Besluit van 25 juni 1993, houdende regels voor het georganiseerd overleg in de sector Defensie

Type AMvB
Publication 2020-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze minister van Defensie van 1 februari 1993, nr. PAV2210/93002671;

Gelet op artikel 12, onder p, van de Militaire Ambtenarenwet 1931, artikel 125, eerste lid, onder m van de Ambtenarenwet 1929 en artikel 2, onder m, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen;

De Raad van State gehoord (advies van 29 maart 1993, nr. W07.93.0060);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 16 juni 1993, nr. PAV 2210/93008962;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Het overleg met de sectorcommissie Defensie

Artikel 2

Er is een sectorcommissie Defensie voor het georganiseerd overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van militaire ambtenaren en ambtenaren.

Artikel 3
1.

Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffende de militaire ambtenaren en de ambtenaren wordt niet beslist alvorens daarover door of namens Onze Minister overleg is gevoerd met de sectorcommissie.

2.

Onze Minister is bevoegd in afwijking van het eerste lid, de sectorcommissie gehoord, te beslissen dat bepaalde aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de militaire ambtenaren of van de ambtenaren alsmede bepaalde algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, geen onderwerp van overleg zullen uitmaken.

3.

Een voorstel, voor zover het strekt tot het regelen van rechten of verplichtingen van individuele militaire ambtenaren of individuele ambtenaren, wordt slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de sectorcommissie. Het standpunt van de sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de sectorcommissie staken, beslist de voorzitter van het overleg met de sectorcommissie of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op een voorstel strekkende tot:

5.

Indien in het overleg een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als bedoeld in het vierde lid onder d, voldaan wordt aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van militaire ambtenaren of ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de advies- en arbitragecommissie, bedoeld in artikel 18.

Artikel 4
1.

De sectorcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van:

2.

Bij koninklijk besluit kunnen voorts tot het overleg worden toegelaten centrales die, gelet op hun ledental en de samenstelling daarvan, representatief zijn voor de militaire ambtenaren bij de gehele krijgsmacht en voor de ambtenaren bij het ministerie, voor zover het algemeen belang zich hiertegen niet verzet.

3.

Een toelating krachtens het tweede lid vindt niet plaats, alvorens Onze Minister daarover het advies van de sectorcommissie heeft ingewonnen.

4.

Bij koninklijk besluit kan een toelating tot het overleg krachtens het eerste lid worden geschorst en kan een toelating tot het overleg krachtens het tweede lid, dan wel een toelating krachtens artikel 5 worden ingetrokken, indien de centrale niet meer representatief is, dan wel het algemeen belang of het belang van een goed overleg zich tegen verdere deelneming aan het overleg verzet.

5.

Vanaf de dag waarop het voornemen tot schorsing dan wel intrekking van de toelating tot het overleg aan het bestuur van de betrokken centrale kenbaar is gemaakt, tot aan de dag waarop daarover een beslissing is genomen, nemen vertegenwoordigers van deze centrale niet meer deel aan het overleg.

6.

De schorsing wordt opgeheven met ingang van de dag waarop de reden is vervallen die tot de schorsing aanleiding gaf.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6
1.

Een centrale, die tot het overleg in de sectorcommissie is toegelaten, is bevoegd tot het aanwijzen van twee leden en twee plaatsvervangende leden. Van deze aanwijzing geeft de centrale kennis aan Onze Minister.

2.

Onze Minister is bevoegd een lid of een plaatsvervangend lid van de sectorcommissie van het deelnemen aan het overleg uit te sluiten, indien naar het oordeel van Onze Minister het dienstbelang dit vordert in verband met de aard van de werkzaamheden als militair ambtenaar of als ambtenaar van dat lid of plaatsvervangend lid. De beslissing tot uitsluiting wordt niet genomen, alvorens het bestuur van de betrokken centrale over het voornemen daartoe is gehoord en het advies van de vertegenwoordigers van de overige centrales daarover is ingewonnen.

3.

Vanaf de dag waarop het voornemen tot uitsluiting aan het bestuur van de centrale is kenbaar gemaakt, neemt het betrokken lid of plaatsvervangend lid niet meer deel aan het overleg.

4.

Na de uitsluiting wijst het bestuur van de centrale een ander lid of plaatsvervangend lid aan als zijn vertegenwoordiger in de sectorcommissie.

Artikel 7
1.

Het overleg met de sectorcommissie staat onder leiding van Onze Minister. Onze Minister is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan de hoofddirecteur personeel van het ministerie, indien de aard van de te bespreken aangelegenheden dit toelaat.

2.

Onze Minister wijst functionarissen aan die hem, of de functionaris die namens hem het overleg voert, bij het overleg terzijde staan.

3.

Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op uitnodiging of met toestemming van de voorzitter van het overleg door andere dan de in de vorige leden bedoelde personen aan het overleg worden deelgenomen.

4.

De voorzitter van het overleg kan aan de leden van de sectorcommissie toestemming verlenen zich bij de behandeling van een bepaald onderwerp ter vergadering door deskundigen te laten bijstaan.

Artikel 8
1.

De centrale die van de in artikel 6, eerste lid, genoemde bevoegdheid gebruik maakt, doet aan Onze Minister mededeling van de statuten, het huishoudelijk reglement en van de daarin aangebrachte wijzigingen, alsmede van de statuten en de daarin aangebrachte wijzigingen van de bij die centrale aangesloten verenigingen die militaire ambtenaren of ambtenaren als leden hebben.

2.

Bij de aanvang van elk kalenderjaar verstrekt iedere centrale aan Onze Minister een opgave van het aantal militaire ambtenaren en het aantal ambtenaren dat lid is van de bij die centrale aangesloten verenigingen.

Artikel 9
1.

Aangelegenheden, die ingevolge artikel 3 in het overleg met de sectorcommissie worden behandeld, of waarover deze commissie moet worden gehoord, worden door Onze Minister voorgelegd aan de sectorcommissie.

2.

Elke centrale die in de sectorcommissie is vertegenwoordigd, kan Onze Minister verzoeken een aangelegenheid als bedoeld in artikel 3 in een vergadering van het overleg te behandelen. Aan het verzoek wordt voldaan, tenzij het onderwerp naar het oordeel van Onze Minister niet of nog niet voor behandeling in het overleg geschikt is. De betrokken centrale wordt daarvan in dat geval schriftelijk mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen die aan deze beslissing ten grondslag liggen.

Artikel 10
1.

Plaats, dag en aanvangsuur, alsmede de agenda van de vergadering van het overleg met de sectorcommissie worden door de voorzitter van het overleg vastgesteld.

2.

Indien de vertegenwoordigers van ten minste twee centrales Onze Minister verzoeken een vergadering bijeen te roepen voor het voeren van overleg, wordt deze vergadering binnen twee weken uitgeschreven. Bij het verzoek wordt vermeld waarover deze vertegenwoordigers overleg willen voeren.

3.

Indien de sectorcommissie voor een door haar te houden vergadering daartoe een verzoek doet, stelt Onze Minister zo mogelijk een vergaderruimte ter beschikking.

Artikel 11
1.

Indien het gewenst is over aangelegenheden als bedoeld in artikel 3 voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg naar voren gekomen standpunten uit te werken, wordt die voorbereiding of uitwerking verricht door werkgroepen, bestaande uit leden of plaatsvervangende leden van de sectorcommissie, aangewezen door deze commissie en uit functionarissen, aangewezen door Onze Minister.

2.

Indien het gewenst is over aangelegenheden als bedoeld in artikel 3, die uitsluitend militaire ambtenaren of uitsluitend ambtenaren betreffen, voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg naar voren gekomen standpunten uit te werken, kan die voorbereiding of die uitwerking verricht worden door een kamer voor militaire ambtenaren onderscheidenlijk een kamer voor ambtenaren, bestaande uit leden of plaatsvervangende leden van de sectorcommissie, aangewezen door deze commissie, en uit functionarissen aangewezen door Onze Minister. De leden of plaatsvervangende leden van de sectorcommissie kunnen zich voor het overleg in een kamer laten vervangen.

3.

Een werkgroep en een kamer staan onder leiding van een door Onze Minister aangewezen functionaris.

4.

Op het deelnemen aan een vergadering van een werkgroep of kamer is artikel 7, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Het standpunt van de sectorcommissie wordt bepaald bij eenvoudige meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit.

Artikel 13

In de artikelen 14 tot en met 22 wordt verstaan onder:

Artikel 14

De artikelen 15 tot en met 22 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 3, voorzover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van militaire ambtenaren of ambtenaren, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffen.

Artikel 15

Indien de voorzitter dan wel één of meer van de centrales, in het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen drie dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 16
1.

Binnen vijf dagen na de kennisgeving, genoemd in artikel 15, schrijft de voorzitter een overlegvergadering uit. De vergadering moet worden gehouden binnen één week, nadat deze is uitgeschreven.

2.

Tenzij door de voorzitter en de sectorcommissie wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg, nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie, dan wel door middel van onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie.

3.

Tot het inwinnen van advies is zowel de voorzitter als de sectorcommissie bevoegd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.