Reglement rechtstoestand tewerkgestelden

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-09-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Overwegende, dat het wenselijk is de rechtspositie van tewerkgestelde erkende gewetensbezwaarden op onderdelen meer in evenwicht te brengen met de ter zake geldende regelen voor dienstplichtige militairen en deze rechtspositie meer te doen aansluiten op de feitelijke omstandigheden waaronder de tewerkstelling plaatsvindt;

Overwegende, dat daartoe de Beschikking gewetensbezwaren militaire dienst (Besluit van de minister van Sociale Zaken van 8 februari 1978, Stcrt. 381Laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 18 december 1991, Stcrt. 248) dient te worden ingetrokken en een nieuwe regeling dient te worden vastgesteld;

Gelet op artikel 59 van het Besluit gewetensbezwaren militaire dienst (Stb. 1980, 5)2Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 juni 1991, Stb. 295;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Administratieve gegevens

De tewerkgestelde is verplicht aan de Directie TEGMD zo spoedig mogelijk, schriftelijk en met vermelding van datum van ingang, opgave te doen van wijziging van:

Artikel 3. Plaats van tewerkstelling

De tewerkstelling vindt in Nederland plaats. Op verzoek van het hoofd van dienst kan de minister toestaan, dat de tewerkgestelde voor ten hoogste 4 weken werkzaamheden, die deel uitmaken van de tewerkstelling, verricht op de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel anderszins buiten Nederland, doch binnen Europa. Onder werkzaamheden wordt mede begrepen de heen- en terugreis tussen Nederland en het desbetreffende land.

Artikel 4. Aanvullende werking voorschriften voor werknemers

De voorschriften, die bij de dienst voor werknemers bestaan, gelden, voor zover zij niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet, ook voor de tewerkgestelde.

Hoofdstuk 2. Voorzieningen uit hoofde van de tewerkstelling

Paragraaf 1. Zakgeld en vakantie-uitkering

Artikel 5. Zakgeld
1.

Het bedrag van het zakgeld waarop de tewerkgestelde ingevolge artikel 43 van het besluit recht heeft, is gelijk aan het bedrag van de wedde eerste oefening, zoals deze is vastgesteld voor dienstplichtige soldaten.

2.

De tewerkgestelde heeft geen recht op zakgeld:

3.

De tewerkgestelde die een vrijheidsstraf, voorlopige hechtenis of gijzeling ondergaat, behoudt gedurende de eerste 6 weken recht op tweederde gedeelte van zijn zakgeld. Na 6 weken verleent de minister de tewerkgestelde, met toepassing van artikel 23, eerste lid, van de wet, uitstel van het onvervuld gedeelte van de tewerkstelling.

4.

De tewerkgestelde op wie het bepaalde in het derde lid toepassing heeft gevonden, wordt hersteld in zijn recht op zakgeld, indien ter zake van het feit in verband waarmee hij voorlopige hechtenis heeft ondergaan:

5.

Het zakgeld wordt maandelijks gestort op een door de tewerkgestelde op te geven bank- of giro-rekening. De tewerkgestelde ontvangt een schriftelijke opgave van het zakgeld-bedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld, en van de bedragen die op het zakgeld-bedrag zijn ingehouden, tenzij zich ten opzichte van de voorafgaande uitbetaling in geen van de bedragen een wijziging heeft voorgedaan. Aan het eind van ieder kalenderjaar wordt de tewerkgestelde een overzicht verstrekt van het totale door hem over dat kalenderjaar genoten zakgeld.

6.

Voor de berekening van het zakgeld over een gedeelte van een maand wordt de maand op 30 dagen gesteld.

Artikel 6. Vakantie-uitkering
1.

De tewerkgestelde heeft recht op een vakantie-uitkering van 8% over het hem per maand toekomende zakgeld.

2.

De vakantieuitkering wordt berekend over een periode van 12 maanden, aanvangende met de maand juni van het voorafgaande jaar. De uitkering wordt in de maand mei uitbetaald.

3.

In afwijking van het in het tweede lid bepaalde wordt, indien de tewerkgestelde de tewerkstelling voortijdig beëindigt met toepassing van artikel 47 dan wel aan hem groot verlof of tussentijds ontslag van alle verplichtingen uit de vervangende dienst wordt verleend, de vakantieuitkering berekend over de periode waarover deze nog niet is genoten, en zo spoedig mogelijk uitbetaald.

Paragraaf 2. Huisvesting en voeding van rijkswege

Artikel 7
1.

Indien de minister zulks in het belang van de dienst wenselijk acht, wordt de tewerkgestelde huisvesting en voeding van rijkswege verstrekt. De minister bepaalt waar de tewerkgestelde huisvesting en voeding van rijkswege krijgt.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘gezinsleden’ verstaan: de levenspartner van de tewerkgestelde, alsmede de kinderen, stief- en pleegkinderen van hemzelf en/of zijn levenspartner, voor zover zij met hem samenwonen.

3.

De tewerkgestelde zonder gezinsleden aan wie huisvesting en voeding van rijkswege is verstrekt, is ter zake van voeding een vergoeding verschuldigd van f. 8,- voor elke dag, waarop hij deze, naar het oordeel van de minister, had kunnen ontvangen.

4.

De vergoeding wordt maandelijks ingehouden op het zakgeld en berekend naar het aantal werkdagen in de desbetreffende maand.

5.

De tewerkgestelde heeft geen aanspraak op huisvesting en voeding van rijkswege over de periode gedurende welke hij ingevolge artikel 5, tweede lid, geen recht heeft op zakgeld, dan wel een vrijheidsstraf, voorlopige hechtenis of gijzeling ondergaat.

Paragraaf 3. Voorzieningen in verband met de gezondheidszorg

Artikel 8. Vergoeding kosten gebitssanering
1.

De tewerkgestelde heeft recht op vergoeding van de noodzakelijke kosten van behandeling door een tandarts ter sanering van zijn gebit overeenkomstig het terzake geldende wettelijke tarief.

2.

Het recht op de vergoeding vervalt, indien de tewerkgestelde zich niet binnen vier weken na de aanvang van de tewerkstelling voor behandeling bij een tandarts heeft aangemeld.

Artikel 9. Tegemoetkoming in bijzondere ziektekosten
1.

De tewerkgestelde heeft recht op een op grond van het bepaalde in de Regeling Ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (Stb. 1980, 544) te berekenen tegemoetkoming in de te zijnen laste blijvende ziektekosten, die zijn ontstaan tijdens zijn verblijf in de tewerkstelling.

2.

De tegemoetkoming wordt verleend op een daartoe bij de Directie TEGMD in te dienen aanvraagformulier.

Paragraaf 4. Defensiekaart openbaar vervoer

Artikel 10. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 11. Verstrekking DOV-kaart/legitimatiebewijs
1.

De erkende gewetensbezwaarde militaire diens, die dient aan te vangen met de tewerkstelling, wordt in het bezit gesteld van een DOV-kaart.

2.

Aan de erkende gewetensbezwaarde militaire dienst wordt voorts door de Directie TEGMD een legitimatiebewijs erkende gewetensbezwaarden militaire dienst verstrekt.

3.

Het legitimatiebewijs vermeldt:

4.

Het legitimatiebewijs bevat een goed gelijkende kleurenbeeltenis van de erkende gewetensbezwaarde. Gedeeltelijk op de beeltenis, gedeeltelijk op het legitimatiebewijs wordt een afdruk van 's Rijks wapen aangebracht.

5.

De DOV-kaart is alleen geldig te zamen met een legitimatiebewijs erkende gewetensbezwaarden militaire dienst.

Artikel 12. Buiten-toepassingverklaring reiskostenvergoedingen

Ten aanzien van de tewerkgestelde, die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart, blijft, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, het bepaalde in paragraaf 5 buiten toepassing.

Artikel 13. Reikwijdte DOV-kaart
1.

De DOV-kaart geeft de tewerkgestelde aanspraak op kosteloos reizen binnen Nederland op alle lijnen van de NS in de tweede klasse en op de lokale en interlokale lijnen van de tram, bus en metro, waarvoor het landelijk tariefsysteem geldt, met uitzondering van museumlijnen en buurtbussen.

2.

Wanneer voor het gebruik van bepaalde treinen of gedeelten van treinen een toeslag op de volgens het reizigerstarief-NS verschuldigde vervoerprijs geldt, is de tewerkgestelde met een DOV-kaart alleen die toeslag verschuldigd.

Artikel 14. Kosten overvaart
1.

De tewerkgestelde, die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart en die in Nederland op de normale reisroute tussen zijn woonplaats/woonadres en de plaats van tewerkstelling, gebruikmakend van een openbaar middel van vervoer, noodzakelijkerwijs kosten heeft gemaakt ter zake van een overvaart, heeft aanspraak op vergoeding van die kosten.

2.

Geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde vergoeding bestaat voor reizen, die de tewerkgestelde heeft gemaakt in een periode gedurende welke hij, ingevolge het bepaalde in artikel 5, tweede lid, geen aanspraak op zakgeld heeft.

Artikel 15. Kosten reizen buiten Nederland
1.

De tewerkgestelde, die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart en aan wie toestemming is verleend tot het dagelijks reizen tussen zijn woonplaats en de plaats van tewerkstelling, heeft, indien zijn woonplaats is gelegen buiten Nederland, en daar reeds was gelegen voor de aanvang van de tewerkstelling, voor de duur van die toestemming aanspraak op vergoeding van de kosten voor het (dagelijks) reizen vanaf het in de normale reisroute liggende grensstation naar zijn woonplaats en terug.

2.

De tewerkgestelde, die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart en aan wie huisvesting van rijkswege is verleend, heeft, indien zijn woonplaats is gelegen buiten Nederland, doch binnen Europa, en daar reeds was gelegen vóór de datum van aanvang van de tewerkstelling, eenmaal per 4 weken aanspraak op vergoeding van de kosten voor het reizen vanaf het in de normale reisroute liggende grensstation naar zijn woonplaats en terug. De aanspraak op de in de eerste volzin bedoelde vergoeding vervalt, indien de tewerkgestelde de reis niet aanvangt binnen 2 weken nadat hij de reis, naar het oordeel van de minister, redelijkerwijs had kunnen aanvangen.

3.

Het bepaalde in artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de vergoedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 16. Verminking vermissing DOV-kaart c.q. legitimatiebewijs na uitreiking
1.

Bij verminking van de DOV-kaart c.q. het legitimatiebewijs dient de tewerkgestelde de DOV-kaart c.q. het legitimatiebewijs onverwijld op te zenden naar de Directie TEGMD. Bij vermissing van de DOV-kaart c.q. het legitimatiebewijs dient de tewerkgestelde onverwijld een proces-verbaal van vermissing te laten opmaken door de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie.

2.

Na overlegging aan de Directie TEGMD van de verminkte DOV-kaart c.q. het verminkte legitimatiebewijs dan wel (een afschrift van) het in het eerste lid bedoelde proces-verbaal verstrekt de Directie TEGMD een duplicaat. Bij verstrekking van een duplicaat DOV-kaart geschiedt zulks onder inhouding op het aan de tewerkgestelde toekomende zakgeld van de door de NV Nederlandse Spoorwegen in rekening te brengen aanmaakkosten. Verstrekking van een duplicaat DOV-kaart blijft echter achterwege, indien de nog resterende duur van de tewerkstelling minder dan 30 dagen bedraagt.

3.

Na overlegging aan de Directie TEGMD van de verminkte DOV-kaart c.q. het verminkte legitimatiebewijs dan wel (een afschrift van) het in het eerste lid bedoelde proces-verbaal en voor zolang geen duplicaat, bedoeld in het tweede lid, is verstrekt, heeft de tewerkgestelde aanspraak op vergoeding van de kosten voor het reizen in de gevallen genoemd in paragraaf 5. Het bepaalde in artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste volzin bedoelde vergoeding.

Artikel 17. Inname DOV-kaart
1.

De tewerkgestelde, die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart en die op grond van de Wet vervoersvoorwaarden openbaar vervoer (Stb. 1984, 108) uit een openbaar middel van vervoer wordt geweerd of verwijderd, heeft geen aanspraak op een vervangende tegemoetkoming in de kosten voor het reizen.

2.

De tewerkgestelde, wiens DOV-kaart op grond van de Wet vervoersvoorwaarden openbaar vervoer wordt ingenomen, heeft geen aanspraak op een vervangende tegemoetkoming in de kosten voor het reizen gedurende de periode gelegen tussen de inname van de DOV-kaart en het weer ontvangen van de DOV-kaart.

Artikel 18. Aanvullende voorzieningen
1.

In individuele gevallen, waarin het gebruik van een openbaar middel van vervoer wat de reistijd betreft voor de tewerkgestelde tot onaanvaardbare consequenties zou leiden, dienen, op verzoek van de tewerkgestelde die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart, door het hoofd van dienst voorzieningen, anders dan een tegemoetkoming in de kosten voor het reizen, ter voorkoming of verlichting van die consequenties te worden getroffen, voor zover het dienstbelang zich daartegen niet verzet.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde voorzieningen niet toereikend zijn, kan, op verzoek van de tewerkgestelde en door tussenkomst van het hoofd van dienst, door de minister een tegemoetkoming in de kosten ter zake van het reizen met een eigen middel van vervoer worden gegeven overeenkomstig het bepaalde in deze regeling. Het bepaalde in artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste volzin bedoelde tegemoetkoming.

Artikel 19. (Voorshands) ongeoorloofde afwezigheid
1.

De tewerkgestelde, die in het bezit is gesteld van een DOV-kaart en die (voorshands) ongeoorloofd afwezig is uit de tewerkstelling, zal door de minister voor iedere dag, dat de ongeoorloofde afwezigheid duurt, een bedrag in rekening worden gebracht ter grootte van de dan geldende waarde van de DOV-kaart gedeeld door 365.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.