Wet van 10 september 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot provincies

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 541
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk V. De commissies

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Hoofdstuk V. De commissies

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. De provinciale ombudscommissie

§ 3. De griffier

Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 2. Verhouding tot het Rijk

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 3. De griffier

§ 2. Verhouding tot het Rijk

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Wet rampen en zware ongevallen, artikel 6

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 32a
1.

De stukken die van provinciale staten uitgaan, worden door de commissaris ondertekend en door de griffier medeondertekend. Bij verhindering of ontstentenis van de commissaris worden de stukken die van provinciale staten uitgaan, ondertekend door degene die krachtens artikel 75 de commissaris als voorzitter van provinciale staten vervangt.

2.

Provinciale staten kunnen de commissaris toestaan de ondertekening op te dragen aan de griffier of aan een of meer andere bij de griffie werkzame ambtenaren. In dat geval blijft medeondertekening achterwege.

Hoofdstuk III. Gedeputeerde staten

Artikel 59a
1.

De stukken die van gedeputeerde staten uitgaan, worden door de commissaris ondertekend en door de secretaris medeondertekend.

2.

Gedeputeerde staten kunnen de commissaris toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van gedeputeerde staten, aan de secretaris of aan een of meer andere provinciale ambtenaren.

3.

De medeondertekening door de secretaris is niet van toepassing indien de ondertekening van stukken die van het college uitgaan ingevolge het tweede lid is opgedragen aan de secretaris of een andere provinciale ambtenaar.

Hoofdstuk IV. De commissaris van de Koning

Hoofdstuk IVA. De rekenkamer

§ 1. De provinciale rekenkamer

§ 1. De provinciale rekenkamer

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

§ 2. De secretaris

§ 3. De griffier

Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. De secretaris

§ 3. De griffier

§ 4. Bestuursdwang

§ 4. Bestuursdwang

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Hoofdstuk XIA. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 1. De begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Wet rampen en zware ongevallen, artikel 6

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 79q
1.

Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen provinciale staten de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, opdragen aan een provinciale ombudsman of ombudscommissie, dan wel een gezamenlijke ombudsman of ombudscommissie.

2.

Een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden ingesteld. Indien provinciale staten hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling ingaat.

3.

De instelling van een ombudsman of ombudscommissie als bedoeld in het eerste lid kan slechts per 1 januari van enig jaar worden beëindigd. Indien provinciale staten hiertoe besluiten, zenden zij het besluit tot beëindiging van de instelling aan de Nationale ombudsman voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de instelling eindigt.

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 79r
1.

Indien provinciale staten de behandeling van verzoekschriften opdragen aan een provinciale ombudsman, benoemen zij deze voor de duur van zes jaar.

2.

Provinciale staten benoemen een plaatsvervangend ombudsman. Deze paragraaf is op de plaatsvervangend ombudsman van overeenkomstige toepassing.

3.

De ombudsman wordt door provinciale staten ontslagen:

  • a. op eigen verzoek;
  • b. wanneer hij door ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
  • d. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • e. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
  • f. indien hij naar het oordeel van provinciale staten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.
4.

Provinciale staten stellen de ombudsman op non-activiteit indien hij:

  • a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
  • b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
  • c. onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surseance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld ingevolge een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Artikel 79s
1.

De ombudsman vervult geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn ambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

2.

Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.

Artikel 79t
1.

Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt de ombudsman in de vergadering van provinciale staten, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af:

«Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot ombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als ombudsman naar eer en geweten zal vervullen.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!»

(«Dat verklaar en beloof ik!»)

2.

Wanneer de eed (verklaring en belofte), bedoeld in het eerste lid, in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed (verklaring en belofte) als volgt: «Ik swar (ferklearje) dat ik, om ta ombudsman beneamd te wurden, streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of wat ferlechje ek, hokker jefte of geunst dan ek jûn of ûnthjitten haw. Ik swar (ferklearje en ûnthjit) dat ik, om eat yn dit amt te dwaan of te litten, streekrjocht noch midlik hokker geskink of hokker ûnthjit dan ek oannommen haw of oannimme sil. Ik swar (ûnthjit) dat ik trou wêze sil oan 'e Grûnwet, dat ik de wetten neikomme sil en dat ik myn plichten as ombudsman yn alle oprjochtens ferfolje sil. Sa wier helpe my God Almachtich!» («Dat ferklearje en ûnthjit ik!»).

Artikel 79u
1.

Op voordracht van de ombudsman besluiten gedeputeerde staten tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten met het personeel van de ombudsman dat nodig is voor een goede uitoefening van de werkzaamheden.

2.

De ombudsman ontvangt ter zake van de uitoefening van zijn werkzaamheden geen instructies, noch in het algemeen, noch voor een enkel geval.

3.

Het personeel van de ombudsman verricht geen werkzaamheden voor een bestuursorgaan naar wiens gedraging de ombudsman een onderzoek kan instellen.

4.

Het personeel van de ombudsman is ter zake van de werkzaamheden die het voor de ombudsman verricht, uitsluitend aan hem verantwoording schuldig.

Artikel 79v

De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan provinciale staten.

Artikel 79w

De ombudsman ontvangt een bij verordening van provinciale staten vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.

§ 3. De provinciale ombudscommissie

Artikel 79x
1.

Indien provinciale staten de behandeling van verzoekschriften opdraagt aan een provinciale ombudscommissie, stellen provinciale staten het aantal leden van de ombudscommissie vast.

2.

Provinciale staten benoemen de leden van de ombudscommissie voor de duur van zes jaar.

3.

Provinciale staten benoemen uit de leden de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de ombudscommissie.

Artikel 79y
1.

De ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan provinciale staten.

2.

Op de ombudscommissie en op ieder lid afzonderlijk zijn de artikelen 79r, derde en vierde lid, 79s, 79t, 79u en 79w van overeenkomstige toepassing.

§ 1. Algemene bepaling

Artikel 79z
1.

Provinciale staten kunnen voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman of een gezamenlijke ombudscommissie instellen met de raad of raden van een of meer andere gemeenten, dan wel met provinciale staten van een of meer provincies, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer waterschappen, dan wel met het algemeen bestuur van een of meer openbare lichamen of gemeenschappelijke organen ingesteld bij gemeenschappelijke regeling.

2.

De ombudsman of de ombudscommissie zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemende rechtspersonen.

3.

Op de ombudsman en op ieder afzonderlijk lid van de ombudscommissie zijn de artikelen 79r tot en met 79u, 79w en 79x van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79aa

Indien provinciale staten een ombudsman of een ombudscommissie instellen met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Hoofdstuk V. De commissies

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. Verhouding tot het Rijk

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

§ 2. De jaarrekening

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen

§ 3. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Wet rampen en zware ongevallen, artikel 6

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 185a

De rekenkamer is belast met het toezicht op de naleving van artikel 217, achtste lid.

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Wet rampen en zware ongevallen, artikel 6

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 232aa

Met betrekking tot het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19, eerste en vierde lid, van de Invorderingswet 1990 zijn de krachtens het elfde lid van dat artikel door Onze Minister van Financiën gestelde regels van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 44a
1.

Gedeputeerde staten beslissen zo spoedig mogelijk op een verzoek tot verlof, doch uiterlijk op de veertiende dag na indiening van het verzoek.

2.

De beslissing geschiedt in overeenstemming met de verklaring van de arts of verloskundige en bevat de dag waarop het verlof ingaat.

Artikel 44b
1.

Provinciale staten kunnen een vervanger benoemen voor de gedeputeerde die met verlof is gegaan. Artikel 35a, eerste en derde lid, tweede volzin, is niet van toepassing.

2.

De vervanger is van rechtswege ontslagen met ingang van de dag waarop zestien weken zijn verstreken sinds de dag waarop het verlof is ingegaan.

3.

Indien de vervanger voor het einde van het verlof ontslag neemt of door provinciale staten wordt ontslagen, kunnen provinciale staten voor de resterende duur van het verlof een nieuwe tijdelijke vervanger benoemen.

Hoofdstuk IV. De commissaris van de Koning

§ 1. De provinciale rekenkamer

§ 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

Hoofdstuk IVC. De ombudsman

§ 2. De gemeenschappelijke rekenkamer

§ 2. De provinciale ombudsman

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. De secretaris

Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. Verhouding tot het Rijk

§ 2. Verhouding tot het Rijk

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Hoofdstuk XIA. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XIA. De bevoegdheid van de rekenkamer

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

§ 2. De jaarrekening

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 3. Goedkeuring van de begroting

§ 3. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 121a
1.

Bij de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling, beschikt Onze Minister wie het aangaat over de bevoegdheden waarover provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning bij of krachtens deze wet en de andere wet, bedoeld in artikel 121, eerste lid beschikken. In afwijking van artikel 176, eerste lid, vertegenwoordigt Onze Minister wie het aangaat de provincie zonodig in en buiten rechte.

2.

Voor zover het provinciebestuur, had hij de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zelf uitgeoefend, de kosten van de uitvoering in rekening kan brengen bij derden, heeft hij bij die derden verhaal voor de door Onze Minister wie het aangaat ten laste van de provincie gebrachte kosten. Het provinciebestuur kan het bedrag invorderen bij dwangbevel.

Artikel 121b

Onze Minister wie het aangaat kan een besluit tot indeplaatsstelling intrekken, indien provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning voldoende aannemelijk maken dat zij zonder voorbehoud zullen voorzien in hetgeen het besluit van hen vordert.

Artikel 121c

Onze Minister wie het aangaat kan ambtenaren aanwijzen ten behoeve van het toezicht op de uitvoering van de aan het provinciebestuur bij of krachtens andere wet dan deze opgedragen taken. Deze ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 121d
1.

Indien Onze Minister wie het aangaat bij de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling namens provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning een besluit neemt, kan voor de toepassing van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar worden gemaakt bij Onze Minister wie het aangaat. Onze Minister wie het aangaat beslist op het bezwaar.

2.

Onze Minister wie het aangaat is de verwerende partij inzake een beroep tegen een namens provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning genomen besluit als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het provinciebestuur kan geen beroep instellen tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 121e
1.

Het provinciebestuur werkt mee met de uitvoering van een besluit tot indeplaatsstelling. Onze Minister wie het aangaat kan ter zake van de uitvoering van het besluit aanwijzingen geven. Het provinciebestuur stelt op eerste vordering van Onze Minister wie het aangaat de voor de uitvoering van het besluit benodigde provincieambtenaren ter beschikking en verschaft op eerste vordering van Onze Minister wie het aangaat alle informatie die nodig is voor de uitvoering van het besluit tot indeplaatsstelling.

2.

Onze Minister wie het aangaat kan ambtenaren aanwijzen die ten behoeve van de uitvoering van een besluit tot indeplaatsstelling beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Het provinciebestuur verschaft de aangewezen ambtenaren desgevraagd de faciliteiten die zij nodig hebben.

Artikel 121f

Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister, kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van systematische informatie aan Onze Minister wie het aangaat, betreffende de uitvoering door het provinciebestuur van de andere wet, bedoeld in artikel 121, eerste lid. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing.

Artikel 121g

Vervallen

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Titel IV. De financiën van de provincie

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Artikel 271a
1.

In het koninklijk besluit kan een voorziening worden getroffen voor de periode tussen de inwerkingtreding en het tijdstip dat het op grond van artikel 274 genomen besluit in werking is getreden.

2.

Indien, gelet op het koninklijk besluit, het provinciebestuur bij de toepassing van artikel 274 niet over beleidsvrijheid beschikt, kan het koninklijk besluit bepalen dat het in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.

In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat ter zake van het vernietigde besluit geen nieuw besluit wordt genomen.

4.

In het koninklijk besluit kan het provinciebestuur een aanwijzing worden gegeven over de uitvoering van het koninklijk besluit. De artikelen 121 tot en met 121f zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de aanwijzing niet wordt opgevolgd.

5.

Indien het koninklijk besluit betrekking heeft op de vernietiging van een algemeen verbindend voorschrift of een ander besluit van algemene strekking, kan worden bepaald dat de vernietiging tevens betrekking heeft op besluiten die zijn genomen op grond van of ter uitvoering van het algemeen verbindend voorschrift of het andere besluit van algemene strekking.

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 43a
1.

Op de bezoldiging is, voor zover in deze wet niet anders is bepaald, beslag mogelijk overeenkomstig de voorschriften van het gemene recht.

2.

Kostenvergoedingen krachtens artikel 43, tweede lid, zijn niet vatbaar voor beslag.

Artikel 43b

Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.

Artikel 43c
1.

Met de bezoldiging kan worden verrekend hetgeen de gedeputeerde zelf als zodanig aan de provincie verschuldigd is.

2.

Verrekening als bedoeld in het eerste lid kan plaatshebben ondanks gelegd beslag of toegepaste korting als bedoeld in artikel 43d, eerste lid.

3.

Verrekening als bedoeld in het eerste lid is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn, met dien verstande dat verrekening van hetgeen wegens genoten huisvesting of voeding is verschuldigd eveneens kan plaatsvinden met dat deel van de bezoldiging dat de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vormt.

Artikel 43d
1.

Op de bezoldiging kan ten behoeve van een schuldeiser van de gedeputeerde een korting worden toegepast, mits de gedeputeerde de vordering van de schuldeiser erkent dan wel het bestaan van de vordering blijkt uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak dan wel uit een authentieke akte.

2.

Korting is slechts in zoverre geldig als een beslag op die bezoldiging geldig zou zijn.

3.

Beslag, faillissement, surséance van betaling en toepassing ten aanzien van de gedeputeerde van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen sluiten korting uit.

Artikel 43e

Voor de toepassing van artikel 475b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden, onverminderd artikel 43c, tweede lid, en artikel 43d, derde lid, verrekening en korting gelijkgesteld met beslag.

Artikel 43f

Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.

Artikel 43g
1.

Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de gedeputeerde enig recht op zijn bezoldiging aan een derde toekent is slechts geldig voor dat deel van de bezoldiging waarop beslag geldig zou zijn.

2.

Een volmacht tot voldoening of invordering van de bezoldiging is slechts geldig indien zij schriftelijk is verleend en is steeds herroepelijk.

Artikel 43h

Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de provincie, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de provincie van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.

Artikel 43i

Beslag omvat in deze wet ook de invordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet 1990.

Artikel 43j

Met bezoldiging worden in de artikelen 43a tot en met 43h gelijkgesteld de bedragen – onder de benaming van uitkering of welke benaming ook – waarop de gedeputeerde krachtens artikel 43, eerste lid, aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden krachtens artikel 43, eerste lid, aanspraak hebben.

Hoofdstuk IV. De commissaris van de Koning

Hoofdstuk IVA. De rekenkamer

Hoofdstuk IVB. De rekenkamerfunctie

§ 4. De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie

Hoofdstuk V. De commissies

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. De secretaris

Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Hoofdstuk XIA. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 3. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 151g
1.

Provinciale staten kunnen tezamen met provinciale staten van de andere deelnemende provincies aan een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de artikelen 41 en 42, eerste lid, juncto artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of tezamen met de raad of raden van de deelnemende gemeente of gemeenten en provinciale staten van de deelnemende provincie of provincies aan een regeling als bedoeld in artikel 51 en 52, eerste lid, juncto artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, op voorstel van een van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar het door het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan gevoerde bestuur.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een regeling die uitsluitend of mede is getroffen door provinciale staten of de raden van de deelnemende gemeenten of provincies.

3.

Het besluit tot het instellen van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie omvat een omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek door de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid, worden gewijzigd.

4.

Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd door een door provinciale staten gezamenlijk, met toepassing van de artikelen 41 en 42, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, dan wel een door de raden en provinciale staten gezamenlijk met toepassing van de artikelen 51 en 52, eerste lid juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie. De gemeenschappelijke onderzoekscommissie heeft ten minste drie leden en bestaat uitsluitend uit leden van de vertegenwoordigende organen, bedoeld in het eerste lid.

5.

Bij de samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in het derde lid, wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in het openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk gemeenschappelijk orgaan deelnemende gemeenten en provincies.

6.

De regeling waarbij de gemeenschappelijke onderzoekscommissie wordt ingesteld houdt bepalingen in omtrent het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. In elk geval worden bepalingen opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

7.

De artikelen 22 en 91, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie.

8.

De gemeenschappelijke onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.

9.

De bevoegdheden en werkzaamheden van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie worden niet geschorst door het aftreden van een van de provinciale staten of raden, bedoeld in het eerste lid.

10.

Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van een gemeenschappelijke onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de omschrijving van het onderwerp van een onderzoek is artikel 19 van de Bekendmakingswet van overeenkomstige toepassing.

11.

De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 15, 16, 17, 20, derde lid, 21, 22, 23, 30, 43 en 54 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing. De overige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de gemeenschappelijke onderzoekscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Artikel 151h

De artikelen 151b tot en met 151f zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 151g, met dien verstande dat:

  • c. de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 151b, eerste lid, en 151c, eerste lid, ook van toepassing zijn op leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van de door de raad ingestelde rekenkamer, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie en ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de gemeente of uit andere hoofde aan het gemeentebestuur ondergeschikt, indien het een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen betreft;
  • d. bij de toepassing van artikel 151b, derde lid, voor «het provinciebestuur» wordt gelezen «het provinciebestuur, het gemeentebestuur, indien onderzoek gedaan wordt naar de bestuursvoering van een instelling ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, en het bestuur van een openbaar lichaam of bedrijfsvoeringsorganisatie ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen» en voor «artikel 151a» wordt gelezen «artikel 151g»;
  • e. bij de toepassing van artikel 151e het derde lid komt te luiden:
    1. De commissaris van de Koning en gewezen commissarissen van de Koning, gedeputeerden en gewezen gedeputeerden, leden en gewezen leden van een commissie ingesteld door gedeputeerde staten, het college, de burgemeester, of het bestuur van het openbaar lichaam ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door gedeputeerde staten, commissarissen van de Koning, colleges van burgemeester en wethouders of burgemeesters zijn niet verplicht aan artikel 151b, eerste en derde lid, en artikel 151c, derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in strijd is met het openbaar belang. Dit geldt evenzo voor ambtenaren en gewezen ambtenaren, onderscheidenlijk ambtenaren van politie en gewezen ambtenaren van politie, in dienst van de provincie of de gemeente of uit andere hoofde aan het bestuur hiervan ondergeschikt en de ambtenaren en gewezen ambtenaren in dienst van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of uit andere hoofde ondergeschikt aan het bestuur daarvan, ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, die uitsluitend of mede is getroffen door gedeputeerde staten, colleges van burgemeester en wethouders, burgemeesters, commissarissen van de Koning, of een combinatie van deze organen.
  • f. bij de toepassing van artikel 151e, vierde lid, voor «de commissaris van de Koning gevoerde bestuur, door de commissaris» wordt gelezen «de commissaris van de Koning, het college, de burgemeester of het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan ingesteld bij een regeling als bedoeld in artikel 40 of artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen gevoerde bestuur, door de commissaris van de Koning, het college, de burgemeester of door het bestuur van een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan».

Hoofdstuk X. De bevoegdheid van gedeputeerde staten

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de commissaris van de Koning

Hoofdstuk XIA. De bevoegdheid van de rekenkamer

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

Hoofdstuk XV. De provinciale belastingen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen

§ 3. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 186a

Gedeputeerde staten zenden provinciale staten jaarlijks een overzicht van de aan gedeputeerde staten gedane voorstellen van de rekenkamer, vergezeld van hun standpunt daaromtrent en van de wijze waarop aan de voorstellen vervolg is gegeven.

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

§ 2. De jaarrekening

§ 3. Goedkeuring van de begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen

§ 3. Heffing en invordering

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk VA. Geheimhouding

Hoofdstuk VI. Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Hoofdstuk VII. De secretaris en de griffier

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2. De secretaris

§ 3. De griffier

Titel III. De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 3. Bijzondere voorzieningen

§ 4. Bestuursdwang

§ 5. Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

§ 6. Termijnen

Hoofdstuk IX. De bevoegdheid van provinciale staten

Titel IV. De financiën van de provincie

Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen

Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening

§ 1. De begroting

Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle

§ 2. Bijzondere bepalingen omtrent enkele belastingen

§ 3. Heffing en invordering

Hoofdstuk XVI. Het Provinciefonds

Titel V. Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het provinciebestuur

Hoofdstuk XVII. Goedkeuring

Hoofdstuk XVIII. Schorsing en vernietiging

Titel VI

Titel VII. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 291, tweede lid van de Provinciewet

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)