Wet van 15 december 1993, houdende privatisering van het Spoorwegpensioenfonds

Type Wet
Publication 2015-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het spoorwegpersoneel in handen te leggen van de betrokken sociale partners, alsmede de bemoeienis van de rijksoverheid met en de financiële verantwoordelijkheid van het rijk voor die pensioenen te beëindigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Overgang vermogen Spoorwegpensioenfonds

Artikel 2
1.

Op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gaan alle vermogensbestanddelen van het Spoorwegpensioenfonds onder algemene titel over naar de Stichting Spoorwegpensioenfonds.

2.

Aan de beheerders van de openbare registers waarin overgang van rechten of verandering van tenaamstelling kan worden ingeschreven ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, worden door de zorg van het bestuur van het Spoorwegpensioenfonds de daartoe vereiste opgaven gedaan.

Artikel 3
1.

Het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds doet van alle vermogensbestanddelen die aan dat fonds worden toegerekend op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, een verklaring opstellen door de accountant, bedoeld in artikel L 6 van de Spoorwegpensioenwet en de wiskundig adviseur, bedoeld in artikel L 12 van de Spoorwegpensioenwet, in overleg met een door Onze Minister aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede een door Onze Minister aangewezen actuaris.

2.

De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt door het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds neergelegd ten kantore van het handelsregister waar hij volgens de statuten zijn zetel heeft.

3.

De waardering van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen geschiedt volgens de door het bestuur van het Spoorwegpensioenfonds vast te stellen regels, die de goedkeuring van Onze Minister behoeven.

Artikel 4
1.

De Stichting Spoorwegpensioenfonds is aan de Staat der Nederlanden een bedrag verschuldigd ter grootte van het gereserveerde vermogen dat bestemd is voor de aanspraken voortvloeiende uit reeds ingegane invaliditeitspensioenen op grond van de Spoorwegpensioenwet op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, voorzover die aanspraken het niveau van overeenkomstige aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet te boven gaan.

2.

Het vermogen, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald op basis van de opgebouwde rechten, waarvan het bedrag wordt vastgesteld door een door Onze Minister aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alsmede een door Onze Minister aangewezen actuaris.

Hoofdstuk III. Overgang pensioenaanspraken belanghebbenden

Artikel 5
1.

De belanghebbende verkrijgt op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet aanspraken jegens de Stichting Spoorwegpensioenfonds die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan het uitzicht of het recht op pensioen dat hij ontleent aan de Spoorwegpensioenwet, voor zover in artikel 8 niet anders wordt bepaald.

2.

De belanghebbende verkrijgt de in het eerste lid bedoelde aanspraken jegens de Stichting Spoorwegpensioenfonds.

3.

Het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds verstrekt aan degene die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet deelgenoot is een schriftelijke opgave van het uit hoofde van zijn dienstbetrekking opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Spoorwegpensioenwet. Deze opgave bevat de voor het pensioen geldende diensttijd alsmede de laatste twee berekeningsgrondslagen die zou zijn gehanteerd indien aan hem pensioen zou zijn verleend op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.

4.

De belanghebbende kan binnen twee maanden na de dag waarop de in het derde lid bedoelde opgave door hem is ontvangen, schriftelijk bezwaar aantekenen bij het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds. Indien hij niet binnen de gestelde termijn reageert, wordt hij aangemerkt als een belanghebbende die heeft ingestemd met de opgave.

Artikel 6
1.

De belanghebbende die op de dag voorafgaande aan de intrekking van de Spoorwegpensioenwet, ingevolge artikel D 1, tweede lid, of artikel T 4 van die wet, de tijd die volgens de Algemene burgerlijke pensioenwet voor betrokkene als diensttijd in aanmerking komt (externe diensttijd) mede als diensttijd in de zin van de Spoorwegpensioenwet in aanmerking zou kunnen doen brengen, heeft een overeenkomstig recht jegens de Stichting Spoorwegpensioenfonds.

2.

Ten aanzien van diensttijd als bedoeld in het eerste lid, blijven van toepassing:

3.

Zodra de belanghebbende dit wenst, kan hij om overname verzoeken van externe diensttijd als bedoeld in het eerste lid.

4.

In afwijking van het tweede en derde lid kan de belanghebbende die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet deelgenoot in de zin van die wet is, het in het derde lid bedoelde verzoek uitsluitend indienen tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip van die inwerkingtreding.

5.

Indien gebruik wordt gemaakt van het in het eerste lid bedoelde recht, wordt daarvan door het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds mededeling gedaan aan:

6.

Voor zover de in het vijfde lid bedoelde mededeling diensttijd betreft als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, wordt door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds de wiskundige reserve van het uitzicht op pensioen dat bij dat fonds is of geacht wordt te zijn opgebouwd voor degene op wie die mededeling betrekking heeft, overgedragen aan de Stichting Spoorwegpensioenfonds.

7.

Voor zover de in het vijfde lid bedoelde mededeling diensttijd betreft als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister van Defensie de actuariële tegenwaarde van het uitzicht op pensioen dat, ingevolge de Algemene militaire pensioenwet en de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van die wet, is opgebouwd door degene op wie die mededeling betrekking heeft, overgedragen aan de Stichting Spoorwegpensioenfonds.

8.

De in het zesde en zevende lid bedoelde overdracht vindt plaats binnen drie maanden na ontvangst van de in het vijfde lid bedoelde mededeling.

9.

Door de overname van externe diensttijd door de Stichting Spoorwegpensioenfonds vervalt het uitzicht of recht van de belanghebbende op pensioen over die tijd ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Algemene militaire pensioenwet.

Hoofdstuk IV. Overgang naar werknemersverzekeringen

Artikel 7
1.

Als werknemer in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet wordt aangemerkt de persoon, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet:

2.

Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden personen, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in een arbeidsverhouding tot N.S. staan, alsmede de in het eerste lid bedoelde personen, vanaf de dag van indiensttreding bij de N.S. tot aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als verzekerd op grond van die wet. Aan de eerste volzin kan geen recht worden ontleend over tijdvakken gelegen voor het in die volzin bedoelde tijdstip.

3.

Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidwet wordt de arbeidsverhouding tot N.S. van:

Artikel 8

De belanghebbende, die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, recht heeft op:

Artikel 9

De door de Directie van het Spoorwegpensioenfonds vastgestelde mate van algemene invaliditeit, bedoeld in artikel F 7 van de Spoorwegpensioenwet of de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals deze wet luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, is bepalend voor de vaststelling van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Artikel 10
1.

Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geldt als dagloon voor:

2.

Het dagloon bedraagt ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.