Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 261
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Aanwijzing 3.48. Verwijzing naar normalisatienormen

Verwijzing in een regeling naar toe te passen normalisatienormen geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze.

Aanwijzing 3.49. Verwijzing naar ICT-standaarden

Verwijzing in een regeling naar toe te passen ICT-standaarden of ICT-voorzieningen geschiedt slechts indien verplichte toepassing van de desbetreffende standaarden of voorzieningen noodzakelijk is. In zo'n geval wordt waar mogelijk gekozen voor een open standaard die is aangewezen door het Nationaal Beraad Digitale Overheid, of voor voorzieningen die op dergelijke standaarden zijn gebaseerd, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen.

Aanwijzing 3.50. Verwijzingen naar informatie op internet
1.

In een regeling wordt terughoudendheid betracht bij verwijzing naar informatie op internet door middel van een internetadres als onderdeel van de normstelling.

2.

Een verwijzing naar informatie op internet voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. de verwijzing heeft betrekking op informatie die is neergelegd in een welomlijnd en zelfstandig benoemd informatieobject;
  • b. het informatieobject wordt rechtstreeks en in de vorm van een volledig uitgeschreven internetadres aangewezen door de verwijzing;
  • c. het informatieobject is tijdig en permanent beschikbaar op de met de verwijzing aangeduide locatie;
  • d. het informatieobject is leesbaar zonder dat bijzondere beperkingen gelden voortvloeiend uit het formaat waarin de informatie wordt aangeboden;
  • e. de authenticiteit van het aangeboden informatieobject is voldoende geborgd.
Aanwijzing 3.51. Vertaling van niet-Nederlandstalige normen
1.

Indien een regeling verwijst naar normen die niet in de Nederlandse taal zijn gesteld en op overtreding van die normen een strafrechtelijke of bestraffende bestuurlijke sanctie is gesteld, worden die normen in het Nederlands vertaald.

2.

De vertaling wordt in de Staatscourant geplaatst. Indien de vertaalde normen slechts van belang zijn voor een kleine groep personen of de kenbaarheid van de vertaling op een andere wijze voldoende is verzekerd voor alle belanghebbenden, kan de vertaling worden gepubliceerd door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium. Van deze wijze van publicatie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op normen die worden vertaald krachtens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.

4.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing in geval bij wet is bepaald dat een overtreding van een voorschrift als strafbaar feit wordt aangemerkt dan wel wordt bestraft met een bestuurlijke sanctie, indien dit voorschrift in de Engelse taal is gesteld en bekendgemaakt.

§ 3.4. Gebruik van hoofdletters

Aanwijzing 3.52. Gebruik van hoofdletters
1.

Het gebruik van hoofdletters wordt zoveel mogelijk beperkt.

2.

Het gebruik van hoofdletters in de Grondwet en in basisregelingen wordt zoveel mogelijk gevolgd of als uitgangspunt genomen bij de schrijfwijze van daarin gebezigde uitdrukkingen of vastgestelde benamingen.

3.

Bij nieuwe benamingen wordt in beginsel alleen het eerste woord met een hoofdletter geschreven.

4.

Aanduidingen van afzonderlijke ministers en ministeries, als eigennaam gebruikt, worden met een hoofdletter geschreven.

§ 3.5. Indeling van regelingen

Aanwijzing 3.53. Opbouw regeling

Een regeling is opgebouwd uit de volgende elementen:

  • a. opschrift;
  • b. aanhef;
  • c. lichaam;
  • d. slotformulier;
  • e. ondertekening;
  • f. eventuele bijlagen.
Aanwijzing 3.54. Artikelen en wijze van nummering
1.

Het lichaam van een regeling wordt vervat in een of meer artikelen.

2.

De artikelen worden doorlopend genummerd met Arabische cijfers. In een omvangrijke regeling kunnen de artikelen per hoofdstuk worden genummerd, onder vermelding van het hoofdstuknummer voor het artikelnummer.

3.

Bestaat een regeling uit één artikel, dan wordt daarboven de aanduiding ‘Enig artikel’ geplaatst.

Aanwijzing 3.55. Slotartikelen

De hierna genoemde bepalingen van een regeling worden in voorkomende gevallen in afzonderlijke artikelen en in de aangegeven volgorde aan het slot van een regeling opgenomen:

  • a. bepaling inzake evaluatie;
  • b. bepaling inzake overgangsrecht;
  • c. bepaling over intrekking van een regeling;
  • d. bepaling inzake publicatie van de integrale tekst van een regeling;
  • e. bepaling inzake inwerkingtreding;
  • f. bepaling tot vaststelling van een citeertitel.
Aanwijzing 3.56. Onderverdeling in hoofdstukken e.d.
1.

Indien dit voor de toegankelijkheid van een regeling van belang is, wordt deze systematisch in Arabisch genummerde onderdelen verdeeld.

2.

Bij een verdeling op één niveau worden de onderdelen ‘hoofdstuk’ of ‘paragraaf’ genoemd.

3.

Bij een verdeling op twee niveaus worden de onderdelen van het eerste niveau ‘hoofdstuk’ en de onderdelen van het tweede niveau ‘paragraaf’ genoemd.

4.

Bij een verdeling op meer dan twee niveaus worden de onderdelen in volgorde van omvang ‘deel’, ‘hoofdstuk’, ‘titel’, ‘afdeling’ en ‘paragraaf’ genoemd, met dien verstande dat in ieder geval de aanduidingen ‘hoofdstuk’ en ‘paragraaf’ worden gebruikt.

Aanwijzing 3.57. Opschriften van hoofdstukken e.d.
1.

De in aanwijzing 3.56 bedoelde onderdelen van een regeling worden voorzien van een opschrift, waarin de inhoud van het onderdeel beknopt wordt aangeduid.

2.

Artikelen kunnen van een opschrift worden voorzien.

Aanwijzing 3.58. Verdeling artikel in leden
1.

Artikelen kunnen worden verdeeld in leden die worden aangeduid met Arabische cijfers.

2.

Een lid wordt niet verdeeld in alinea's.

3.

Indien de inhoud van een artikel zou leiden tot een groot aantal leden, wordt het artikel zo mogelijk gesplitst in meer artikelen.

Aanwijzing 3.59. Opsommingen
1.

Indien het bij een opsomming in een artikel omwille van de duidelijkheid wenselijk is elk onderdeel daarvan op een nieuwe regel te laten beginnen, wordt de volgende werkwijze gevolgd:

  • a. de onderdelen worden aangegeven met de letters a, b, c enzovoort, een eventuele verdere onderverdeling met 1°, 2°, 3° enzovoort, waarbij achter deze letters en cijfers een punt wordt geplaatst;
  • b. binnen de onderdelen wordt niet met een nieuwe zin begonnen;
  • c. de onderdelen worden, met uitzondering van het laatste onderdeel, afgesloten met een puntkomma.
2.

Na het laatste onderdeel van een opsomming wordt geen tekst opgenomen die betrekking heeft op alle onderdelen, tenzij dit onvermijdelijk is.

3.

In een opsomming van begripsbepalingen wordt bij voorkeur een alfabetische volgorde zonder nummering of lettering gehanteerd.

Aanwijzing 3.60. Karakter opsomming
1.

Indien dit voor de duidelijkheid nodig is, wordt door gebruik van het woord ‘of’ dan wel ‘en’ aan het slot van het voorlaatste onderdeel van een opsomming het alternatieve, onderscheidenlijk cumulatieve karakter van de opsomming tot uitdrukking gebracht. In zo'n geval wordt in afwijking van aanwijzing 3.59, eerste lid, onderdeel c, het voorlaatste onderdeel afgesloten met ‘; of’ dan wel ‘; en’.

2.

Uit de formulering van het artikel blijkt of een opsomming een limitatief of een enuntiatief karakter heeft.

Aanwijzing 3.61. Bijlagen

Bij een regeling wordt geen bijlage opgenomen, tenzij het gaat om de vaststelling van een tabel, formulier, model, kaart of lijst van regelingen of bepalingen dan wel dit anderszins onvermijdelijk is.

Aanwijzing 3.62. Opschrift van bijlagen
1.

Een bijlage bij een regeling wordt voorzien van een opschrift waarin is vermeld bij welk artikel van de regeling de bijlage hoort, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.

2.

Indien dit voor de toegankelijkheid van een bijlage van belang is, wordt in het opschrift de inhoud van de bijlage beknopt aangeduid.

Aanwijzing 3.63. Indeling van uitvoeringsregelingen

In een uitvoeringsregeling worden zo mogelijk de indeling en volgorde van de onderdelen, de opschriften van die onderdelen, de wijze van nummering van de artikelen en de volgorde van de artikelen van de hogere regeling in acht genomen.

Aanwijzing 3.64. Herhaling bepalingen uit andere regelingen

In een regeling worden, tenzij dit onvermijdelijk is, bepalingen uit een andere regeling, die hetzelfde onderwerp regelen, niet herhaald.

Hoofdstuk 4. Algemene bestanddelen van regelingen

§ 4.1. Opschrift

Aanwijzing 4.1. Opschrift

Regelingen worden voorzien van een opschrift.

Aanwijzing 4.2. Model opschrift
1.

Voor het opschrift van een regeling wordt een van de volgende modellen gebruikt:

  • a. bij een (rijks)wet: Rijkswet / Wet van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];
  • b. bij een algemene maatregel van (rijks)bestuur: Besluit van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];
  • c. bij een ministeriële regeling: Regeling van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud];
  • d. bij een beleidsregel: Beleidsregel van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] over / tot [aanduiding inhoud].
2.

In een wetsvoorstel worden in het opschrift de woorden ‘Rijkswet / Wet van (...) tot /, houdende’ niet opgenomen.

Aanwijzing 4.3. Inhoud opschrift
1.

Het opschrift bevat zo mogelijk enige materiële aanduiding van het onderwerp van de regeling.

2.

Het opschrift wordt beknopt gehouden.

Aanwijzing 4.4. Vermelding citeertitel in opschrift

Indien aan een regeling een citeertitel wordt gegeven, wordt deze aan het slot van het opschrift tussen haakjes vermeld.

§ 4.2. Aanhef

Aanwijzing 4.5. Aanhef van een wet
1.

Voor de aanhef van een wet wordt het volgende model gebruikt:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [considerans];

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

2.

Indien het een rijkswet betreft, luidt de laatste alinea:

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Aanwijzing 4.6. Aanhef van een amvb of kb
1.

Voor de aanhef van een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard wordt het volgende model gebruikt:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, gedaan in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...];

Gelet op ...;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. ...);

Gezien het nader rapport van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, uitgebracht in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...];

Hebben goedgevonden en verstaan:

2.

In de aanhef van een algemene maatregel van rijksbestuur wordt gesproken van de ‘Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk’ en wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

3.

Voor de aanhef van een koninklijk besluit, niet zijnde een koninklijk besluit van regelende aard, wordt het volgende model gebruikt:

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...;

Gelet op ...;

Hebben goedgevonden en verstaan:

4.

In de aanhef van een koninklijk rijksbesluit, niet zijnde een algemene maatregel van rijksbestuur, wordt niet naar het Statuut verwezen, tenzij de raad van ministers van het Koninkrijk ter zake heeft overlegd. In dat geval wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd:

Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Aanwijzing 4.7. Voordracht bij medebetrokkenheid
1.

Indien bij de voordracht tot een voorstel van wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard meer dan één bewindspersoon is betrokken, geschiedt de voordracht door één van hen, in overeenstemming met de ander(en).

2.

Indien er bijzondere redenen zijn om te bepalen dat een wet of besluit wordt gecontrasigneerd door alle voordragende bewindspersonen geschiedt de voordracht door één van hen, mede namens de ander(en).

3.

Indien er zeer bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen ook in de voordracht tot uitdrukking te brengen, wordt gebruik gemaakt van de volgende formulering:

Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] en [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...].

Aanwijzing 4.8. Aanhef van een ministeriële regeling

Voor de aanhef van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:

De Minister van/voor .../ Staatssecretaris van ...,

[Handelende in overeenstemming met de Minister(s) van/voor... / Staatssecretaris(sen) van ... / in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad];

Gelet op ...;

Besluit:

Aanwijzing 4.9. Aanhef van een beleidsregel

Voor de aanhef van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:

De Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...,

Gelet op ...;

Besluit:

Aanwijzing 4.10. ‘Gelet op’
1.

De uitdrukking ‘Gelet op’ verwijst naar de hogere regeling waarop de regelgevende bevoegdheid berust en in voorkomend geval naar de internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling ter uitvoering waarvan de regeling strekt.

2.

Verwezen wordt naar de afzonderlijke artikelen van de hogere regeling, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.

§ 4.3. Considerans

Aanwijzing 4.11. Considerans
1.

In de aanhef van een wet wordt een considerans opgenomen.

2.

In een andere regeling wordt geen considerans opgenomen.

Aanwijzing 4.12. Inhoud considerans
1.

In een considerans worden de strekking van en, indien daartoe aanleiding is, het motief tot de vaststelling van de wet in hoofdzaak kort weergegeven.

2.

In de considerans worden geen elementen opgenomen die niet in het lichaam van de wet zelf voorkomen.

Aanwijzing 4.13. Vermelding hogere regeling in considerans

Strekt een wet tot uitvoering van de Grondwet, een verdrag of een bindende EU-rechtshandeling, dan wel een ander besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wordt dit in de considerans vermeld.

Aanwijzing 4.14. Inwerkingtredingsbepaling
1.

Een regeling voorziet in haar inwerkingtreding.

2.

Bij de vaststelling van het moment van inwerkingtreding wordt geen onderscheid gemaakt tussen categorieën van gevallen waarop de regeling toepasselijk wordt.

Aanwijzing 4.15. Kenbaarheid tijdstip van inwerkingtreding
1.

Het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt zodanig geregeld dat dit blijkt uit het Staatsblad waarin de regeling is geplaatst of af te leiden is uit een ander Staatsblad.

2.

Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling wordt niet afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van een verdrag of van een andere niet uit het Staatsblad of de Staatscourant blijkende gebeurtenis.

Aanwijzing 4.16. Inwerkingtreding na bekendmaking
1.

Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling ligt in ieder geval na het tijdstip van haar bekendmaking.

2.

De datum van bekendmaking van een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur ligt in ieder geval vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur.

Aanwijzing 4.17. Vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn
1.

Een wet of een algemene maatregel van bestuur treedt in werking met ingang van 1 januari of 1 juli.

2.

Een ministeriële regeling treedt in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor regelingen over het onderwijs de volgende vaste verandermomenten:

  • a. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari en 1 augustus;
  • b. voor ministeriële regelingen betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari, 1 april, 1 augustus en 1 oktober;
  • c. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het hoger onderwijs: 1 januari en 1 september;
  • d. voor ministeriële regelingen betreffende het hoger onderwijs: 1 januari, 1 april, 1 september en 1 oktober.
4.

De termijn tussen de publicatiedatum van een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Indien een regeling direct relevant is voor medeoverheden, is deze termijn minimaal drie maanden.

5.

Uitzondering op de vaste verandermomenten of de minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover:

  • a. dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt;
  • b. het spoed- of noodregelgeving betreft;
  • c. het reparatieregelgeving betreft; of
  • d. het implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, verdragen of andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties betreft.
6.

De toepassing van een uitzonderingsgrond wordt gemotiveerd in de toelichting bij de regeling of in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit.

Aanwijzing 4.18. Tijdstip inwerkingtreding referendabele wet

Vervallen

Aanwijzing 4.19. Inwerkingtreding hulpbepalingen

De inwerkingtreding van bepalingen betreffende inwerkingtreding, inwerkingstelling, toepassingsmomenten en bekendmaking van een regeling, vaststelling van een citeertitel, delegatie van regelgevende bevoegdheid of parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van een regeling hoeft niet uitdrukkelijk te worden geregeld. Deze bepalingen gelden vanaf het tijdstip van totstandkoming van de regeling.

Aanwijzing 4.20. Inwerkingtreding inwerkingtredingsbesluit

Een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur voorziet niet in zijn eigen inwerkingtreding.

Aanwijzing 4.21. Model inwerkingtredingsbepaling
1.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een wet wordt zoveel mogelijk het volgende model gebruikt:

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur wordt een van de volgende modellen gebruikt:

  • A. Dit besluit treedt in werking met ingang van ...
  • B. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
3.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:

Deze regeling treedt in werking met ingang van ...

4.

Voor de inwerkingtredingsbepaling van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ...

Aanwijzing 4.22. Bijzondere inwerkingtredingsbepalingen

Zo nodig kan voor de inwerkingtredingsbepaling van een regeling ook een van de volgende modellen worden gebruikt:

  • A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ..., met uitzondering van de artikelen ..., die in werking treden met ingang van ... .
  • B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop de artikelen ... in werking treden.
  • C. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
  • D. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel ... van] [citeertitel of aanduiding andere regeling] in werking treedt.
  • E. Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, treedt deze wet / dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
  • F. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag van de ... kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.
  • G. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.
  • H. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van [beoogde datum van inwerkingtreding]. Indien het Staatsblad / de Staatscourant waarin deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt geplaatst, wordt uitgegeven na [de dag voor de beoogde datum van inwerkingtreding], treedt zij/het/zij/hij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/ zij/hij wordt geplaatst, en werkt zij/het/zij/hij terug tot en met [beoogde datum van inwerkingtreding].
Aanwijzing 4.23. Eerdere inwerkingtreding referendabele wet

Vervallen

Aanwijzing 4.24. Noodzaak citeertitel
1.

Een regeling heeft een citeertitel, tenzij aan aanhaling van de regeling in de praktijk geen behoefte zal bestaan.

2.

Een wijzigingsregeling heeft slechts een citeertitel indien daaraan behoefte bestaat.

3.

Indien naar verwachting de behoefte zal bestaan een regeling veelvuldig met een afkorting aan te halen, wordt in de toelichting bij de regeling een aanbeveling gegeven voor de te gebruiken afkorting.

Aanwijzing 4.25. Formulering citeertitel
1.

Een citeertitel wordt kernachtig geformuleerd, heeft voldoende onderscheidend vermogen en bevat geen afkortingen tenzij dit onvermijdelijk is.

2.

Voor de bepaling tot vaststelling van de citeertitel wordt het volgende model gebruikt:

Deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt aangehaald als: ...

3.

In beginsel wordt slechts het eerste woord van een citeertitel met een hoofdletter geschreven.

4.

In een citeertitel wordt alleen een jaartal opgenomen indien daartoe behoefte bestaat ter onderscheiding van de betrokken regeling van een andere regeling. In dat geval kan in een wet of een algemene maatregel van bestuur de formulering ‘met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin [zij/het] zal worden geplaatst’ worden gebruikt.

5.

In de citeertitel van een rijkswet, een algemene maatregel van rijksbestuur of een ministeriële regeling over een koninkrijksaangelegenheid wordt tot uitdrukking gebracht dat het rijkswetgeving betreft.

6.

In de citeertitel van een regeling die uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt door de toevoeging ‘BES’ tot uitdrukking gebracht dat het een regeling voor die eilanden betreft. Deze toevoeging blijft achterwege, indien de eilanden reeds voluit in de citeertitel worden genoemd.

Aanwijzing 4.26. Bepalingen over plaatsing in Staatsblad / Staatscourant
1.

In een regeling worden geen bepalingen opgenomen over de plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant van de regeling zelf of daarop berustende algemeen verbindende voorschriften.

2.

Een regeling schrijft, behoudens in uitzonderlijke gevallen, niet voor dat op grond van de regeling genomen besluiten in het Staatsblad worden geplaatst.

Aanwijzing 4.27. Spoedige bekendmaking

Regelingen worden na hun vaststelling zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.

Aanwijzing 4.28. Terinzagelegging bijlagen

Een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging, indien:

  • a. de bijlage niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
  • b. de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen daarmee voldoende verzekerd is.
Aanwijzing 4.29. Normen van niet-publiekrechtelijke aard

Indien in een regeling normen van niet-publiekrechtelijke aard van toepassing worden verklaard, wordt, tenzij de kenbaarheid van deze normen voor alle betrokkenen voldoende verzekerd is, mededeling van de normen in de Staatscourant voorgeschreven. Aanwijzing 4.28 is van overeenkomstige toepassing.

Aanwijzing 4.30. Inhoudsopgave

Indien het wenselijk is aan een regeling een inhoudsopgave toe te voegen, wordt deze bij de bekendmaking van de regeling achter de regeling opgenomen.

§ 4.7. Slotformulier

Aanwijzing 4.31. Modellen voor slotformulieren
1.

Voor het slotformulier van een (rijks)wet wordt het volgende model gebruikt:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

2.

Voor het slotformulier van een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.

3.

Voor het slotformulier van een koninklijk (rijks)besluit van regelende aard, niet zijnde een algemene maatregel van bestuur, en van een koninklijk (rijks)besluit betreffende de inwerkingtreding van een (rijks)wet of een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt:

Onze Minister van/voor ... is belast met de uitvoering van dit besluit dat [met de daarbij behorende nota van toelichting] in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.

4.

Voor het slotformulier van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] worden geplaatst.

5.

Voor het slotformulier van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt:

Deze beleidsregel zal [met de toelichting] in de Staatscourant worden geplaatst.

Aanwijzing 4.32. Slotformulier bij bekendmaking bijlagen via ander algemeen toegankelijk elektronisch medium

Indien een bij een regeling behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, wordt in de modellen voor het slotformulier, genoemd in aanwijzing 4.31, na ‘geplaatst’ telkens ingevoegd: , met uitzondering van [de] bijlage[n] ..., die [zal / zullen] worden geplaatst op het in artikel ... vermelde internetadres.

§ 4.8. Ondertekening

Aanwijzing 4.33. (Mede)ondertekening
1.

Een regeling wordt ondertekend door één bewindspersoon, tenzij de voordracht tot het voorstel van wet of de algemene maatregel van bestuur is gedaan ‘mede namens’ een of meer andere bewindspersonen of er bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen in de ondertekening tot uitdrukking te brengen.

2.

Indien de uitvoering van de regeling geheel of in belangrijke mate geschiedt door ambtenaren die ressorteren onder een andere bewindspersoon dan de ondertekenaar of ondertekenaars krachtens het eerste lid, wordt medeondertekening door die andere bewindspersoon overwogen. Hetzelfde geldt indien de regeling deel gaat uitmaken van een regeling die onder een andere bewindspersoon ressorteert.

Aanwijzing 4.34. Ondertekening uitvoeringsregelingen
1.

De ondertekening van een wet door een bewindspersoon brengt niet mee dat die bewindspersoon ook alle uitvoeringsregelingen mede moet voordragen en ondertekenen.

2.

Het niet ondertekenen van een wet door een bewindspersoon sluit niet uit dat die bewindspersoon als daartoe aanleiding is een of meer uitvoeringsregelingen (mede) ondertekent.

Aanwijzing 4.35. Ondertekening inwerkingtredingsbesluit

Bij een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt volstaan met voordracht en ondertekening door één bewindspersoon.

Aanwijzing 4.36. Volgorde ondertekening
1.

Ondertekeningen worden geplaatst in deze volgorde:

  • a. de Minister-President;
  • b. de in het bijzonder bij de zaak betrokken minister(s) of staatssecretaris(sen), naar de mate van hun betrokkenheid.
2.

Bij gelijke mate van betrokkenheid is de volgorde van de hoofdstukken van de rijksbegroting bepalend.

3.

De Vice-Minister-President wordt alleen als zodanig aangeduid indien hij ondertekent als vervanger van de Minister-President. Hij wordt dan als eerste vermeld.

Aanwijzing 4.37. Ondertekening Minister-President

De Minister-President tekent als ‘De Minister-President, Minister van Algemene Zaken’, tenzij hij uitsluitend tekent als hoofd van zijn ministerie. In dat geval tekent hij als ‘De Minister van Algemene Zaken’.

Aanwijzing 4.38. Ondertekening minister ad interim

Een minister die een andere minister bij tijdelijke afwezigheid vervangt, tekent als ‘De Minister van/voor ... a.i.’.

Aanwijzing 4.39. Wijzigingen in portefeuilleverdeling e.d.
1.

Bij een wijziging in de portefeuilleverdeling, een naamswijziging van een ministerie of het vervallen van een functie in het kabinet, wordt de aanduiding van de ondertekenende bewindspersoon in de tijdens de parlementaire behandeling van een voorstel van wet in te dienen stukken en in de vastgestelde wet dienovereenkomstig aangepast.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur.

Aanwijzing 4.40. Ondertekening Kamerstukken
1.

De tijdens de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel door de regering in te dienen stukken worden bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon.

2.

De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in de tekst tot uitdrukking gebracht.

Aanwijzing 4.41. Opnieuw vaststellen van niet uit tekst bestaande informatie of via ander algemeen toegankelijk elektronisch medium bekendgemaakte bijlage bij wijziging daarvan

Bij een wijziging in een regeling van niet uit tekst bestaande informatie die niet kan worden geconsolideerd of bij een wijziging van een bij een regeling behorende bijlage die is bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, wordt die informatie of bijlage opnieuw vastgesteld.

§ 4.9. Toelichting

Aanwijzing 4.42. Noodzaak toelichting
1.

Een wetsvoorstel, een algemene maatregel van bestuur of ander koninklijk besluit van regelende aard en een ministeriële regeling worden voorzien van een toelichting.

2.

De toelichting bij een wetsvoorstel wordt aangeduid als ‘memorie van toelichting’, de toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard als ‘nota van toelichting’.

3.

Een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt alleen van een nota van toelichting voorzien indien dit gelet op de inhoud ervan nodig is.

Aanwijzing 4.43. Inhoud toelichting

De toelichting bevat een verantwoording van de regeling. Daarbij komen, voor zover van toepassing, in ieder geval de volgende punten aan de orde:

  • a. de doelen die met de regeling worden nagestreefd of, in het geval van een implementatieregeling, de aanleiding en achtergronden van de te implementeren internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling;
  • b. de noodzaak tot overheidsinterventie, mede bezien in relatie tot het zelfregulerende vermogen in de betrokken sector of sectoren, alsmede de overwogen varianten en de te verwachten neveneffecten van de regeling;
  • c. de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de regeling, zoals de keuze van het handhavingsstelsel en de mate waarin te verwachten is dat de toepassing van de regeling aanleiding geeft tot conflicten;
  • d. de gevolgen voor de informatievoorziening van de rijksoverheid en voor de verwerking van persoonsgegevens;
  • e. de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen en de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan rechtsbescherming;
  • f. de wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling;
  • g. de verenigbaarheid met hoger recht en de verhouding tot andere regelingen;
  • h. de wijze waarop recht is gedaan aan het primaat van de wetgever, alsmede een motivering van de keuze van de overheidslaag waaraan bevoegdheden zijn toegedeeld;
  • i. de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de wijze waarop rekening is gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden waardoor die eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland;
  • j. het overgangsrecht en de inwerkingtreding van de regeling;
  • k. de inbreng van externe partijen bij de totstandkoming van de regeling, alsmede de bij de totstandkoming van de regeling voorgeschreven bijzondere procedures;
  • l. de voorgenomen evaluatie van de regeling;
  • m. overige aspecten van de regeling waarop kabinetsbeleid inzake regelgeving toepasselijk is.
Aanwijzing 4.44. Vermelding inbreng externe partijen
1.

In de toelichting wordt, voor zover mogelijk en relevant voor de inhoud van de regeling, vermeld welke externe partijen inbreng hebben geleverd bij de totstandkoming van de regeling, op welke wijze dat is gebeurd, wat de strekking van de inbreng was en wat er met de inbreng is gedaan.

2.

Indien voor de totstandkoming van een regeling een bijzondere procedure wettelijk is voorgeschreven, wordt aan het volgen daarvan in de toelichting aandacht geschonken.

3.

Indien op hoofdpunten in een regeling wordt afgeweken van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt de reden hiervan in de toelichting weergegeven.

Aanwijzing 4.45. Vermelding financiële gevolgen
1.

Indien een wetsvoorstel financiële gevolgen heeft, wordt in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting of in een bijlage bij de memorie van toelichting aangegeven in welke omvang daaraan hogere of lagere uitgaven of ontvangsten verbonden zullen zijn.

2.

In het in het eerste lid bedoelde overzicht wordt een onderscheid gemaakt tussen gevolgen voor het Rijk en gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren.

3.

In de memorie van toelichting wordt tevens aangegeven of en zo ja, in hoeverre de financiële gevolgen begrepen zijn in de laatst ingediende begroting of in de ramingen voor de vier op het begrotingsjaar volgende jaren.

4.

Indien op grond van compenserende maatregelen per saldo geen budgettair effect te verwachten valt, worden in de memorie van toelichting ook de bruto financiële gevolgen van een wetsvoorstel vermeld.

5.

Indien een wetsvoorstel geen financiële gevolgen heeft, blijkt dit uitdrukkelijk uit de memorie van toelichting.

6.

Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor het Rijk, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.

Aanwijzing 4.46. Financiële gevolgen decentrale overheden
1.

Indien een wetsvoorstel leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt dit aangegeven in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de uitvoering van artikel 105, derde lid, van de Provinciewet, artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet of artikel 136, derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, respectievelijk artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet of artikel 87 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.

Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de in het eerste lid bedoelde financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.

3.

Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.

Aanwijzing 4.47. Geen nadere regels in toelichting

Een toelichting wordt niet gebruikt voor het stellen van nadere regels.

Aanwijzing 4.48. Opbouw toelichting
1.

Een toelichting wordt verdeeld in een algemeen en een artikelsgewijs gedeelte, indien dit de toegankelijkheid bevordert.

2.

Onderdelen van een toelichting worden genummerd, indien dit met het oog op verwijzing wenselijk is.

Aanwijzing 4.49. Formulering en indeling
1.

In een toelichting wordt heldere en bondige taal gebruikt en een logische indeling gevolgd.

2.

Bij het formuleren van een nota van toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard, of een toelichting bij een ministeriële regeling of een beleidsregel wordt ervan uitgegaan dat de betrokken regeling al is vastgesteld.

3.

De paragrafen 3.1, 3.3 en 3.4 van deze aanwijzingen zijn voor de formulering van een toelichting van overeenkomstige toepassing, voor zover zij verenigbaar zijn met de aard van een toelichting.

Aanwijzing 4.50. Verkorte aanduiding regelingen
1.

Verwijzing naar artikelen of onderdelen van regelingen die in de toelichting met een afkorting of andere verkorte aanduiding worden aangehaald, geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden:

  • –. artikel 10, tweede lid, Wob;
  • –. artikel 7, tweede lid, Sr;
  • –. titel 5.2 Awb;
  • –. artikel 21 Arbowet.
2.

Indien in de toelichting gebruik wordt gemaakt van een afkorting of verkorte aanduiding voor het aanhalen van een regeling, wordt daarbij bij voorkeur het hoofdlettergebruik in de citeertitel van de aangehaalde regeling gevolgd.

Aanwijzing 4.51. Vermelding vindplaatsen

Verwijzing in een toelichting naar andere stukken geschiedt door een nauwkeurige aanduiding van de vindplaats.

Aanwijzing 4.52. Ondertekening toelichting
1.

Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging, een nota van toelichting, een toelichting op een ministeriële regeling en een toelichting op een beleidsregel worden ondertekend.

2.

Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging die aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt voorgelegd en een nota van toelichting worden ondertekend na de behandeling van het betrokken voorstel in de ministerraad en voordat het aan het Kabinet van de Koning wordt toegezonden voor advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.

Aanwijzing 4.53. Ondertekening bij voordracht ‘mede namens’
1.

Bij de voordracht tot een voorstel van wet of een algemene maatregel van bestuur ‘mede namens’ andere bewindspersonen wordt de memorie of nota van toelichting alleen door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon ondertekend.

2.

De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.

Hoofdstuk 5. Bijzondere bestanddelen van regelingen

Aanwijzing 5.1. Begripsbepalingen
1.

Termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben, worden gedefinieerd.

2.

In een begripsbepaling wordt aan een term geen sterk van het normale spraakgebruik afwijkende betekenis gegeven.

3.

Het gebruik van begripsbepalingen voor inhoudelijke normering wordt vermeden.

Aanwijzing 5.2. Verkorte aanduidingen

Herhaling in een regeling van omvangrijke omschrijvingen wordt vermeden door in de begripsbepalingen een verkorte aanduiding op te nemen.

Aanwijzing 5.3. Formulering begripsbepalingen
1.

Voor begripsbepalingen wordt de volgende formulering gebruikt:

In [deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel] [en de daarop berustende bepalingen] wordt [, tenzij anders bepaald,] verstaan onder:

2.

De term ‘verstaan’ wordt gebruikt, indien een begrip in algemene zin wordt gedefinieerd.

3.

De term ‘mede verstaan’ wordt gebruikt, indien aan de, al dan niet gedefinieerde, betekenis van een begrip uitbreiding wordt gegeven.

4.

In een begripsbepaling worden geen aanhalingstekens gebruikt.

Aanwijzing 5.4. Toepasselijkheid in Bonaire, Sint Eustatius en Saba
1.

Indien een regeling van toepassing is of mede van toepassing is in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt dit in de regeling uitdrukkelijk bepaald.

2.

De bepaling die de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt, wordt bij voorkeur in de inleidende bepalingen van de regeling opgenomen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een regeling van het Koninkrijk betreft of indien de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onmiskenbaar uit een ander wettelijk voorschrift volgt.

4.

In een regeling die uitsluitend van toepassing is in het Europese deel van Nederland, behoeft geen bepaling te worden opgenomen die de werkingssfeer van de regeling uitdrukkelijk tot dat deel van Nederland beperkt.

Aanwijzing 5.5. Hoofdstuk Caribisch Nederland in gemengde regeling
1.

In een regeling die zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is, worden, indien dat de toegankelijkheid van de regeling ten goede komt, bepalingen die specifiek betrekking hebben op de toepassing van de regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een apart hoofdstuk of een aparte paragraaf opgenomen.

2.

Het aparte hoofdstuk of de aparte paragraaf voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgenomen aan het einde van de regeling, voor de slotartikelen.

§ 5.3. Adviescolleges

Aanwijzing 5.6. Motivering instelling adviescollege
1.

In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld of een adviestaak wordt opgedragen, wordt gemotiveerd waarom onafhankelijke advisering op het desbetreffende terrein noodzakelijk wordt geacht.

2.

In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld, wordt gemotiveerd waarom de adviestaak niet aan een bestaand adviescollege wordt opgedragen.

Aanwijzing 5.7. Adviesverplichtingen

In een regeling wordt niet voorzien in de verplichting advies te vragen over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.

Aanwijzing 5.8. Motivering instelling zelfstandig bestuursorgaan

In de toelichting bij een regeling waarbij een zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld of een taak aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt opgedragen, wordt de noodzaak daartoe gemotiveerd.

Aanwijzing 5.9. Instelling bij of krachtens de wet
1.

Een zelfstandig bestuursorgaan wordt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet ingesteld.

2.

Het toekennen van openbaar gezag geschiedt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet.

3.

Voor de verstrekking van subsidies kan met inachtneming van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht worden afgeweken van het tweede lid.

Aanwijzing 5.10. Regelgevende bevoegdheid
1.

Regelgevende bevoegdheden worden aan een zelfstandig bestuursorgaan uitsluitend toegekend:

  • a. voor zover het organisatorische of technische onderwerpen betreft; of
  • b. in bijzondere gevallen mits voorzien is in de bevoegdheid tot goedkeuring van de regeling door een minister.
2.

Aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt geen adviestaak opgedragen ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.

Aanwijzing 5.11. Rechtspersoonlijkheid
1.

Indien het toekennen van rechtspersoonlijkheid wenselijk is, wordt in de wet waarbij een zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld het volgende model gebruikt:

    1. Er is een [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].
    1. [naam rechtspersoon] is gevestigd te ... .
    1. [naam rechtspersoon] bezit rechtspersoonlijkheid.
2.

In de instellingswet wordt in dat geval, indien mogelijk, duidelijk onderscheid gemaakt tussen het zelfstandig bestuursorgaan en de rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt. Daarbij wordt het volgende model gebruikt:

    1. Aan het hoofd van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] staat [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan].
    1. [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan] heeft tot taak ... / de volgende taken: ...
3.

In de instellingswet wordt in dat geval de wijze van bekostiging van de rechtspersoon geregeld.

Aanwijzing 5.12. Inrichting zelfstandig bestuursorgaan
1.

De inrichting van het zelfstandig bestuursorgaan, alsmede de termijn waarvoor de leden van het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd, wordt in de instellingswet geregeld.

2.

Indien het zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld omdat participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht (artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), wordt in de instellingswet bepaald dat personen afkomstig van maatschappelijke organisaties in het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd. Zo mogelijk wordt daarbij bepaald dat voor elk lid een plaatsvervangend lid wordt benoemd.

Aanwijzing 5.13. Verhouding tot andere organen
1.

Indien binnen een organisatie of rechtspersoon naast het publiekrechtelijke zelfstandig bestuursorgaan nog andere organen of nevenorganen worden ingesteld, worden in de instellingswet de onderlinge verhoudingen en bevoegdheden van deze organen vastgelegd.

2.

Aanwijzing 5.12, eerste lid, is op deze andere organen en nevenorganen van overeenkomstige toepassing.

Aanwijzing 5.14. Bevoegdheid minister

Aan een minister wordt niet de bevoegdheid toegekend bijzondere aanwijzingen te geven aan een zelfstandig bestuursorgaan.

Aanwijzing 5.15. Overgang personeel, rechten, bezittingen en verplichtingen
1.

In de instellingswet wordt in voorkomende gevallen bepaald hoe de overgang van personeel, rechten, bezittingen en verplichtingen van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden op een andere rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, wordt geregeld.

2.

Hiervoor worden de volgende modellen gebruikt:

(Artikel ...)

    1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van [naam dienstonderdeel], van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].
    1. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel].
    1. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van [naam dienstonderdeel], en van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, zijn op dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel].

(Artikel ...)

    1. Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan [naam dienstonderdeel] worden toegerekend, worden toebedeeld aan [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt].
    1. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op [naam dienst] tegen een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
    1. Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
Aanwijzing 5.16. Afhandeling lopende procedures bij overgang
1.

Indien aan de orde, wordt bij wet bepaald op welke wijze de op het moment van instelling van een zelfstandig bestuursorgaan dat geen onderdeel uitmaakt van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden, lopende wettelijke procedures en rechtsgedingen, respectievelijk onderzoeken door de Nationale ombudsman, worden afgehandeld.

2.

Hiervoor wordt het volgende model gebruikt:

    1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij [naam dienstonderdeel] is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, dan wel zelfstandig bestuursorgaan] in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister.
    1. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan [naam dienstonderdeel], treedt [naam zelfstandig bestuursorgaan] op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister.

§ 5.5. Toekenning en terminologie van bestuursbevoegdheden

Aanwijzing 5.17. Vrijstelling, ontheffing, vergunning en erkenning
1.

Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt de term ‘vrijstelling’ gebruikt.

2.

Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term ‘ontheffing’ gebruikt.

3.

Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term ‘vergunning’ gebruikt.

4.

Voor een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling aan bepaalde eisen voldoet, wordt de term ‘erkenning’ gebruikt.

Aanwijzing 5.18. Goedkeuring en verklaring van geen bezwaar
1.

Voor de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term ‘goedkeuring’ gebruikt.

2.

Voor de voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term ‘verklaring van geen bezwaar’ gebruikt.

Aanwijzing 5.19. Terminologie ‘beperking’

Indien de bevoegdheid wordt toegekend om bij het verlenen van een vrijstelling, ontheffing of vergunning een begrenzing naar tijd of plaats dan wel anderszins aan te brengen, wordt de term ‘beperking’ gebruikt.

Aanwijzing 5.20. Handhaving beschikkingsvoorschriften
1.

Indien wordt beoogd de verplichtingen van een belanghebbende die hem bij het geven van een beschikking zijn opgelegd, door middel van straffen te handhaven, wordt deze strafbaarstelling uitdrukkelijk geregeld.

2.

Voor dergelijke en andere bij het geven van een beschikking op te leggen verplichtingen wordt de term ‘voorschriften’ gebruikt.

Aanwijzing 5.21. Intrekking of wijziging van een beschikking
1.

Indien het nodig is een op een regeling berustende beschikking te kunnen intrekken of wijzigen, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.

2.

De gronden voor het intrekken of wijzigen van een beschikking worden in de regeling gespecificeerd.

Aanwijzing 5.22. Delegatie aan ondergeschikten

In een wet wordt geen delegatie van bestuursbevoegdheden aan ondergeschikten mogelijk gemaakt.

Aanwijzing 5.23. Toekenning bevoegdheden aan decentrale overheden
1.

Indien bevoegdheden aan gemeenten, provincies of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden toegekend:

  • a. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, het vaststellen van de kaders van het beleid en het nemen van een besluit dat een sterke democratische legitimatie nodig heeft, in beginsel toegekend aan de gemeenteraad, provinciale staten of de eilandsraad;
  • b. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen of uitvoeren van beleid en het vaststellen van besluiten, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, in beginsel toegekend aan het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het bestuurscollege.
2.

De termen ‘gemeentebestuur’, ‘provinciebestuur’ en ‘eilandsbestuur’ worden vermeden. De term ‘gemeente’ of ‘provincie’ wordt uitsluitend gehanteerd als aanduiding van de rechtspersoon gemeente of provincie of het gebied van de gemeente of provincie.

3.

De term ‘openbare lichamen’ als aanduiding van de rechtspersonen openbaar lichaam Bonaire, openbaar lichaam Sint Eustatius of openbaar lichaam Saba of als aanduiding van het gebied van die openbare lichamen, wordt uitsluitend gebruikt, indien uit de regeling volgt dat de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoeld zijn.

Aanwijzing 5.24. Interbestuurlijk toezicht

Indien de uitvoering van een wet wordt opgedragen aan organen van gemeenten of provincies, wordt in die wet niet voorzien in toezicht op de uitvoering.

Aanwijzing 5.25. Hardheidsclausule
1.

In een regeling wordt een hardheidsclausule opgenomen, indien er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen.

2.

Alvorens een hardheidsclausule op te nemen, wordt bezien of toepassing kan worden gegeven aan aanwijzing 2.11, tweede lid.

3.

In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen voor situaties waarin het buiten toepassing laten of het afwijken van de regeling nadelige effecten heeft of in het algemeen kan hebben voor derden-belanghebbenden.

4.

Indien de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, wordt dit bestendige beleid in een algemeen verbindend voorschrift neergelegd.

Aanwijzing 5.26. Model hardheidsclausule
1.

Indien in een regeling een hardheidsclausule wordt opgenomen, wordt zo concreet en nauwkeurig mogelijk aangegeven op welke onderdelen van de regeling de clausule van toepassing is.

2.

Voor een hardheidsclausule wordt het volgende model als uitgangspunt genomen:

[aanduiding bestuursorgaan] kan artikel ... buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van [aanduiding doel of strekking van de regeling] zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

§ 5.6. Overgang van rechten krachtens publiekrecht

Aanwijzing 5.27. Overgang van rechten

Indien een publiekrechtelijke regeling voorziet in het ontstaan van enigerlei recht dat zich naar zijn aard leent voor overgang op anderen, wordt die overgang óf uitgesloten óf geregeld.

Aanwijzing 5.28. Wederzijdse erkenningsclausules
1.

Voor zover een regeling die niet strekt tot implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, eisen stelt aan goederen, keuringen of diensten, wordt tevens een clausule van wederzijdse erkenning opgenomen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op regelingen die uitsluitend gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

3.

Voor een clausule van wederzijdse erkenning worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen:

(Goederen)

Met [aanduiding van de desbetreffende goederen] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld [desbetreffende goederen] die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

(Keuringen)

Met een [aanduiding van het desbetreffende document] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

(Diensten)

Met de beroepseisen ter zake van [aanduiding van de desbetreffende dienst] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Aanwijzing 5.29. Vergunningstelsel in de zin van de Dienstenwet
1.

Een vergunningstelsel in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Dienstenwet:

  • a. wordt slechts opgenomen indien dit geen discriminerende werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter, dit noodzakelijk is wegens een dwingende reden van algemeen belang, en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn;
2.

Indien de conflictregel van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn en artikel 2, derde lid, onder a, sub 3, van de Dienstenwet op een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, wordt dit toegelicht.

3.

Indien bij een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, wordt een selectieprocedure ingesteld die alle waarborgen voor transparantie en onpartijdigheid biedt voor gegadigden, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.

Aanwijzing 5.30. Eisen aan dienstverrichting
1.

In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen gesteld aan de verrichting van diensten door dienstverrichters die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn, die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu en evenredigheid.

2.

In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 15, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen opgenomen die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens een dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid.

§ 5.8. Informatievoorziening en gegevensverwerking

Aanwijzing 5.31. Aansluiten bij definities basisregistraties

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)