← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 16 december 1993, tot vaststelling van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994

Geldende tekst a fecha 2002-01-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 te vervangen door een wet ingevolge welke de motorrijtuigenbelasting voor personenauto's, bestelauto’s en motorrijwielen ter zake van het houden van die motorrijtuigen wordt geheven en voor andere motorrijtuigen ter zake van het rijden op de weg;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Afdeling 1. Belastbaar feit

Artikel 1
1.

Onder de naam «motorrijtuigenbelasting» wordt een belasting geheven ter zake van:

2.

Voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad en voor motorrijtuigen die voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf zijn, kan de belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden met betrekking tot het gebruik, in afwijking van het eerste lid worden geheven ter zake van de ten behoeve van die motorrijtuigen opgegeven kentekens als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Afdeling 2. Definities

Artikel 2

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder:

Artikel 3
1.

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt onder personenauto mede verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen met een toegestane maximum massa van 3 500 kg of minder met een laadruimte, zulks met uitzondering van een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die:

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:

Artikel 4

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ingevolge welke met een motorrijwiel worden gelijkgesteld motorrijtuigen op meer dan twee wielen die uit hoofde van hun bouw overeenkomst vertonen met een motorrijwiel.

Artikel 5
1.

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder weg: elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.

2.

Als weg wordt niet aangemerkt een weg die niet in beheer is bij een publiekrechtelijk lichaam.

Hoofdstuk II. Personenauto's, bestelauto's, motorrijwielen en vrachtauto's

Afdeling 1. Belastingplichtige

Artikel 6

De belasting voor een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel en een vrachtauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.

Artikel 7
1.

Een motorrijtuig - welk begrip in dit hoofdstuk uitsluitend omvat een motorrijtuig als bedoeld in artikel 6 - wordt gehouden door degene:

2.

Als motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven wordt niet aangemerkt een motorrijtuig waarvoor ingevolge artikel 37 van de Wegenverkeerswet 1994 het voorzien zijn van een kenteken ter zake van het gebruik van de weg niet is voorgeschreven. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, behoudens voorzover bij ministeriële regeling anders wordt bepaald.

Artikel 8
1.

Indien het motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven feitelijk en niet geheel voorbijgaand ter beschikking staat van een ander dan degene op wiens naam het opgegeven kenteken is gesteld, kan de inspecteur:

2.

De inspecteur neemt de beslissing op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de beslissing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 9

Als degene die het motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven feitelijk ter beschikking heeft wordt beschouwd degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg met het motorrijtuig is geconstateerd. Degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, wordt geacht tot het moment waarop voor het motorrijtuig een kenteken is opgegeven, het motorrijtuig feitelijk ter beschikking te hebben, tenzij is gebleken dat dit onjuist is.

Afdeling 2. Wijze van heffing

Artikel 10

Het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald is drie maanden.

Artikel 11
1.

Voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven vangt het tijdvak aan met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs en telkenmale drie maanden later.

2.

Bij wijziging van de tenaamstelling van het kentekenbewijs voor een motorrijtuig wegens wisseling van de houder van het motorrijtuig geldt als kort tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, het tijdvak dat aanvangt met ingang van de dag van dagtekening van de wijziging van de tenaamstelling van het kentekenbewijs en dat eindigt met de dag voorafgaande aan de eerste dag van het tijdvak met ingang waarvan de belasting voor het eerst na die wisseling moet worden betaald op de voet van het eerste lid.

Artikel 12

Voor een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven vangt het tijdvak aan met ingang van de dag waarop het gebruik van de weg met het motorrijtuig wordt geconstateerd en, zolang voor dat motorrijtuig nog geen kenteken is opgegeven, telkenmale drie maanden later.

Artikel 13
1.

Voor een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig dat in Nederland feitelijk ter beschikking staat vangt het tijdvak aan met ingang van de dag van het gebruik van de weg in Nederland.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 10 kan de belasting voor een in het eerste lid bedoeld motorrijtuig van een houder die niet in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd ook worden betaald over een tijdvak van 1, 3 of 15 dagen.

Artikel 14

De belasting moet op aangifte worden voldaan.

Artikel 15
1.

In afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet de belasting zijn betaald bij de aanvang van het tijdvak.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ingevolge welke de belasting in bepaalde gevallen niet bij de aanvang van het tijdvak behoeft te zijn betaald.

3.

Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en beperkingen kan de belasting voor personenauto’s, bestelauto’s of motorrijwielen waarvoor een kenteken is opgegeven, in maandelijkse termijnen worden betaald.

Artikel 16

De belasting voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven kan in één keer worden betaald over vier aaneensluitende tijdvakken.

Afdeling 3. Aangifte

Artikel 17
1.

De aanvraag om afgifte van een kentekenbewijs dan wel om wijziging van de tenaamstelling van het kentekenbewijs wordt aangemerkt als het doen van aangifte. De aangifte geldt, zolang het motorrijtuig niet van houder wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden.

2.

Een aanvraag om aanpassing van het kentekenbewijs aan een verandering aan het motorrijtuig waardoor de belasting hoger of lager wordt, wordt aangemerkt als het doen van een aanvullende aangifte.

3.

De constatering van het feit dat voor een motorrijtuig de aanvullende aangifte niet is gedaan, wordt gelijkgesteld met een dergelijke aangifte.

4.

De aanvullende aangifte geldt voor de tijdvakken die aanvangen na het lopende tijdvak.

Afdeling 4. Teruggaaf

Artikel 18
1.

Teruggaaf van belasting wordt verleend over het nog niet verstreken deel van het lopende tijdvak alsmede over de nog niet aangevangen tijdvakken op het tijdstip waarop het motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd.

2.

Bij verandering aan een motorrijtuig zodanig dat de voor het motorrijtuig verschuldigde belasting lager is dan die vóór de verandering, wordt voor het verschil in belasting teruggaaf verleend over de tijdvakken die nog niet zijn aangevangen op het tijdstip waarop de aanvullende aangifte wordt gedaan.

3.

Teruggaaf van belasting wordt op verzoek verleend over het lopende tijdvak voorzover dit niet is verstreken op de dag van dagtekening van de tenaamstelling van het kentekenbewijs voor een motorrijtuig waarvoor geen kenteken was opgegeven.

4.

De inspecteur stelt de teruggaaf vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

5.

Bedragen van € 5 en minder worden niet terugbetaald.

6.

Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt een maand gesteld op dertig dagen.

Afdeling 5. Schorsing

Artikel 19
1.

Voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als de schorsing eindigt:

Artikel 20
1.

Teruggaaf van belasting wordt verleend over de tijdvakken die nog niet zijn aangevangen bij de aanvang van de schorsing.

2.

Teruggaaf van belasting wordt mede verleend over het bij de aanvang van de schorsing nog niet verstreken gedeelte van het lopende tijdvak.

3.

artikel18, vierde, vijfde en zesde lid “artikel” moet zijn “Artikel”., is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

Bij beëindiging van een schorsing geldt als kort tijdvak waarover de belasting moet worden betaald het tijdvak dat aanvangt met ingang van de dag waarop de schorsing is opgeheven en dat eindigt met de dag voorafgaande aan de eerste dag van het tijdvak met ingang waarvan de belasting voor het eerst na beëindiging van die schorsing moet worden betaald op de voet van artikel 11, eerste lid.

Afdeling 6. Tarief

Artikel 22
1.

Voor de toepassing van de tariefbepalingen wordt:

2.

Voor een personenauto of een bestelauto die is voorzien van een installatie voor het verplaatsen of vastzetten van een rolstoel, wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, op verzoek het gewicht van die installatie niet meegerekend bij het vaststellen van de eigen massa van het motorrijtuig. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3.

Voor een personenauto of een bestelauto die is ingericht en bestemd om mede te worden aangedreven door een elektromotor wordt, mits de aandrijving door de elektromotor zodanig is dat de elektrische energie voor een actieradius van ten minste 24 km aaneengesloten stadsverkeer uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel kan worden geleverd, of mits het piekvermogen van de voor de aandrijving bestemde elektromotor ten minste 15% van het maximum vermogen van de verbrandingsmotor bedraagt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, op verzoek het gewicht van de elektromotor en de daarbij behorende accu’s niet meegerekend bij het vaststellen van de eigen massa van het motorrijtuig. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 23
1.

Voor een personenauto bedraagt de belasting:

bij een eigen massa in kilogrammen van over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met per 100 kg eigen massa boven
500 of minder € 11,62
600 € 15,74
700 € 20
800 € 26,12
900 tot en met 3200 € 34,75 € 9,35 900 kg
3300 en meer € 256,47 € 6,50 3300 kg
2.

De belasting voor een personenauto die is bestemd om te worden aangedreven door een kracht die niet uitsluitend wordt ontleend aan benzine wordt verhoogd met een brandstoftoeslag. De brandstoftoeslag bedraagt bij aandrijving door een kracht die:

3.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, bedraagt de aldaar bedoelde brandstoftoeslag: nihil bij een eigen massa van 800 kg of minder en € 9,98 bij een eigen massa van 900 kg of meer, vermeerderd met € 9,98 per 100 kg eigen massa boven 900 kg bij aandrijving door een kracht die wordt ontleend aan aardgas en eveneens bij aandrijving door een kracht die wordt ontleend aan vloeibaar gemaakt petroleumgas, indien:

Artikel 24

Voor een bestelauto bedraagt de belasting:

bij een eigen massa in kilogrammen van over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met per 100 kg eigen massa boven
500 of minder € 8,35
600 tot en met 1000 € 14,30 € 4,17 600 kg
1100 tot en met 2000 € 35,23 € 4,48 1100 kg
2100 tot en met 2700 € 80,41 € 4,82 2100 kg
2800 en meer € 112,36 € 1,11 2800 kg
Artikel 25

Voor een motorrijwiel bedraagt de belasting over een tijdvak van drie maanden € 20,45.

Artikel 25a

Voor een vrachtauto bedraagt de belasting:

Bij een toegestane maximum massa in kilogrammen van over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden over een tijdvak van drie maanden
zonder koppelinrichting zonder koppelinrichting zonder koppelinrichting zonder koppelinrichting zonder koppelinrichting zonder koppelinrichting met koppelinrichting met koppelinrichting met koppelinrichting met koppelinrichting
zonder luchtvering zonder luchtvering zonder luchtvering met luchtvering met luchtvering met luchtvering zonder luchtvering zonder luchtvering met luchtvering met luchtvering
met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen met aantal assen
2 3 4 of meer 2 3 4 of meer 2 3 of meer 2 3 of meer
Minder dan 15 000 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59
15 000 tot 23 000 € 71 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59
23 000 tot 25 000 € 88 € 88 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59 € 59
25 000 tot 27 000 € 88 € 88 € 59 € 59 € 59 € 59 € 79 € 59 € 59 € 59
27 000 tot 29 000 € 93 € 93 € 93 € 59 € 59 € 59 € 79 € 59 € 59 € 59
29 000 tot 31 000 € 137 € 137 € 137 € 93 € 93 € 93 € 86 € 84 € 59 € 59
31 000 tot 33 000 € 137 € 137 € 137 € 93 € 93 € 93 € 119 € 84 € 86 € 59
33 000 tot 36 000 € 137 € 137 € 137 € 93 € 93 € 93 € 179 € 116 € 119 € 84
36 000 tot 38 000 € 137 € 137 € 137 € 93 € 93 € 93 € 179 € 116 € 119 € 84
38 000 tot 40 000 € 137 € 137 € 137 € 93 € 93 € 93 € 179 € 159 € 131 € 116
40 000 en meer € 137 € 137 € 137 € 93 € 93 € 93 € 235 € 235 € 179 € 159

waarbij voor de luchtvering geldt dat deze zich bevindt op de aangedreven assen en onder luchtvering mede wordt verstaan daaraan als gelijkwaardig erkende vering als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn.

Artikel 25b

Voor een motorrijtuig dat wordt gebruikt in de uitoefening van de detailhandel en dat is voorzien van een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte die blijvend is ingericht als winkel en uitsluitend als zodanig wordt gebruikt, bedraagt de belasting, in afwijking van het in deze afdeling bepaalde en onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met overeenkomstige toepassing van artikel 22, over een tijdvak van drie maanden € 44,36, vermeerderd met € 4,44 per 1000 kg toegestane maximum massa boven 11 000 kg.

Artikel 26

Voor een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig dat in Nederland feitelijk ter beschikking staat van een houder die niet in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd, bedraagt de belasting:

over een tijdvak van de belasting over een tijdvak van drie maanden gedeeld door
1 dag 25
3 dagen 10
15 dagen 5.

De belasting bedraagt ten minste € 11.

Artikel 27

Bij wijziging van de tenaamstelling van een kentekenbewijs wegens wisseling van de houder van het motorrijtuig en bij beëindiging van een schorsing bedraagt de belasting voor het motorrijtuig over het korte tijdvak een evenredig gedeelte van de belasting over een tijdvak van drie maanden. Voor de toepassing van dit artikel wordt een maand gesteld op dertig dagen.

Artikel 28

De belasting die in één keer over vier aaneensluitende tijdvakken wordt betaald voor een personenauto, een bestelauto of een vrachtauto waarvoor een kenteken is opgegeven, wordt per tijdvak van drie maanden verminderd met € 3.

Artikel 29

Voor een motorrijwiel waarvoor een kenteken is opgegeven bedraagt de belasting die in één keer over vier aaneensluitende tijdvakken wordt betaald, een bedrag gelijk aan twee maal de ingevolge artikel 25 verschuldigde belasting over een tijdvak van drie maanden.

Artikel 30
1.

Voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven dat:

bedraagt de belasting die in één keer over vier aaneensluitende tijdvakken wordt betaald een bedrag gelijk aan de ingevolge de artikelen 23, 24, 25 of 25a verschuldigde belasting over een tijdvak van drie maanden.Artikel 28 is niet van toepassing.

2.

Indien een kampeerauto, bedrijfsmatig wordt verhuurd, bedraagt de belasting in afwijking in zoverre van het eerste lid twee maal de ingevolge artikel 23 verschuldigde belasting over een tijdvak van drie maanden. Artikel 28 is niet van toepassing.

3.

Het eerste lid, onderdelen c en f, is niet van toepassing op een vrachtauto waarvan de toegestane maximum massa hoger is dan 11 000 kg, tenzij wordt voldaan aan met betrekking tot de vrachtauto bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld met betrekking tot het gebruik van de weg en de bestemming, het uiterlijk en de inrichting van het motorrijtuig. Met betrekking tot een kampeerauto of een woonwagen worden geen beperkingen gesteld aan de mate van het gebruik van de weg.

Artikel 31

In afwijking van het in deze afdeling bepaalde bedraagt de belasting nihil voor een motorrijtuig dat is ingericht en bestemd om uitsluitend te worden aangedreven door een elektromotor mits de elektrische energie uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel wordt geleverd, of door een verbrandingsmotor die kan worden gevoed met waterstof.

Artikel 32

Vervallen

Afdeling 7. Naheffing

Artikel 33
1.

Bij constatering van het feit dat voor een motorrijtuig geen aanvraag is gedaan om aanpassing van het kentekenbewijs aan een verandering aan het motorrijtuig waardoor de belasting hoger wordt, kan de ter zake van die verandering te weinig geheven belasting worden nageheven.

2.

De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd.

3.

Indien blijkt dat:

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een maand gesteld op dertig dagen.

Artikel 34
1.

Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven.

2.

De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

3.

Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.

4.

Indien blijkt dat een verandering aan het motorrijtuig waardoor een hoger bedrag aan belasting verschuldigd is dan vóór die verandering, niet was aangebracht over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden wordt over dat gedeelte de ter zake van die verandering meer verschuldigde belasting niet nageheven.

5.

Artikel 33, vierde lid, is van toepassing.

6.

De na te heffen belasting wordt verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald en voorzover voor de belasting over die periode geen aanspraak op teruggaaf van belasting bestaat.

Artikel 35
1.

Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de belasting worden nageheven.

2.

De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

3.

Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.

4.

Artikel 33, vierde lid, is van toepassing.

5.

De na te heffen belasting wordt verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald en voorzover voor de belasting over die periode geen aanspraak op teruggaaf van belasting bestaat.

6.

Voor de heffing van de belasting wordt de schorsing als beëindigd beschouwd met ingang van de laatste dag van het tijdvak waarin het gebruik van de weg met het motorrijtuig is geconstateerd.

Artikel 35a

Indien

wordt de belasting waarvan krachtens artikel 20, tweede lid, teruggaaf is verleend alsmede de te weinig geheven belasting nageheven.

Artikel 36

Bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig waarvoor de belasting over vier aaneensluitende tijdvakken is betaald op de voet van artikel 30 niet wordt voldaan aan de krachtens dat artikel gestelde voorwaarden, kan de belasting die zonder toepassing van dat artikel meer verschuldigd zou zijn geweest over die vier tijdvakken worden nageheven.

Artikel 37

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 33, 34, 35 en 36, is artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IIA. TERUGGAAF BEDRIJFSVOERTUIGENPARK

Afdeling 1. Recht op teruggaaf

Artikel 37a
1.

Op verzoek van de houder aan wie de inspecteur een vergunning heeft verleend voor een bedrijfsvoertuigenpark, kan teruggaaf worden verleend van een gedeelte van de belasting die is betaald voor de vrachtauto’s die deel uitmaken van het bedrijfsvoertuigenpark.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk kan de inspecteur op verzoek onder houder tevens verstaan een eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Afdeling 2. Vergunning bedrijfsvoertuigenpark

Artikel 37b
1.

De inspecteur kan op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking een vergunning voor een bedrijfsvoertuigenpark verlenen.

2.

De vergunning kan slechts worden verleend indien is voldaan aan de navolgende voorwaarden.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de verlening van de vergunning nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld.

5.

De vergunning kan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden ingetrokken ingeval:

Afdeling 3. Bedrag van de teruggaaf

Artikel 37c
1.

De teruggaaf bedraagt over het in artikel 37b, vierde lid, onderdeel a, bedoelde jaar het verschil tussen de betaalde belasting voor de vrachtauto's die in dat jaar of gedeelten daarvan deel hebben uitgemaakt van het bedrijfsvoertuigenpark en de som van de tarieven die per jaar of gedeelten daarvan voor die vrachtauto's ingevolge de richtlijn minimaal zouden moeten worden betaald, met dien verstande dat per vrachtauto het hoogste tarief wordt genomen van de tarieven die zouden gelden in combinatie met elk van de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen aanhangwagens. Indien het hoogste tarief per jaar volgens de richtlijn lager zou zijn dan € 224 bepaalt de inspecteur dat tarief op € 224 of op het evenredig deel daarvan dat overeenstemt met het deel van het jaar waarover de belasting is geheven.

2.

De inspecteur beslist op een verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Afdeling 4. Boetebepaling

Artikel 37d

Bij constatering van gebruik van de weg met een vrachtauto die deel uitmaakt van een bedrijfsvoertuigenpark en die is verbonden met een aanhangwagen die geen deel uitmaakt van het bedrijfsvoertuigenpark:

Afdeling 5. Aanvullende bepalingen

Artikel 37e

Voor de toepassing van het in dit hoofdstuk bepaalde, wordt de toegestane maximum massa van een aanhangwagen afgerond tot het naaste duizendtal kilogrammen, met dien verstande dat een gedeelte van 1000 kg naar beneden wordt afgerond.

Artikel 37f

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de wijze en het tijdstip waarop de in dit hoofdstuk genoemde verzoeken worden ingediend, ten aanzien van de in de verzoeken te verstrekken gegevens, en ten aanzien van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.

Hoofdstuk III. Autobussen

Afdeling 1. Belastingplichtige

Artikel 38

De belasting voor een autobus wordt geheven van degene die het motorrijtuig houdt.

Artikel 39

De artikelen 7, 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2. Wijze van heffing

Artikel 40
1.

Het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald is drie of twaalf maanden.

2.

Een tijdvak vangt aan met ingang van de eerste of de zestiende dag van een kalendermaand.

3.

Voor een in het buitenland geregistreerde autobus van een houder die niet in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd welke autobus in Nederland feitelijk ter beschikking staat kan de belasting, in afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, ook worden betaald over een tijdvak van 1, 3 of 15 dagen.

Artikel 41
1.

De belasting moet op aangifte worden voldaan.

2.

In afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet de belasting worden betaald voordat het rijden op de weg met de autobus aanvangt.

Artikel 42

In afwijking van het in deze afdeling bepaalde bedraagt de belasting nihil voor een autobus die is ingericht en bestemd om uitsluitend te worden aangedreven door een elektromotor mits de elektrische energie uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel wordt geleverd, of door een verbrandingsmotor die kan worden gevoed met waterstof.

Afdeling 3. Teruggaaf en verrekening

Artikel 43
1.

Teruggaaf van belasting wordt verleend over de op het tijdstip van een daartoe strekkend verzoek nog niet ingetreden halve maanden van het tijdvak.

2.

In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt onder een halve maand verstaan een periode van de eerste tot en met de vijftiende dan wel van de zestiende tot en met de laatste dag van een kalendermaand.

Artikel 44
1.

Bij vervanging van een autobus door een andere autobus wordt de voor de vervangen autobus betaalde belasting, voorzover deze betrekking heeft op de nog niet verstreken halve maanden van het tijdvak, op verzoek verrekend met de belasting over die halve maanden voor de vervangende autobus. Voorzover de voor verrekening in aanmerking komende belasting de voor het vervangende motorrijtuig verschuldigde belasting overtreft, vindt teruggaaf van het verschil in belasting plaats met dien verstande, dat deze teruggaaf alleen wordt verleend over nog niet ingetreden halve maanden.

2.

Een autobus die een zodanige verandering heeft ondergaan dat de verschuldigde belasting hoger of lager is dan die vóór de verandering aan het motorrijtuig wordt voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn vervangen.

Artikel 45
1.

De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf of verrekening bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2.

Bedragen van € 5 en minder worden niet terugbetaald.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47
1.

Voor een autobus bedraagt de belasting, met overeenkomstige toepassing van artikel 22:

bij een eigen massa in kilogrammen van over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met per 100 kg eigen massa boven
1000 of minder € 23,12
1100 tot en met 2600 € 26,09 € 2,97 1100 kg
2700 en meer € 73,18 € 0,96 2700 kg
2.

De belasting bedraagt nihil voor een autobus die hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het openbaar vervoer, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000, en die is bestemd om hoofdzakelijk te worden aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in artikel 26, zesde lid, van de Wet op de accijns of aan aardgas.

Artikel 48

Voor een in het buitenland geregistreerde autobus van een houder die niet in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd dat in Nederland feitelijk ter beschikking staat is artikel 26 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 49

De belasting over een tijdvak van twaalf maanden bedraagt het viervoud van die over een tijdvak van drie maanden, verminderd met € 3 per tijdvak van drie maanden.

Artikel 50
1.

Voor een autobus die in de uitoefening van een bedrijf, niet zijnde een lease- of verhuurbedrijf van motorrijtuigen, wordt gebruikt als reserve-motorrijtuig, bedraagt de belasting die over een tijdvak van twaalf maanden wordt betaald een bedrag gelijk aan de ingevolge artikel 47 verschuldigde belasting over een tijdvak van drie maanden. Artikel 49 is niet van toepassing.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld met betrekking tot het gebruik van de weg en de bestemming van de autobus.

Artikel 51

Vervallen

Artikel 51a

Vervallen

Afdeling 5. Naheffing

Artikel 52
1.

Bij constatering van het feit dat met een autobus op de weg wordt gereden waarvoor de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven.

2.

De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de laatste dag van de halve maand waarin het rijden op de weg wordt geconstateerd.

3.

Indien blijkt dat de autobus over een gedeelte van de tijdsduur van twaalf maanden niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.

4.

De na te heffen belasting wordt verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor de autobus is betaald en voorzover voor de belasting over die periode geen aanspraak op teruggaaf van belasting bestaat.

5.

Voor de vaststelling van de niet of te weinig betaalde belasting zijn bepalend de in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994 voorkomende gegevens, zulks met inachtneming van de verschillen die bij ambtelijk onderzoek zijn vastgesteld.

6.

De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de bestuurder ingeval degene die de autobus houdt aannemelijk maakt, dat daarvan tegen zijn wil is gebruik gemaakt en hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

Artikel 53

Met betrekking tot een autobus waarvoor de belasting over een tijdvak van twaalf maanden is betaald op de voet van artikel 50 is artikel 36 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 54

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 52 en 53, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV. Personenauto's, bestelauto’s en autobussen, verbonden met een aanhangwagen

Artikel 55
1.

Voor een motorrijtuig – welk begrip in dit hoofdstuk uitsluitend omvat een personenauto, een bestelauto of een autobus – dat is verbonden met één of meer aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, wordt de belasting vermeerderd voor elk van die aanhangwagens.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van aanhangwagens die zijn ingericht en worden gebruikt als caravan, kampeeraanhangwagen of woonwagen.

Artikel 56
1.

De vermeerdering van de belasting bedraagt, met overeenkomstige toepassing van artikel 22, over een tijdvak van drie maanden € 5,42, vermeerderd met € 1,13 per 100 kg eigen massa van de aanhangwagen boven 500 kg.

2.

Indien met betrekking tot het motorrijtuig het bepaalde in de artikelen 26, 30, 48 of 50 toepassing vindt, geldt dit mede voor de vermeerdering van de belasting.

3.

Met betrekking tot de vermeerdering van de belasting zijn deartikelen 30 en 50 van overeenkomstige toepassing ingeval die artikelen geen toepassing vinden voor het motorrijtuig zelf.

Artikel 57

De vermeerdering van de belasting met betrekking tot een personenauto of een bestelauto moet op afzonderlijke aangifte worden voldaan.

Artikel 58

De vermeerdering van de belasting met betrekking tot een autobus kan worden voldaan op de in artikel 41, eerste lid, bedoelde aangifte dan wel op afzonderlijke aangifte.

Artikel 59

Met betrekking tot de vermeerdering van de belasting die wordt voldaan op afzonderlijke aangifte zijn de artikelen 32, 40, 41, tweede lid, 43, 44, 45 en 51 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 60

Met betrekking tot de naheffing van de vermeerdering van de belasting die wordt voldaan op afzonderlijke aangifte zijn de artikelen 36, 52 en 53 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die de aanhangwagen houdt ingeval degene die het motorrijtuig houdt niet bekend is.

Artikel 61

In het geval, bedoeld in artikel 60, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk V. Motorrijtuigen in een bedrijfsvoorraad of bij een herstelbedrijf

Afdeling 1. Belastingplichtige

Artikel 62

De belasting voor een kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

Afdeling 2. Wijze van heffing

Artikel 63
1.

Het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald is drie maanden.

2.

Het tijdvak vangt aan met ingang van de dag van dagtekening van de tenaamstelling van het kentekenbewijs behorende bij een kenteken als bedoeld in artikel 62 en telkenmale drie maanden later.

Artikel 64

De artikelen 14, 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3. Aangifte

Artikel 65

De aanvraag om afgifte van een kentekenbewijs behorende bij een kenteken als bedoeld in artikel 62 wordt aangemerkt als het doen van aangifte. De aangifte geldt voor de tijdvakken dat het bijzondere kenteken te naam is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994.

Afdeling 4. Teruggaaf

Artikel 66
1.

Teruggaaf van belasting wordt verleend over de tijdvakken die nog niet zijn aangevangen op het tijdstip waarop de tenaamstelling van een kentekenbewijs behorende bij een kenteken als bedoeld in artikel 62 vervalt, alsmede over het lopende tijdvak, voorzover dit op dat tijdstip niet is verstreken.

2.

artikel 18, vierde, vijfde en zesde lid “artikel” moet zijn “Artikel”., is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5. Tarief

Artikel 67

Voor een kenteken als bedoeld in artikel 62 bedraagt de belasting over een tijdvak van drie maanden het bedrag, opgenomen in artikel 23, eerste lid, voor een personenauto met een eigen massa van 1000 kg.

Artikel 68

De belasting die voor een kenteken als bedoeld in artikel 62 in één keer over vier aaneensluitende tijdvakken wordt betaald, wordt per tijdvak van drie maanden verminderd met € 3.

Afdeling 6. Naheffing

Artikel 69
1.

Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad of met een motorrijtuig dat voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf is zonder dat is voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, gestelde voorwaarden, kan de belasting worden nageheven.

2.

De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

3.

De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de bestuurder ingeval degene tot wiens bedrijfsvoorraad het motorrijtuig behoort of degene die het herstelbedrijf uitoefent aannemelijk maakt, dat van het motorrijtuig tegen zijn wil gebruik is gemaakt en hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

Artikel 70

In het geval, bedoeld in artikel 69, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VI. Vrijstellingen

Artikel 71
1.

Vrijstelling van belasting wordt op verzoek verleend voor:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de inrichting en de uiterlijke herkenbaarheid van de motorrijtuigen, bedoeld in het eerste lid.

3.

De inspecteur beslist op een verzoek om vrijstelling van belasting bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Artikel 72
1.

Vrijstelling van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen:

2.

De voorwaarde dat het motorrijtuig wordt gehouden door een openbaar lichaam kan in de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur alleen worden gesteld voor de vrijstellingen genoemd in het eerste lid, onderdelen c, d, voorzover het betreft de politie, f, g en i.

Artikel 73

Vrijstelling van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die:

Artikel 74
1.

Vrijstelling van een gedeelte van de belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, verleend voor vrachtauto’s die worden gebezigd in het gecombineerde rail-wegvervoer van goederen tussen lidstaten van de Europese Unie. De vrijstelling wordt verleend voor het gedeelte van de over een tijdvak verschuldigde belasting dat overeenkomt met het aantal dagen van het tijdvak waarop de vrachtauto en de aanhangwagen per trein zijn vervoerd.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt een maand gesteld op dertig dagen.

Artikel 75
1.

Indien met betrekking tot het motorrijtuig het bepaalde in de artikelen 71, 72 of 73 toepassing vindt, geldt dit mede voor de vermeerdering van de belasting voor het motorrijtuig ter zake van het verbonden zijn met een aanhangwagen.

2.

Met betrekking tot de vermeerdering van de belasting van een motorrijtuig ter zake van het verbonden zijn met een aanhangwagen is artikel 72 van overeenkomstige toepassing ingeval dat artikel geen toepassing vindt voor het motorrijtuig zelf.

Artikel 76
1.

Bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden kan de belasting worden nageheven.

2.

De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd.

3.

Indien blijkt dat het motorrijtuig over een gedeelte van de tijdsduur van de vier tijdvakken niet op naam heeft gestaan van degene die het motorrijtuig houdt, wordt over dat gedeelte de belasting niet nageheven.

4.

De na te heffen belasting wordt verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald en voorzover voor de belasting over die periode geen aanspraak op teruggaaf van belasting bestaat.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt een maand gesteld op dertig dagen.

Artikel 77

In het geval, bedoeld in artikel 76, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VII. Controle

Artikel 78

Op eerste vordering van ambtenaren van de rijksbelastingdienst of van opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat te doen stilstaan.

Artikel 79
1.

De in artikel 78 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een motorrijtuig te onderwerpen aan een onderzoek en het daartoe te brengen of te doen brengen naar een nabij gelegen plaats. De bestuurder van het motorrijtuig en bij diens afwezigheid degene die het motorrijtuig houdt, is verplicht desgevorderd zijn voor het onderzoek en het vervoer noodzakelijke medewerking te verlenen en de ambtenaren met het motorrijtuig te vervoeren.

2.

Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een met een motorrijtuig verbonden aanhangwagen.

Hoofdstuk VIII. Bijzondere bepalingen

Artikel 80

Behoudens wettige bevoegdheid tot heffing van tol, de bevoegdheid van de provincies ingevolge de Provinciewet tot het heffen van opcenten op de motorrijtuigenbelasting en de bevoegdheid van de gemeenten ingevolge de Gemeentewet tot het heffen van parkeerbelastingen, wordt ter zake van het gebruik van de weg met motorrijtuigen geen belasting geheven door andere publiekrechtelijke lichamen dan het Rijk.

Artikel 81

De artikelen 8 en 10, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijven buiten toepassing.

Artikel 82

Het bedrag aan belasting en de daarop geheven toeslagen en opcenten tezamen wordt naar beneden afgerond op gehele euro’s. Bedragen met betrekking tot een teruggaaf van belasting worden naar boven afgerond op gehele euro’s.

Artikel 83

Bij wijziging van het tarief van de belasting vindt de tariefwijziging geen toepassing voor dat gedeelte van de voor een motorrijtuig over een of meer tijdvakken geheven belasting dat is gelegen na het tijdstip met ingang waarvan de wijziging van toepassing is.

Artikel 84

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wet nadere regels worden gesteld ter aanvulling van in deze wet geregelde onderwerpen.

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Artikel 85

De inwerkingtreding van deze wet wordt bij wet geregeld.

Artikel 86

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.