Wet van 14 februari 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenten

Type Wet
Publication 2026-03-21
Laatst bijgewerkt 2026-04-18
State In force
Source BWB
artikelen 569
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 4 en Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 228a
1.

Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en
  • b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
2.

Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven.

3.

Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 4 en Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 154b
1.

De raad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van:

  • a. voorschriften uit zijn verordeningen betreffende gedragingen die kunnen leiden tot overlast in de openbare ruimte en die tevens krachtens artikel 154 strafbaar zijn gesteld, met uitzondering van de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde voorschriften, en

De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

2.

De verordening, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing op alle overtredingen, genoemd in het eerste lid.

3.

Een besluit van de raad tot intrekking van de verordening, bedoeld in het eerste lid, treedt niet eerder in werking dan na twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit.

4.

De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend door het college. Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

5.

In het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet 2012, vindt afstemming plaats over de inzet en werkwijze met betrekking tot de aanpak van overlast in de openbare ruimte door de politie en de ondergeschikten, bedoeld in artikel 154c, tweede lid.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de verschillende boetecategorieën en de hoogte van de bestuurlijke boete bepaald. Voor zover voor een voorschrift de boetecategorie en de hoogte van de boete niet bij algemene maatregel van bestuur zijn bepaald, stelt de raad deze vast in de verordening, bedoeld in het eerste lid. De bestuurlijke boete kan voor natuurlijke personen per gedraging niet hoger zijn dan het bedrag van de geldboete van de eerste categorie en voor rechtspersonen per gedraging niet hoger zijn dan € 2250.

7.

Een bestuurlijke boete kan slechts worden opgelegd aan personen die ten tijde van de overtreding 12 jaar of ouder waren. De bestuurlijke boete wordt voor personen die ten tijde van de overtreding nog geen zestien jaar oud waren, gehalveerd.

Artikel 154c
1.

Zo mogelijk maakt het bestuursorgaan of de ondergeschikte, bedoeld in het tweede lid, terstond na constatering van de overtreding daarvan een rapport op en reikt een afschrift van dat rapport uit aan de overtreder.

2.

Tot het opmaken van een rapport kan slechts worden gemachtigd een ondergeschikte van het bestuursorgaan, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere eisen gesteld worden aan de ondergeschikte.

3.

Onverminderd artikel 5:48, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vermeldt het rapport het bestuursorgaan dat de bestuurlijke boete zal opleggen.

Artikel 154d

Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 154b, eerste lid.

Artikel 154e

De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete wordt gezonden naar het adres dat de overtreder heeft opgegeven. Indien de beschikking onbestelbaar blijkt te zijn, wordt deze gezonden naar het adres waarop betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven, tenzij dit hetzelfde is als het opgegeven adres. Indien de beschikking op het in de basisregistratie personen vermelde adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de overtreder bekend te zijn.

Artikel 154f

Vervallen

Artikel 154g

Vervallen

Artikel 154h

Vervallen

Artikel 154i

Vervallen

Artikel 154j

Vervallen

Artikel 154k
1.

Tegen een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 154b, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank. Het beroep wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2.

De artikelen 6, tweede lid, 10, 12 tot en met 17 en 19 tot en met 20d van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 13a, tweede tot en met vierde lid, van die wet en met dien verstande dat telkens voor «officier van justitie» wordt gelezen: het bestuursorgaan.

Artikel 154l

De bestuurlijke boete wordt betaald aan het bestuursorgaan binnen zes weken nadat deze onherroepelijk is geworden.

Artikel 154m
1.

De invordering vindt plaats met overeenkomstige toepassing van de wettelijke bepalingen inzake invordering van gemeentelijke belastingen.

2.

In afwijking van het eerste lid:

  • a. vindt kwijtschelding wegens onvermogen tot betalen niet plaats; en
  • b. verjaart de bevoegdheid tot invordering van de geldsom twee jaren nadat de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.
Artikel 154n
1.

De behandeling van het beroep vindt plaats binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, ter hoogte van het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

2.

Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de in het eerste lid bedoelde termijn zonodig met vier weken worden verlengd.

3.

De zekerheid wordt door de indiener gesteld bij het bestuursorgaan dat de bestuurlijke boete heeft opgelegd, hetzij door middel van een aan betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van de het bestuursorgaan. De griffie van de rechtbank wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidsstelling en deelt hem mee dat de zekerheidsstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van zijn mededeling. Indien de zekerheidsstelling niet binnen deze termijn is geschied, wordt het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.

De verplichting tot zekerheidsstelling vervalt nadat ten aanzien van de opgelegde bestuurlijke boete een onherroepelijke beslissing is genomen.

5.

Indien de in het vierde lid bedoelde beslissing inhoudt dat de opgelegde bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk blijft gehandhaafd, wordt de verschuldigde bestuurlijke boete op de zekerheidsstelling verhaald.

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Paragraaf 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Alle verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 111, tweede lid, die voorkomen in de volgende wetten:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 172a
1.

Onverminderd artikel 172, derde lid, en hetgeen bij gemeentelijke verordening is bepaald omtrent de bevoegdheid van de burgemeester om bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde, kan de burgemeester aan een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord of bij groepsgewijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, dan wel herhaaldelijk individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven:

  • a. zich niet te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeente;
  • b. zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een voor het publiek toegankelijke plaats zonder redelijk doel met meer dan drie andere personen in groepsverband op te houden, of
  • c. zich op bepaalde tijdstippen te melden op of vanaf bepaalde plaatsen, al dan niet in een andere gemeente.
2.

De burgemeester kan tevens een bevel geven aan een persoon aan wie door een private organisatie een sanctie is opgelegd, wegens gedrag dat bij de burgemeester de ernstige vrees doet ontstaan dat die persoon de openbare orde zal verstoren.

3.

De burgemeester van een andere gemeente kan een burgemeester verzoeken om een persoon tevens namens hem een overeenkomstig bevel te geven, indien de burgemeester die het bevel geeft, de ernstige vrees heeft dat die persoon ook in de andere gemeente de openbare orde zal verstoren. Het verzoek bevat een aanduiding van de objecten of gebieden waar de aanwezigheid van die persoon niet gewenst is en van de tijdstippen of perioden waarvoor het bevel geldt. De burgemeester zendt een afschrift van het bevel dat hij namens een andere burgemeester heeft gegeven, aan die burgemeester.

4.

Van een bevel zich te melden in een andere gemeente, wordt tijdig mededeling gedaan aan de burgemeester van die gemeente.

5.

Indien de officier van justitie een persoon als bedoeld in het eerste lid een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, geeft de burgemeester aan deze persoon niet een bevel als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, voor hetzelfde gebied.

6.

Het bevel geldt voor:

  • a. een door de burgemeester vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden, in welk geval het bevel ten hoogste driemaal kan worden verlengd met een door de burgemeester vast te stellen periode van telkens ten hoogste drie maanden, of
  • b. door de burgemeester vast te stellen tijdstippen of perioden, verspreid over ten hoogste negentig dagen binnen een tijdvak van ten hoogste vierentwintig maanden.
7.

Op grond van nieuwe feiten of omstandigheden kan de burgemeester het bevel wijzigen ten nadele van betrokkene.

8.

De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van de verboden of geboden die voortvloeien uit het bevel, dan wel van een of meer onderdelen daarvan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

9.

Indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven, wijzigt de burgemeester het bevel ten gunste van betrokkene. Het bevel wordt ingetrokken zodra het niet langer nodig is ter voorkoming van verdere verstoringen van de openbare orde.

Artikel 172b
1.

De burgemeester kan aan een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige die herhaaldelijk in groepsverband de openbare orde heeft verstoord en de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zorg te dragen:

  • a. dat de minderjarige zich niet bevindt in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeente, tenzij de minderjarige wordt begeleid door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een andere meerderjarige als bedoeld in het derde lid; of
  • b. dat de minderjarige zich op bepaalde dagen gedurende een aangegeven tijdvak tussen 8 uur ’s avonds en 6 uur ’s ochtends niet bevindt op voor het publiek toegankelijke plaatsen, tenzij de minderjarige wordt begeleid door een persoon die het gezag over hem uitoefent of door een andere meerderjarige als bedoeld in het derde lid.
2.

Het bevel geldt voor een door de burgemeester vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden.

3.

De burgemeester kan voor de toepassing van het eerste lid ten hoogste twee andere meerderjarigen naast de persoon of personen die het gezag uitoefenen over een minderjarige aanwijzen ter begeleiding van de minderjarige.

4.

Artikel 172a, zevende, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 4. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Wet Waterhuishouding (TK, 1986-1987, 17 367, nr. 8)

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Ministerie van Binnenlandse Zaken

Wet rampen en zware ongevallen, artikelen 3 en 4 en Brandweerwet 1985, artikel 4, eerste lid, onderdeel 2, onder a.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 45a
1.

Het college beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek tot verlof, doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het verzoek.

2.

De beslissing geschiedt in overeenstemming met de verklaring van de arts of verloskundige en bevat de dag waarop het verlof ingaat.

Artikel 45b
1.

De raad kan een vervanger benoemen voor de wethouder die met verlof is gegaan. Artikel 36, eerste en derde lid, is niet van toepassing.

2.

De vervanger is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag waarop het verlof is ingegaan.

3.

Indien de vervanger voor het einde van het verlof ontslag neemt of door de raad wordt ontslagen, kan de raad voor de resterende duur van het verlof een vervanger benoemen.

Hoofdstuk IV. De burgemeester

Hoofdstuk IVa. De rekenkamer

Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer

Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

Hoofdstuk IVc. De ombudsman

Paragraaf 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie

Hoofdstuk V. De commissies

Paragraaf 1. Commissies

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Titel IV. De financiën van de gemeente

§ 1. De begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Titel VI

Titel VI

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 124a
1.

In overeenstemming met Onze Minister, kan Onze Minister wie het aangaat, indien hij van oordeel is dat toepassing van artikel 124, eerste lid, uit oogpunt van een zwaarwegend algemeen belang gewenst is, gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning verzoeken toepassing te geven aan artikel 124, eerste lid. Een afschrift van het verzoek wordt gezonden aan de raad en provinciale staten. Indien gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning niet binnen een door Onze Minister wie het aangaat gestelde termijn toepassing hebben gegeven aan artikel 124, eerste lid, gaat de bevoegdheid van artikel 124, eerste lid, over op Onze Minister wie het aangaat.

2.

De artikelen 124, tweede tot en met vierde lid,124c, 124d, en 124f zijn van overeenkomstige toepassing bij toepassing van artikel 124, eerste lid, door Onze Minister wie het aangaat.

Artikel 124b
1.

Ter zake van de in de bijlage bij deze wet opgenomen wetten worden de bevoegdheden die in de artikelen 124, 124c, 124d en artikel 124f aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning zijn toegekend, in zoverre in afwijking van die artikelen uitgeoefend door Onze Minister wie het aangaat.

2.

Voorafgaand aan het nemen van een besluit tot indeplaatsstelling, informeert Onze Minister wie het aangaat gedeputeerde staten.

Artikel 124c
1.

Bij de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling beschikken gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning over de bevoegdheden waarover de raad, het college of de burgemeester bij of krachtens deze wet of de andere wet, bedoeld in artikel 124, eerste lid, beschikt. In afwijking van artikel 171, eerste lid, vertegenwoordigt de commissaris van de Koning de gemeente zonodig in en buiten rechte.

2.

Voor zover het gemeentebestuur, had hij de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zelf uitgeoefend, de kosten van de uitvoering in rekening kan brengen bij derden, heeft hij bij die derden verhaal voor de door gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning ten laste van de gemeente gebrachte kosten. Het gemeentebestuur kan het bedrag invorderen bij dwangbevel.

Artikel 124d

Gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning, kunnen een besluit tot indeplaatsstelling intrekken, indien de raad, het college of de burgemeester voldoende aannemelijk maakt dat hij zonder voorbehoud zal voorzien in hetgeen het besluit van hem vordert.

Artikel 124e

Gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning onderscheidenlijk Onze Minister wie het aangaat, bedoeld in artikel 124b, eerste lid, kunnen ambtenaren aanwijzen ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van de aan het gemeentebestuur bij of krachtens andere wet dan deze opgedragen taken. Deze ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 124f
1.

Indien gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning bij de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling namens de raad, het college of de burgemeester een besluit nemen, kan voor de toepassing van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar worden gemaakt bij gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning. Gedeputeerde staten beslissen onderscheidenlijk de commissaris van de Koning beslist op het bezwaar.

2.

Gedeputeerde staten zijn onderscheidenlijk de commissaris van de Koning is de verwerende partij inzake een beroep tegen een namens de raad, het college of de burgemeester genomen besluit als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het gemeentebestuur kan geen beroep instellen tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 124g
1.

Het gemeentebestuur werkt mee met de uitvoering van een besluit tot indeplaatsstelling. Gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning onderscheidenlijk Onze Minister wie het aangaat kunnen ter zake van de uitvoering van het besluit aanwijzingen geven. Het gemeentebestuur stelt op eerste vordering van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning, de voor de uitvoering van het besluit benodigde gemeenteambtenaren ter beschikking en verschaft op eerste vordering van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning, alle informatie die nodig is voor de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling.

2.

Gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning onderscheidenlijk Onze Minister wie het aangaat kunnen ambtenaren aanwijzen die ten behoeve van de uitvoering van een besluit tot indeplaatsstelling beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Het gemeentebestuur verschaft de aangewezen ambtenaren desgevraagd de faciliteiten die zij nodig hebben.

Artikel 124h

Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister, kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van systematische informatie aan het provinciebestuur of, in het geval artikel 124b, eerste lid, van toepassing is, Onze Minister wie het aangaat, betreffende de uitvoering door het gemeentebestuur van de andere wet, bedoeld in artikel 124, eerste lid. Bij ministeriële regeling of bij provinciale verordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing.

Artikel 124i

Vervallen

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Artikel 273a
1.

Indien een besluit van de raad of het college naar het oordeel van gedeputeerde staten of indien een besluit van de burgemeester naar het oordeel van de commissaris van de Koning voor vernietiging in aanmerking komt, doen zij daarvan binnen tien dagen nadat het te hunner kennis is gekomen, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Zij geven hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast en aan de geadresseerde van het besluit.

2.

Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.

3.

In geval de bevoegdheid tot het nemen van een besluit aan de raad, het college of de burgemeester is verleend bij andere wet dan deze en het besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met het recht, kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning mededeling doen dat zij overwegen toepassing te geven aan het eerste lid. De mededeling wordt gedaan aan het orgaan dat het besluit heeft genomen, het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast en de geadresseerde van het besluit. Nadat gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning, mededeling hebben gedaan, wordt het besluit niet of niet verder uitgevoerd. Indien niet binnen tien dagen toepassing is gegeven aan het eerste lid, dan wel indien gedeputeerde staten onderscheidenlijk de commissaris van de Koning mededelen dat geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt het besluit uitgevoerd.

Artikel 278a
1.

In het koninklijk besluit kan een voorziening worden getroffen voor de periode tussen de inwerkingtreding en het tijdstip dat het op grond van artikel 281 genomen besluit in werking is getreden.

2.

Indien, gelet op het koninklijk besluit, het gemeentebestuur bij de toepassing van artikel 281 niet over beleidsvrijheid beschikt, kan het koninklijk besluit bepalen dat het in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.

In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat ter zake van het vernietigde besluit geen nieuw besluit wordt genomen.

4.

In het koninklijk besluit kan het gemeentebestuur een aanwijzing worden gegeven over de uitvoering van het koninklijk besluit. De artikelen 124 tot en met 124h zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de aanwijzing niet wordt opgevolgd.

5.

Indien het koninklijk besluit betrekking heeft op de vernietiging van een algemeen verbindend voorschrift of een ander besluit van algemene strekking, kan worden bepaald dat de vernietiging tevens betrekking heeft op besluiten die zijn genomen op grond van of ter uitvoering van het algemeen verbindend voorschrift of het andere besluit van algemene strekking.

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

B. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

C. Ministerie van Infrastructuur en Milieu

D. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

E. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

F. Ministerie van Financiën

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 4. Bestuursdwang

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 174b
1.

Bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, kan de burgemeester in een onvoorziene, spoedeisende situatie een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, voor ten hoogste twaalf uur aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen.

2.

Voordat de burgemeester het gebied aanwijst, overlegt hij met de officier van justitie.

3.

De aanwijzing kan mondeling worden gegeven. In dat geval wordt de aanwijzing zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en bekendgemaakt.

4.

De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad.

5.

Artikel 151b, derde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 81bis

De commissaris verricht de werkzaamheden, genoemd in de artikelen 61, 61a, 61b, 65, 69, 71, 72 en 78, volgens een door de regering gegeven ambtsinstructie.

Hoofdstuk IVa. De rekenkamer

Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer

Paragraaf 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

Hoofdstuk IVc. De ombudsman

Paragraaf 2. De gemeentelijke ombudsman

Hoofdstuk Va. Geheimhouding

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. Verhouding tot de provincie en het Rijk

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders

Artikel 151d
1.

De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2.

De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

3.

Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

§ 1. De begroting

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

G. Ministerie van Veiligheid en Justitie

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 44a
1.

Op de bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.

2.

Kostenvergoedingen krachtens artikel 44, tweede lid, zijn niet vatbaar voor beslag.

Artikel 44b

Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.

Artikel 44c
1.

Met de bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de wethouder zelf als zodanig aan de gemeente verschuldigd is.

2.

Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 44d, eerste lid.

3.

Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.

Artikel 44d
1.

Op de bezoldiging kan ten behoeve van een schuldeiser van de wethouder een korting worden toegepast, mits de wethouder de vordering van de schuldeiser erkent dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.

2.

Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn.

3.

Beslag, faillissement, surseance van betaling en toepassing ten aanzien van de wethouder van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.

Artikel 44e

Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 44c, tweede lid, en artikel 44d, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.

Artikel 44f

Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.

Artikel 44g
1.

Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de wethouder enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent, is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou zijn.

2.

Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.

Artikel 44h

Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de gemeente, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de gemeente van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.

Artikel 44i

Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.

Artikel 44j

Met bezoldiging worden in de artikelen 44a tot en met 44h gelijkgesteld de bedragen – onder de benaming van uitkering of welke benaming ook – waarop de wethouder krachtens artikel 44, eerste lid, aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden krachtens artikel 44, eerste lid, aanspraak hebben.

Hoofdstuk IV. De burgemeester

Hoofdstuk IVa. De rekenkamer

Paragraaf 1. De gemeentelijke rekenkamer

Hoofdstuk IVc. De ombudsman

Paragraaf 1. Algemene bepaling

Hoofdstuk V. De commissies

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Paragraaf 2. De secretaris

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van de raad

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

B. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

A. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

B. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

C. Ministerie van Infrastructuur en Milieu

D. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 155g
1.

De raad kan tezamen met de raden van de andere deelnemende gemeenten aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of tezamen met de raad of raden van de deelnemende gemeente of gemeenten en provinciale staten van de deelnemende provincie of provincies aan een regeling als bedoeld in artikel 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, op voorstel van een van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar het door het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan gevoerde bestuur.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een regeling die uitsluitend of mede is getroffen door de raad of raden, of provinciale staten van de deelnemende gemeenten of provincies.

3.

Het besluit tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd.

4.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de raden gezamenlijk, met toepassing van de artikelen 1 en 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen dan wel de raden en provinciale staten gezamenlijk met toepassing van de artikelen 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid.

5.

Bij de samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan deelnemende gemeenten en provincies.

6.

De regeling waarbij de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. In elk geval worden bepalingen opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

7.

De artikelen 22 en 86, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

8.

De gemeenschappelijke onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.

9.

De bevoegdheden en werkzaamheden van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van een van de raden of provinciale staten, bedoeld in het eerste lid.

10.

Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek is artikel 19 van de Bekendmakingswet van overeenkomstige toepassing.

11.

De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a, 15, 16, 17, 20, derde lid, 21, 22, 23, 30 en 54 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing. De overige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Artikel 155h

De artikelen 155b tot en met 155f zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 155g, met dien verstande dat:

  • c. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 155b, eerste lid, en 155c, eerste lid, ook van toepassing zijn op de leden en gewezen leden van provinciale staten, de commissaris van de Koning en gewezen commissarissen van de Koning, gedeputeerden en gewezen gedeputeerden, leden en gewezen leden van de door provinciale staten ingestelde rekenkamer, leden en gewezen leden van een door provinciale staten of gedeputeerde staten ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de provincie of uit andere hoofde aan het provinciebestuur ondergeschikt, indien het een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen betreft;
  • d. bij de toepassing van artikel 155b, derde lid, voor «het gemeentebestuur» wordt gelezen «het gemeentebestuur, het provinciebestuur, indien onderzoek gedaan wordt naar de bestuursvoering van een instelling ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en het bestuur van een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 1 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen» en voor «artikel 155a» wordt gelezen «artikel 155g»;
  • e. bij de toepassing van artikel 155e het derde lid komt te luiden:
    1. De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van een commissie ingesteld door het college, de burgemeester of het bestuur van het openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 1 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, burgemeesters, gedeputeerde staten of commissarissen van de Koning, zijn niet verplicht aan artikel 155b, eerste en derde lid, en artikel 155c, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang. Dit geldt evenzo voor de ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de gemeente, het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of uit andere hoofde ondergeschikt aan het gemeentebestuur of het bestuur van een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 1 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, burgemeesters, gedeputeerde staten of commissarissen van de Koning.
  • f. bij de toepassing van artikel 155e, vierde lid, voor «de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester» wordt gelezen «de burgemeester, gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning, of het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 8 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen gevoerde bestuur, door de burgemeester, gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning of door het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan».

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Hoofdstuk XIa. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen

§ 3. Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen

§ 4. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

E. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

F. Ministerie van Financiën

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 185a

Het college zendt de raad jaarlijks een overzicht van de aan het college gedane voorstellen van de rekenkamer, vergezeld van zijn standpunt daaromtrent en van de wijze waarop aan de voorstellen vervolg is gegeven.

Titel IV. De financiën van de gemeente

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Paragraaf 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 4. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

G. Ministerie van Veiligheid en Justitie

Bijlage. bedoeld in artikel 299, tweede lid, van de Gemeentewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

Titel III. De bevoegdheid van het gemeentebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)