Besluit van 25 juni 1993, houdende bepalingen betreffende de algemene rechtspositie van burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie

Type AMvB
Publication 2025-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV 2210/93002671;

Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929;

De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. W07.93.0061);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV2210/93008950;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Ambtenaar in de zin van dit besluit

In dit besluit en de daarop berustende bepalingenen wordt verstaan onder ambtenaar, degene die bij het Ministerie van Defensie in burgerlijke openbare dienst is aangesteld.

Artikel 2. Niet toepasselijkheid van dit besluit
1.

Dit besluit is niet van toepassing op Onze Minister.

2.

De hoofdstukken 4 en 5 zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.

3.

Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:

4.

De hoofdstukken 4, 5 en 6, alsmede de artikelen 70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 100, eerste lid, onderdelen b tot en met d en f tot en met k, tweede lid109 tot en met 111, 114, 121, eerste lid, onderdelen f en h en derde lid, 127 en 127a, zijn niet van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn.

Artikel 3. Definities
1.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Tenzij anders is bepaald wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

3.

Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.

Artikel 4. Gelijkstelling samenlevingsvormen met het huwelijk
1.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

2.

De gelijkstellingen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, onder 2° en onderdeel d, onder 2°, eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De ambtenaar is verplicht die doorhaling aan Onze Minister te melden, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.

Hoofdstuk 2. Aanstelling

§ 1. De aanstelling

Artikel 5. Werving en selectie

Onze Minister stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.

Artikel 6. Aanstelling
1.

De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst.

2.

Aan een aanstelling in vaste dienst gaat in de regel vooraf een aanstelling in tijdelijke dienst.

3.

Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet.

4.

Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie als bedoeld in artikel 119, eerste lid, van personen die op het tijdstip waarop de voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens wordt bereikt, geen ononderbroken diensttijd van tenminste 5 jaren, doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.

5.

Het in het vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing in geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in het vierde lid bedoeld.

Artikel 7. Aanstelling in tijdelijke dienst
1.

Aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.

2.

Zij kan plaatsvinden:

3.

Zodra de omstandigheid, genoemd in het tweede lid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wordt een aanstelling in vaste dienst verleend tenzij daartegen uit anderen hoofde bedenkingen bestaan.

4.

In de gevallen, genoemd onder d, e en i van het tweede lid, wordt in ieder geval aangenomen, dat de omstandigheid, welke leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet, wanneer de ambtenaar sinds vijf jaar zonder onderbreking van langer dan 1 maand in dienst van het Ministerie van Defensie, waarvan laatstelijk gedurende tenminste 1 jaar in zijn huidige betrekking, werkzaam is geweest, tenzij vaststaat, dat zijn werkzaamheden in het door hem vervulde ambt binnen het jaar zullen worden beëindigd.

5.

In afwijking van het tweede tot en met vierde lid kan een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor de duur van ten hoogste drie jaren plaatsvinden.

6.

Op een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het vijfde lid kan een nieuwe aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het vijfde lid volgen.

7.

De op grond van het vijfde lid aangestelde ambtenaar in tijdelijke dienst mag bij beëindiging van die aanstelling de leeftijd van 30 jaar niet hebben overschreden, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald.

8.

Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt omgezet in een aanstelling in vaste dienst, indien:

9.

Voor het tellen van opeenvolgende aanstellingen worden aanstellingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2000 mede in aanmerking genomen, tenzij er sprake is van opeenvolgende aanstellingen ten behoeve van een project of indien in de diensteenheid, waarin de laatste aanstelling heeft plaatsgevonden, sprake is van overtolligheid.

10.

De in het vijfde lid genoemde maximumduur van de aanstelling is niet van toepassing op de aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd van degene is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn.

Artikel 8. Bevoegdheid tot aanstelling
1.

De aanstelling van de ambtenaar in vaste dienst die wordt bezoldigd volgens salarisschaal 15 of hoger van bijlage A van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie alsmede van de ambtenaar die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger werkzaam te zijn en die wordt bezoldigd in de salarisschaal behorend bij de rang van kapitein ter zee/kolonel geschiedt bij koninklijk besluit.

2.

De aanstelling in de overige gevallen geschiedt door Onze Minister.

Artikel 8a. Duur functievervulling

Vervallen

§ 2. Voorwaarden voor aanstelling

Artikel 9. Geschiktheid en bekwaamheid
1.

Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts plaatsvinden, indien Onze Minister op grond van de gegevens waarover hij beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie.

2.

Onze Minister stelt voor een functie of voor een groep van functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vast waaraan de betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.