Regeling ter beperking van de exploitatie van niet-geluid-gecertificeerde straalvliegtuigen

Type Ministeriële regeling
Publication 2000-04-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelend in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 4 van het Besluit van 21 mei 1981, houdende vaststelling van regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen (Stb. 1981, 343);

Gelet op de Richtlijn van 20 december 1979, 80/51/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de beperking van de geluidhinder door subsonische luchtvaartuigen (Publikatieblad van de EG van 24 januari 1980, nr. L 18–26), laatstelijk gewijzigd met de Richtlijn van 21 april 1983, 83/206/EG (Publikatieblad van de EG van 4 mei 1983, nr. L 117-15);

Gelet op de Richtlijn van 4 december 1989, 89/629/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de beperking van de geluidsemissie van civiele subsonische straalvliegtuigen (Publikatieblad van de EG van 13 december 1989, nr. L 363/27);

Gelet op de aanbeveling 12-3 van de Europese burgerluchtvaartconferentie (ECAC), zoals gewijzigd met aanbeveling 13-1 van 10 juni 1988;

Gelet op de Richtlijn van 2 maart 1992, 92/14/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de beperking van de exploitatie van de vliegtuigen van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, Boekdeel 1, deel 2, hoofdstuk 2 tweede uitgave (1988);

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Het opstijgen van en landen op aangewezen luchtvaartterreinen is verboden voor subsonische straalvliegtuigen, tenzij het hoofdstuk 2 vliegtuigen of hoofdstuk 3 vliegtuigen zijn.

Artikel 3
1.

Met ingang van 1 november 1990 is het opstijgen van en landen op de aangewezen luchtvaartterreinen verboden voor hoofdstuk 2 (subsonische) straalvliegtuigen die op of na 1 november 1990 in het luchtvaartuigregister van een lid-staat zijn ingeschreven, dan wel zijn ingeschreven in het luchtvaartuigregister van een andere dan een lidstaat, voorzover deze vliegtuigen vluchten uitvoeren door of ten behoeve van in een lidstaat gevestigde natuurlijke of rechtspersonen.

2.

Met ingang van 1 april 1995 is het opstijgen van en landen op aangewezen luchtvaartterreinen verboden voor hoofdstuk 2 (subsonische) straalvliegtuigen.

Artikel 4
1.

Het bepaalde in artikel 3 is niet van toepassing op vluchten met hoofdstuk 2 vliegtuigen:

2.

Het bepaalde in artikel 3, tweede lid, is tot 1 april 2002 niet van toepassing op vluchten met hoofdstuk 2 vliegtuigen:

3.

Het bepaalde in artikel 3, tweede lid is niet van toepassing voorzover een luchtvaartmaatschappij ten gevolge van deze bepaling per jaar een zodanig aantal hoofdstuk 2 vliegtuigen buiten gebruik moet stellen dat dit meer bedraagt dan 10% van de totale vloot van civiele (subsonische) straalvliegtuigen.

Artikel 5

De minister van Verkeer en Waterstaat verleent ontheffing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, indien:

Artikel 6
1.

De minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3 voor vluchten met hoofdstuk 2 straalvliegtuigen die:

2.

De minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3, eerste lid voor vluchten met hoofdstuk 2 straalvliegtuigen die:

3.

De in het vorige lid onder c bedoelde ontheffing kan worden verleend voor een eerste periode van ten hoogste drie jaar. Een ontheffing kan met perioden van ten hoogste twee jaar worden verlengd, mits de geldigheidsduur van deze ontheffing uiterlijk op 31 december 1995 verstrijkt.

4.

De minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3, tweede lid voor elk vliegtuig ter vervanging waarvan er vóór 1 april 1994 een hoofdstuk 3 vliegtuig is besteld, mits de vroegst mogelijke leveringsdatum is aanvaard.

5.

De minister van Verkeer en Waterstaat kan voor vliegtuigen waarvan de aanvrager aantoont dat de voortgang van zijn activiteiten anders in buitensporige mate nadelig wordt beïnvloed, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onder a.

Een dergelijke ontheffing kan in totaal voor ten hoogste drie jaar van de in artikel 4, tweede lid, onder a, bedoelde termijn van 25 jaar worden gegeven.

Artikel 7
1.

De minister van Verkeer en Waterstaat kan in bijzondere gevallen een tijdelijke ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 2 en 3. Bijzondere gevallen kunnen omvatten:

Artikel 8

De regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat van 28 september 1990, nr. LI/7691 wordt ingetrokken.

Artikel 9

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na de datum van verschijning van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ter beperking van de exploitatie van niet-geluid-gecertificeerde straalvliegtuigen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.