokken waterschap;
  • m. lid van het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap;
  • n. ombudsman of lid van een ombudscommissie als bedoeld in artikel 51i;
  • o. ambtenaar in dienst van het betrokken waterschap of uit anderen hoofde daaraan ondergeschikt;
  • p. ambtenaar, in dienst van de Staat of de provincie, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op het betrokken waterschap; of
  • q. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het waterschapsbestuur van advies dient.
2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een lid van de rekenkamer tevens zijn vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht.

Artikel 51ag
1.

Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van de rekenkamer in de vergadering van het algemeen bestuur, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de rekenkamer benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de rekenkamer naar eer en geweten zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!»

(«Dat verklaar en beloof ik!»)

2.

Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt:

«Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta lid fan «e rekkenkeamer beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw.

Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil.

Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan «e Grûnwet, dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as lid fan «e rekkenkeamer yn alle oprjochtens ferfolje sil.

Sa wier helpe my God Almachtich!»

(«Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).

Artikel 51ah

Artikel 33, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.

Artikel 51ai

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)