← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 24 december 1992, tot vaststelling van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten

Geldende tekst a fecha 2010-04-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de aanpassing van de wetgeving inzake accijnzen aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (92/12/EEG van 25 februari 1992; PbEG L 76) wenselijk is een afzonderlijke wettelijke regeling in te voeren voor het stelsel van heffing van de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Belastbaar feit

Artikel 1
1.

Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:

2.

Onder de naam verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken.

3.

Onder de naam verbruiksbelasting van pruimtabak en snuiftabak wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van pruimtabak en van snuiftabak.

Artikel 2

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder:

Artikel 3
1.

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag het brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak buiten een plaats die voor dat soort goed als inrichting is aangewezen.

2.

Als uitslag wordt mede aangemerkt het verbruik, anders dan als grondstof, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak binnen een plaats die voor dat soort goed als inrichting is aangewezen.

3.

Als uitslag wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar:

4.

De voorwaarden, bedoeld in het derde lid, hebben betrekking op formaliteiten waaraan bij de overbrenging van de goederen moet worden voldaan.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 4
1.

Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak waarvan de belasting niet is geheven, door:

2.

Het eerste lid is, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, niet van toepassing met betrekking tot alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden vervoerd naar:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, worden bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt indien sprake is van het op incidentele basis aanwenden van beperkte hoeveelheden alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak voor eigen verbruik in het kader van de onderneming of het publiekrechtelijke lichaam.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, ter verzekering van de heffing, regels gesteld met betrekking tot de verplichtingen waaraan de in het eerste lid bedoelde personen of lichamen moeten voldoen.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 5
1.

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder invoer het vanuit een derde land brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak in Nederland.

2.

Als invoer wordt mede aangemerkt:

3.

Als invoer wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden:

4.

De voorwaarden, bedoeld in het derde lid, hebben betrekking op formaliteiten waaraan bij de overbrenging van de goederen moet worden voldaan alsmede op de daarbij te stellen zekerheid.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Hoofdstuk II. Definities van de goederen en tarieven

Afdeling 1. Alcoholvrije dranken

Artikel 6

Onder alcoholvrije dranken worden verstaan vruchte- en groentesap, mineraalwater en limonade, ook indien zij alcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn, tussenprodukten of overige alcoholhoudende produkten in de zin van de Wet op de accijns.

Artikel 7
1.

Onder vruchte- en groentesap wordt verstaan drank die bestaat uit sap van vruchten of groenten of een mengsel daarvan, mengsels van water en vruchtesap die tenminste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage vruchtesap of vruchtemoes bevatten daaronder begrepen.

2.

Als vruchte- en groentesap wordt mede aangemerkt de drank, bedoeld in het eerste lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik gereed vruchte- en groentesap vervaardigen voor gebruik ter plaatse.

Artikel 8
1.

Onder mineraalwater wordt verstaan:

2.

Als mineraalwater wordt niet aangemerkt nooddrinkwater dat door drinkwaterbedrijven in voorraad wordt gehouden en dat bij een verstoring van de drinkwatervoorziening anders dan door middel van een distributienet wordt geleverd aan consumenten of andere afnemers.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aard van en de aanduiding op de verpakking van het in het tweede lid bedoelde nooddrinkwater.

Artikel 9
1.

Onder limonade worden verstaan met water aangelengd vruchte- of groentesap alsmede gezoete en aromatische dranken en dranken waaraan geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.

2.

Als limonade wordt mede aangemerkt de drank, bedoeld in het eerste lid, in vaste vorm of als concentraat in kleinhandelsverpakking of in een verpakking die is bestemd voor afnemers die voor gebruik gerede limonade vervaardigen voor gebruik ter plaatse.

3.

Als limonade wordt niet aangemerkt:

Artikel 10
1.

De belasting bedraagt per hectoliter bij een temperatuur van 20°C voor:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt, met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels, het volume van vruchte- en groentesap en limonade in vaste vorm of in geconcentreerde vorm herleid tot het volume van voor gebruik gereed vruchte- en groentesap of voor gebruik gerede limonade, met dien verstande dat voor limonade in vaste of geconcentreerde vorm voor huishoudelijk gebruik deze herleiding geschiedt op basis van de factor 3.

3.

Bij ministeriële regeling kan met betrekking tot alcoholvrije dranken in kleinhandelsverpakking worden bepaald dat voor de berekening van de belasting het herleiden van het volume van die dranken tot het volume bij een temperatuur van 20°C achterwege kan blijven.

Afdeling 2. Pruimtabak en snuiftabak

Artikel 11
1.

Onder pruimtabak wordt verstaan voor pruimen bereide tabak.

2.

Als pruimtabak worden mede aangemerkt produkten die gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 12
1.

Onder snuiftabak wordt verstaan voor snuiven bereide tabak.

2.

Als snuiftabak worden mede aangemerkt produkten die gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, doch overigens voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 13

De belasting bedraagt voor pruimtabak en snuiftabak € 24,04 per kilogram.

Hoofdstuk III. Uitslag

Afdeling 1. Inrichting

Artikel 14
1.

Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

2.

De artikelen 40 en 41 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Vergunning

Artikel 15
1.

Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

2.

De artikelen 42 en 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. Wijze van heffing en voldoening

Artikel 16

De belasting wordt geheven van de vergunninghouder van de inrichting.

Artikel 17

In afwijking van artikel 16 wordt de belasting bij toepassing van artikel 4, eerste lid, geheven van degene die de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak voorhanden heeft.

Artikel 18

De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.

Artikel 19

In afwijking van artikel 18 wordt de belasting bij toepassing van artikel 4, eerste lid, verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak.

Artikel 20
1.

De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan.

2.

Aangifte dient te worden gedaan voor elke inrichting afzonderlijk.

3.

In afwijking van het tweede lid kan bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, worden toegestaan dat voor inrichtingen waarvan de vergunningen op naam zijn gesteld van dezelfde vergunninghouder één aangifte voor die inrichtingen te zamen wordt gedaan.

Artikel 21
1.

Bij toepassing van artikel 19 dient in afwijking van artikel 20, eerste lid, en van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen uiterlijk op de dag na het in artikel 19 bedoelde tijdstip aangifte te worden gedaan en de belasting op aangifte te worden voldaan.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de inspecteur, bij toepassing van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, op verzoek toestemming verlenen om de in een week op de voet van artikel 19 verschuldigd geworden belasting uiterlijk op de vrijdag van de week daaropvolgend op aangifte te voldoen.

Artikel 22

De artikelen 54 en 55 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4. Zekerheid

Artikel 23
1.

De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die hij verschuldigd is of kan worden.

2.

De artikelen 56, vijfde tot en met achtste lid, en 57 tot en met 60 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5. Voorrecht

Artikel 24
1.

De vergunninghouder van een inrichting heeft voor de belasting die is begrepen in de verkoopprijs van de door hem geleverde alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, zolang hij ter zake geen betaling heeft ontvangen doch niet langer dan een half jaar nadat hij die belasting verschuldigd is geworden, voorrecht op alle goederen van de koper.

2.

Het voorrecht, bedoeld in het eerste lid, heeft gelijke rangorde als het voorrecht dat ’s Rijks schatkist heeft op de voet van artikel 21 van de Invorderingswet 1990.

Afdeling 6. Hoofdelijke aansprakelijkheid

Artikel 25

De vervoerder van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag aan belasting dat wordt vertegenwoordigd door de hoeveelheid van die goederen waarvan de belasting niet is geheven die door hem wordt vervoerd naar het buitenland, naar een inrichting of naar een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien tijdens dat vervoer door hem of door zijn toedoen een onregelmatigheid of een overtreding is begaan.

Hoofdstuk IV. Invoer

Artikel 26

Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, met uitzondering van artikel 868 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27
1.

Bij ministeriële regeling kunnen, onder daarbij te stellen voorwaarden, regels worden gesteld ingevolge welke de heffing van belasting van alcoholvrije dranken, van pruimtabak of van snuiftabak die in kleine zendingen dan wel door reizigers als bagage worden ingevoerd, geschiedt volgens daarbij vast te stellen forfaitaire tarieven.

2.

De forfaitaire tarieven zijn niet van toepassing met betrekking tot handelsgoederen.

Hoofdstuk V. Vrijstellingen en teruggaven

Afdeling 1. Vrijstellingen

Artikel 28
1.

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van de uitslag en de invoer van vruchte- en groentesappen die kennelijk zijn bestemd om te worden gebruikt als aanvulling op kindervoeding, voor medicinale doeleinden of anders dan om te worden gedronken.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

Artikel 29
1.

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van de uitslag en de invoer van:

2.

Om de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met vrijstelling te kunnen betrekken, dient degene die deze goederen betrekt in het bezit te zijn van een daartoe strekkende vergunning.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.

Artikel 30
1.

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van belasting verleend ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 31

De artikelen 68 en 69 van de Wet op de accijns en de artikelen 21a en 21b van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Teruggaven

Artikel 32
1.

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak waarvoor aanspraak op vrijstelling zou bestaan op de voet van:

2.

De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde teruggaaf wordt verleend aan degene die een vergunning heeft ingevolge artikel 29, tweede lid.

3.

De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde teruggaaf wordt verleend aan degene die de levering heeft verricht.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 33
1.

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 34

De inspecteur beslist op een verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen

Afdeling 1. Belastingzegels

Artikel 35
1.

Pruimtabak en snuiftabak moeten bij de uitslag en de invoer zijn voorzien van het voor het desbetreffende produkt voorgeschreven belastingzegel.

2.

De artikelen 73, tweede en derde lid, tot en met 76, 77, 78, eerste, tweede en vierde lid, en 79 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van artikel 76, tweede lid, van de Wet op de accijns, de betaling uiterlijk kan worden gedaan op de laatste dag van de derde maand volgende op die waarin de belastingzegels zijn aangevraagd.

Afdeling 2. Controlebepalingen

Artikel 36

De artikelen 80, 81, 83 en 84 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. Overige bepalingen

Artikel 37

De artikelen 2, vijfde, zesde, zevende en tiende lid, en 85 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wet nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.

Hoofdstuk VII. Verbodsbepalingen en strafbepalingen

Afdeling 1. Verbodsbepalingen

Artikel 39

Het is verboden:

Artikel 40

Met betrekking tot pruimtabak en snuiftabak zijn de artikelen 93 tot en met 96 van de Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Strafbepalingen

Artikel 41

Degene die opzettelijk een in artikel 39 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

Artikel 42

Degene die opzettelijk alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak waarvoor vrijstelling of teruggaaf van belasting is verleend een bestemming geeft waarvoor geen vrijstelling of teruggaaf van belasting zou zijn verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

Artikel 43
1.

Met betrekking tot degene die een bij artikel 40 van overeenkomstige toepassing verklaard verbod overtreedt, zijn de in artikel 101 van de Wet op de accijns opgenomen strafbepalingen van overeenkomstige toepassing.

2.

Degene die pruimtabak of snuiftabak die in strijd met de wettelijke bepalingen niet is voorzien van de voorgeschreven belastingzegels uitslaat of invoert, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

3.

Degene die het in het tweede lid bedoelde verbod opzettelijk overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 44

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.

Artikel 45

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.