Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie

Type AMvB
Publication 2026-04-18
Laatst bijgewerkt 2026-04-21
State In force
Source BWB
artikelen 125
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3219;

Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;

De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0763;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/419;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

1.

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker;
  • ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel en de ambtenaar in opleiding gedurende het theoretisch opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gelijk wordt gesteld aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012;
  • ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012, waarbij voor de toepassing van dit besluit de directeur van de Politieacademie, zijn plaatsvervanger en de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche, wordt gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012;
  • arbeidsongeschiktheidspensioen: een ABP arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van het Pensioenreglement;
  • arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
  • deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week omvat;
  • functie: het samenstel van door de ambtenaar te verrichten opgedragen werkzaamheden, zoals vastgelegd in het LFNP;
  • herplaatsen: het op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opdragen van een andere functie of de eigen functie onder andere voorwaarden;
  • herplaatsingtoelage: een herplaatsingtoelage als bedoeld in bijlage 4 van het Pensioenreglement;
  • LFNP: Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie: het door Onze Minister vastgestelde geheel van functiebeschrijvingen, onderverdeeld naar vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten;
  • maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;
  • Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
  • OVW periodieken: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden periodieken, welke kunnen worden toegewezen op grond van artikel 9a;
  • OVW punten: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten, zoals die met toepassing van het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, worden vastgesteld;
  • passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
  • pensioengevend inkomen: het pensioengevend inkomen, bedoeld in hoofdstuk 7.1.1 van het Pensioenreglement vermeerderd met de toelagen genoemd in de artikelen 12b, 12c en 12d;
  • Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
  • salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van één van de bijlagen van dit besluit, inclusief de op grond van artikel 9a toegekende periodieken;
  • salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal, die in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;
  • salarisschaal: een als zodanig in één van de bijlagen van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen;
  • salaris per uur: 1/157 deel van het salaris bij een volledige betrekking;
  • toelagen: alle toelagen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
  • vakantiewerker: degene die ten tijde van onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie voor een periode van ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van ondersteunende werkzaamheden;
  • uitkeringen: alle uitkeringen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
  • vergoedingen: alle vergoedingen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
  • volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week omvat;
  • WIA-uitkering: een uitkering op grond van de WIA;
2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de niet-gehuwde ambtenaar die met een levenspartner samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.

Artikel 2

De toekenning, de intrekking, de verhoging onderscheidenlijk de vermindering van het salaris, de toelagen, de vergoedingen, de uitkeringen, de tegemoetkoming in de representatiekosten, het salaris van de aspirant, en de gratificatie geschieden door het bevoegd gezag.

Artikel 3

1.

Gedurende het eerste leerjaar ontvangen aspiranten een tegemoetkoming voor de opleiding ter hoogte van een bij het opleidingsniveau genoemd bedrag als bedoeld in bijlage IV van dit besluit.

2.

Gedurende het eerste leerjaar hebben de aspiranten geen recht op de toelagen en vergoedingen genoemd in dit besluit, met uitzondering van de operationele toelage bedoeld in artikel 14.

3.

Gedurende het tweede leerjaar ontvangen:

  • a. aspiranten die vanaf 1 januari 2021 beginnen met een opleiding op niveau 4 tijdens de eerste zes maanden het salaris behorend bij de eerste regel bij schaal 4a in bijlage II van dit besluit en tijdens de tweede zes maanden het salaris behorend bij de tweede regel bij schaal 4a in bijlage II;
  • b. de overige aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage V van dit besluit.
4.

Gedurende het derde leerjaar ontvangen aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage VI van dit besluit.

5.

Gedurende het vierde leerjaar ontvangen aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage II van dit besluit.

6.

Gedurende het tweede en, indien van toepassing, derde en vierde leerjaar is artikel 50, eerste lid, van toepassing.

7.

Gedurende de gehele opleiding is op de aspirant artikel 17a niet van toepassing.

8.

Na het succesvol afronden van de opleiding vindt aanstelling plaats:

  • a. in een functie waaraan salarisschaal 4 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 2;
  • b. in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 3;
  • c. in een functie waaraan salarisschaal 7 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 4;
  • d. in een functie waaraan salarisschaal 8 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 6;
  • e. in een functie waaraan salarisschaal 9 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 7,

waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan het bij het desbetreffende opleidingsniveau behorende garantiebedrag, genoemd in bijlage III van dit besluit.

9.

In afwijking van het achtste lid, onder c, vindt de aanstelling van de aspirant in het vakgebied GGP, die op of na 1 januari 2021 met de opleiding is gestart en deze op niveau 4 heeft afgerond, plaats in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden. Daarbij geldt het garantiebedrag behorende bij opleidingsniveau 3, genoemd in bijlage III.

10.

De bedragen, genoemd in bijlage IV, worden gewijzigd conform artikel 17, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000.

11.

Dit artikel is niet van toepassing op de aspirant die in de twee jaar direct voorafgaand aan zijn aanstelling gemiddeld per maand een aan arbeid gerelateerd inkomen heeft genoten van ten minste € 1.462,75.

Op deze aspirant is artikel 3a van toepassing. In dit artikellid wordt onder aan arbeid gerelateerd inkomen verstaan inkomen verkregen uit:

  • a. arbeid in loondienst;
  • b. de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep;

Artikel 3 bis

Vervallen

Artikel 3bis a

Vervallen

Artikel 3a

1.

Voor de aspirant, genoemd in artikel 3, elfde lid, geldt een salarisschaal als bedoeld in bijlage II van dit besluit.

2.

Bij de aanstelling wordt het salaris vastgesteld:

  • a. op het minimumbedrag van schaal 2a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 2;
  • b. op het minimumbedrag van schaal 3a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 3;
  • c. op het minimumbedrag van schaal 4a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 4;
  • d. op het minimumbedrag van schaal 5a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 6;
  • e. op het minimumbedrag van schaal 6a, voor de aspirant die een opleiding volgt op niveau 7.
3.

In afwijking van het eerste en tweede lid wordt voor de aspirant die in de twaalf maanden direct voorafgaand aan de datum van aanstelling in totaal een hoger gemiddeld aan arbeid gerelateerd inkomen genoot dan het salaris dat op grond van het tweede lid voor hem zou worden vastgesteld en waarbij dat totaal aan arbeid gerelateerd genoten inkomen gelijk is aan of hoger is dan regel 2 van de betreffende salarisschaal, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, het salaris bij aanstelling zodanig vastgesteld dat het salaris, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, gelijk is aan dan wel direct ligt onder het totaal aan arbeid gerelateerd genoten inkomen:

  • a. in de volgens het tweede lid bij het opleidingsniveau behorende salarisschaal, of, indien die salarisschaal niet toereikend is;
  • b. in de na afronding van de opleiding toepasselijke salarisschaal, bedoeld in het zevende lid, met dien verstande dat het salaris ten hoogste wordt vastgesteld op salarisregel 6 van de salarisschalen 4, 8 of 9, dan wel ten hoogste op salarisregel 7 van de salarisschalen 6 of 7.
4.

Onder het totaal aan arbeid gerelateerd inkomen, bedoeld in het derde lid, wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3, elfde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering en met een eventuele eindejaarsuitkering of dertiende maand.

5.

Indien de aspirant, bedoeld in het tweede lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris telkens na het verstrijken van de periode die in de desbetreffende salarisschaal staat vermeld verhoogd tot het naasthogere bedrag in de schaal.

6.

Indien de aspirant

  • a. die is ingeschaald zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel a, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de schaal. Zodra het maximum van die salarisschaal is bereikt wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de na afronding van de opleiding toepasselijke salarisschaal, tot maximaal salarisregel 5 van die schaal.
  • b. die is ingeschaald zoals bedoeld in het derde lid, onderdeel b, naar het oordeel van het bevoegd gezag naar behoren functioneert, wordt het salaris telkens na één jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de na afronding van de opleiding toepasselijke salarisschaal, tot ten hoogste de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde salarisregel.
7.

Na het succesvol afronden van de opleiding vindt aanstelling plaats:

  • a. in een functie waaraan salarisschaal 4 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 2;
  • b. in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 3;
  • c. in een functie waaraan salarisschaal 7 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 4;
  • d. in een functie waaraan salarisschaal 8 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 6;
  • e. in een functie waaraan salarisschaal 9 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 7,

waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan het bij het desbetreffende opleidingsniveau behorende garantiebedrag, genoemd in bijlage III van dit besluit.

8.

In afwijking van het zevende lid, onder c, vindt de aanstelling van de aspirant in het vakgebied GGP, die op of na 1 januari 2021 met de opleiding is gestart en deze op niveau 4 heeft afgerond, plaats in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden. Daarbij geldt het garantiebedrag behorende bij opleidingsniveau 3, genoemd in bijlage III.

9.

Bij inschaling vanuit het maximumbedrag van schaal 4a respectievelijk 5a van bijlage II bij dit besluit in salarisschaal 6 respectievelijk salarisschaal 8 van bijlage I bij dit besluit, vindt inschaling plaats op salarisregel 3 respectievelijk salarisregel 1 van de desbetreffende salarisschaal.

10.

In uitzonderlijke individuele situaties kan het bevoegd gezag ten gunste van de aspirant afwijken van het tweede tot en met zesde lid.

Artikel 4

1.

Het salaris, de toelagen en de vergoedingen worden maandelijks betaald.

2.

De aanspraak op het salaris, de toelagen, de vergoedingen en de uitkeringen vangt aan met ingang van de dag waarop de aanstelling ingaat.

3.

Wanneer het salaris, een toelage als bedoeld in de artikelen 12b, 12c, 12d, 15, 16, 17, 19, 20 en 21 of een uitkering als bedoeld in artikel 23, tweede lid, moet worden berekend over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.

Artikel 4a

Vervallen

Artikel 4b

Vervallen

Artikel 5

De ambtenaar ontvangt geen bezoldiging over de tijd gedurende welke hij opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten.

Hoofdstuk 2. Salaris

Artikel 6

1.

Voor de ambtenaar geldt een salarisschaal.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de functies en de bij de functies behorende waardering.

3.

Indien nog geen sprake is van volledige functievervulling, geldt voor de ambtenaar voor de duur van een jaar een lagere salarisschaal dan voor hem op grond van het tweede lid zou gelden. Het bevoegd gezag kan beslissen om de periode van een jaar tot twee jaar te verlengen.

4.

Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een andere functie uitoefent, blijft de voordien voor de ambtenaar geldende salarisschaal van toepassing.

5.

Anders dan bij wijze van disciplinaire straf op grond van hoofdstuk IX van het Besluit algemene rechtspositie politie, kan zonder voorafgaand ontslag, niet zijnde een ontslag dat de ambtenaar is verleend om als aspirant een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding te gaan volgen of om als ambtenaar in opleiding een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding te gaan volgen, voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor de ambtenaar geldende salarisschaal.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing indien:

  • a. bij de bepaling van de salarisschaal, bedoeld in het tweede lid, tevens is bepaald dat de functie van de ambtenaar een tijdelijk karakter heeft en de salarisschaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden;
  • b. indien de ambtenaar in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte wordt herplaatst in een andere functie;
  • c. het salaris van de ambtenaar na het succesvol afronden van de opleiding wordt vastgesteld, met toepassing van artikel 3a, zevende lid;
7.

De lagere salarisschaal op grond van het zesde lid, onderdeel d, gaat niet eerder voor de ambtenaar gelden dan drie jaar nadat hij is herplaatst. Afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van drie jaar verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

dienstjaren: verlenging:
25 of meer dienstjaren één jaar
30 of meer dienstjaren twee jaren
35 of meer dienstjaren drie jaren
40 of meer dienstjaren vier jaren

Ingeval artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is, gaat de hiervoor genoemde termijn pas lopen vanaf het tijdstip dat de ambtenaar het tweede aanbod, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, dan wel het aanbod op het oorspronkelijke functieniveau voor invoering van het LFNP, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, heeft geweigerd.

8.

De lagere salarisschaal uit het zesde lid, onderdeel d, en het zevende lid, geldt niet indien de uitzondering van artikel 55ra van het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing is. De lagere salarisschaal geldt ook niet indien de ambtenaar niet op grond van het bepaalde in artikel 55ob van het Besluit algemene rechtspositie politie teruggeplaatst kan worden in een functie op zijn niveau van voor de invoering van het LFNP, omdat dit niveau niet passend is.

9.

De ambtenaar kan een aanvraag indienen bij het bevoegd gezag wanneer zijn feitelijke werkzaamheden ten minste één jaar wezenlijk afwijken van zijn huidige, aan hem opgedragen LFNP functie, om de feitelijke werkzaamheden overeen te laten komen met een andere LFNP functie. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld.

10.

Voor de ambtenaar die in het kader van een detachering, bedoeld in artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie, tijdelijk een andere functie uitoefent waaraan op grond van artikel 6, tweede lid, een hogere salarisschaal is verbonden, geldt deze hogere salarisschaal.

11.

De regeling bedoeld in het tweede lid is ook van toepassing in het kader van het vaststellen van de salarisschaal van passende arbeid bij arbeidsongeschiktheid. Hierbij is de eigen of een andere functie uit het LFNP, of een deel van één of meerdere functies uit het LFNP bepalend.

12.

Indien een herplaatsingkandidaat, bedoeld in artikel 55oa van het Besluit algemene rechtspositie politie drie jaar na plaatsing op een lagere passende functie nog geen twee maal een passende functie op het oude functieniveau, inclusief ten minste 24 OVW punten is aangeboden, behoudt hij zijn oorspronkelijke salarisschaal, de inmiddels verworven OVW periodieken en de aanspraak op eventueel nog mogelijke OVW periodieken.

13.

Indien een herplaatsingkandidaat, bedoeld in artikel 55oa van het Besluit algemene rechtspositie politie voor de tweede maal een aanbod van een passende functie op het niveau van de functie waarin hij was geplaatst voor aanwijzing als herplaatsingkandidaat, inclusief ten minste 24 OVW punten weigert, geldt met ingang van de eerste dag van de tweede maand nadat het tweede aanbod is gedaan, het salaris behorende bij de functie waarop de ambtenaar op dat moment is geplaatst.

Artikel 6a

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

1.

Bij de aanstelling wordt het salaris vastgesteld op het minimum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal van bijlage I bij dit besluit.

2.

Van het eerste lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.

3.

Bij de aanstelling van de korpschef wordt zijn salaris vastgesteld conform bijlage IA.

Artikel 9

1.

Het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd tot het naasthogere bedrag in de schaal, indien deze naar het oordeel van het bevoegd gezag de functie naar behoren vervult.

2.

Het salaris van de ambtenaar kan worden verhoogd tot een hoger bedrag in de schaal, indien deze naar het oordeel van het bevoegd gezag de functie zeer goed of uitstekend vervult.

3.

Vervult de ambtenaar de functie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet naar behoren, dan blijft de in het eerste lid bedoelde salarisverhoging achterwege.

4.

De in het eerste en tweede lid bedoelde salarisverhoging wordt voor de eerste maal toegekend met ingang van de eerste dag van de maand waarin sinds de aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar, tot het maximumsalaris van de geldende salarisschaal is bereikt.

5.

Het tijdstip waarop ingevolge het vierde lid een salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.

6.

Het oordeel van het bevoegd gezag over het vervullen van de functie door de ambtenaar, bedoeld in het tweede of derde lid, is gebaseerd op een bekrachtigde beoordeling als bedoeld in artikel 71, tweede en vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, die betrekking heeft op een tijdvak dat eindigt binnen een jaar vóór de datum van het oordeel, bedoeld in het tweede of derde lid.

7.

Voor de ambtenaar die na het succesvol afronden van de opleiding is aangesteld met toepassing van artikel 3, achtste lid, of artikel 3a, zevende lid, vindt de eerstvolgende salarisverhoging in afwijking van het vierde lid plaats een jaar na de laatste salarisverhoging, bedoeld in artikel 3, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 3a, vijfde of zesde lid.

8.

In afwijking van het zevende lid vindt voor de ambtenaar die tijdens de opleiding was ingeschaald op grond van artikel 3a, derde lid, onderdeel b, de eerstvolgende salarisverhoging plaats in de eerstvolgende kalendermaand na het voltooien van de opleiding waarin een geheel aantal jaren is verstreken sinds de aspirant het maximum salarisbedrag op grond van artikel 3a, zesde lid, onderdeel b, heeft bereikt.

Artikel 9a

1.

De ambtenaar die het maximum van de schaal behorende bij een functie met 24 of meer OVW punten, zoals opgenomen in bijlage VII, heeft bereikt, wordt, met behoud van deze schaal en met inachtneming van het tweede lid, extra periodieken ter hoogte van de in de volgende salarisschaal opgenomen periodieken toegekend.

2.

Het toekennen van de periodieken bedoeld in het eerste lid, gebeurt overeenkomstig artikel 9.

3.

Uitgezonderd van het eerste lid is:

  • a. de ambtenaar die een functie bekleedt welke wordt gewaardeerd met schaal 15 of hoger;
  • b. de ambtenaar die leiding geeft aan een onderdeel of team waarin hoofdzakelijk ambtenaren werken met een functie met minder dan 24 OVW punten, of
  • c. de ambtenaar die recht heeft op Flexibel Pensioen en Uittreden.
4.

Het verkrijgen van de periodieken als bedoeld in het eerste lid heeft geen gevolgen voor de aan de functie gekoppelde rang.

5.

De periodieken die op grond van dit artikel worden verkregen vervallen bij een vrijwillige overstap naar een functie met minder dan 24 OVW punten.

6.

In afwijking van het eerste en tweede lid komt de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 14 of lager geldt niet in aanmerking voor trede 15 van salarisschaal 15.

Artikel 10

1.

Ingeval van indeling in een hogere schaal wordt, met inachtneming van artikel 11, het salaris van de ambtenaar in de nieuwe schaal vastgesteld op het salaris gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar genoot.

2.

In bijzondere gevallen kan het salaris worden vastgesteld op een hoger bedrag in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.

3.

Indien de datum van indeling in de hogere schaal samenvalt met de datum waarop een verhoging als bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, plaatsvindt, vindt de indeling in de hogere schaal plaats voor de verhoging, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid.

4.

Indien de ambtenaar OVW periodieken heeft verkregen en er sprake is van een vrijwillige overstap naar een functie met minder dan 24 OVW punten, vervallen de verkregen OVW periodieken en worden deze niet meegenomen in de berekening bedoeld in het eerste lid.

Artikel 11

Het salaris van de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige betrekking.

Hoofdstuk 3. Gratificatie

Artikel 12

1.

Bij bijzondere prestaties kan een gratificatie worden toegekend.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

Hoofdstuk 3. Gratificatie

Artikel 12a

In dit hoofdstuk en hoofdstuk 3b wordt onder «berekeningsgrondslag» verstaan: de uitkomst van het pensioengevend inkomen, berekend zonder de toelagen, bedoeld in de artikelen 12b, 12c en 12d, en uitgaand van een volledige betrekkingsomvang, gedeeld door twaalf.

Artikel 12b

1.

De ambtenaar heeft recht op een maandelijkse toelage inhoudende een algemene levensloopbijdrage van 0,75% van de berekeningsgrondslag. Bij een deelbetrekking wordt de levensloopbijdrage berekend naar rato van de betrekkingsomvang.

2.

In afwijking van het eerste lid bedraagt het in het eerste lid genoemde percentage in 2006 0,45%.

3.

Geen recht op de toelage, bedoeld in het eerste lid, heeft de:

Hoofdstuk 3a. Bijdrage levensloopregeling

Artikel 12c

1.

Aan de volgende ambtenaren, voor wie een salarisschaal geldt die lager is dan salarisschaal 12 van bijlage I, wordt maandelijks een toelage bezwarende functie toegekend:

  • b. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
2.

Voor de ambtenaar in de functie van vlieger bij de Eenheid landelijke expertise en operaties wordt maandelijks de toelage bezwarende functie toegekend ongeacht de salarisschaal.

3.

De toelage bezwarende functie wordt toegekend voor de duur van maximaal 25 jaar en uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de AOW gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Op de maximale duur van 25 jaar wordt in mindering gebracht de periode waarover, voorafgaand aan de invoering van de toeslag bezwarende functie, rechten zijn genoten of opgebouwd waarvoor de toelage bezwarende functie in de plaats is gekomen.

4.

De toelage bezwarende functie bedraagt 1,8% van de berekeningsgrondslag. Bij een deelbetrekking wordt de toelage berekend naar rato van de betrekkingsomvang.

5.

In afwijking van het vierde lid bedraagt de toelage bezwarende functie in 2006 1,6% van de berekeningsgrondslag. Bij een deelbetrekking wordt de toelage berekend naar rato van de betrekkingsomvang.

6.

Bij een onderbreking van het dienstverband en een nieuwe aanstelling in politiedienst wordt een eventueel bestaand recht op de toelage bezwarende functie voortgezet. Er ontstaat geen recht op een nieuwe termijn van 25 jaar.

7.

Geen recht op de toelage, bedoeld in het eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar:

Artikel 12d

1.

Aan de ambtenaar wordt maandelijks een inhaaltoelage bezwarende functie toegekend, indien de ambtenaar:

  • b. op 1 januari 2001 jonger was dan 50 jaar; en
  • c. vanaf 1 januari 2001 ononderbroken is aangesteld door een bevoegd gezag of opeenvolgend door meer dan één bevoegd gezag.
2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt niet als onderbreking aangemerkt:

  • a. een onderbreking van maximaal twee maanden;
  • b. een onderbreking van maximaal vijf jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid en het tijdstip waarop de ambtenaar wederom de hoedanigheid van ambtenaar heeft verworven;
  • c. een onderbreking van maximaal achttien maanden gelegen tussen een tijdstip met ingang waarvan de ambtenaar, al dan niet na ontslag, recht op een ontslaguitkering of een wachtgelduitkering of een uitkering op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, heeft verkregen en het tijdstip waarop die ambtenaar opnieuw de hoedanigheid van ambtenaar heeft verworven;
  • d. een onderbreking van maximaal vier jaren gelegen tussen het tijdstip van ontslag in verband met zorgtaken en het tijdstip waarop de ambtenaar opnieuw de hoedanigheid van ambtenaar heeft verworven.
3.

De inhaaltoelage bezwarende functie wordt toegekend tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

4.

De inhaaltoelage bezwarende functie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag. Het percentage wordt bepaald door het bevoegd gezag die daartoe wordt geadviseerd door de Stichting pensioenfonds ABP. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de berekeningsgrondslag.

5.

De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die bij eerste indiensttreding in een functie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, 35 jaar of ouder was, komt in aanmerking voor een aanvullend percentage bovenop het percentage, bedoeld in vierde lid. Het aanvullende percentage wordt bepaald door het bevoegd gezag die daartoe wordt geadviseerd door de Stichting pensioenfonds ABP. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld.

6.

In het geval de ambtenaar niet of niet volledig in het genot is van zijn volledige bezoldiging, heeft dit geen gevolgen voor de toekenning van de inhaaltoelage bezwarende functie.

7.

Eenmaal vastgesteld loopt de inhaaltoelage bezwarende functie door tot het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt dan wel de politie vóór die leeftijd verlaat. Veranderingen van functie, betrekkingsomvang, status of salarisschaal hebben geen effect op de duur en het vastgestelde percentage.

Hoofdstuk 3b. Toelage bezwarende functies

Artikel 12e

De ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken de bijdrage en toelagen, bedoeld in de artikelen 12b tot en met 12d, aan te wenden voor de ingevolge artikel 47a Besluit algemene rechtspositie politie getroffen levensloopvoorziening. Bij het uitblijven van een dergelijk verzoek keert het bevoegd gezag deze bijdragen en toelagen uit als onderdeel van de maandelijkse salarisbetaling.

Artikel 12f

1.

Onder ambtenaar in dit artikel wordt verstaan de ambtenaar, die op 1 januari 2006 recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2008 recht heeft verkregen op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2.

De ambtenaar kan het bevoegd gezag jaarlijks melden de bijdrage en toelagen, bedoeld in de artikelen 12b tot en met 12d, in afwijking van artikel 12e, te willen besteden, door:

  • a. geheel of gedeeltelijk verlof op te nemen;
  • b. de waarde van de levensloopbijdrage geheel of ten dele uit te laten betalen;
  • c. geheel of ten dele af te zien van de levensloopbijdrage; of
  • d. een combinatie van onderdelen a, b en c te kiezen.
3.

Indien de ambtenaar kiest voor besteding van de bijdrage en toelagen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, merkt het bevoegd gezag op zijn verzoek de levensloopbijdrage bij uitbetaling eenmalig niet als pensioengevend inkomen aan.

4.

Bij ministeriele regeling worden nadere regels gesteld over de melding, bedoeld in het tweede lid.

Hoofdstuk 3c. Te gelde maken algemene levensloopbijdrage, toelage bezwarende functie en inhaaltoelage bezwarende functie

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

1.

Aan de ambtenaar wordt een operationele toelage toegekend.

2.

De operationele toelage wordt berekend per periode van vier weken en bedraagt voor elk uur waarop de ambtenaar in opdracht van het bevoegd gezag werkelijke dienst verricht dan wel op grond van artikel 12, vijftiende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt geacht dienst te hebben verricht:

  • a. in het tijdvak van maandag tot en met vrijdagochtend van 21.00 tot 07.00 uur, op vrijdagavond van 21.00 tot 22.00 uur, en op zaterdag en zondag van 07.00 tot 22.00 uur, € 5,04; en
  • b. in het tijdvak van 22.00 tot 07.00 uur in de weekendnachtdiensten, daaronder begrepen de diensten in de nacht voor en de nacht na een weekend of een feestdag, genoemd in het derde lid, € 7,57.
3.

Hetgeen in het tweede lid ten aanzien van het verrichten van dienst op zaterdag en zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van dienst op de Nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd.

4.

De operationele toelage wordt in gevallen van ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof of van aangepaste werkzaamheden in verband met zwangerschap van de ambtenaar gesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de 13 perioden van vier weken, onmiddellijk voorafgaande aan de periode van vier weken waarin de ziekte, zwangerschap- en bevallingsverlof of aangepaste werkzaamheden in verband met zwangerschap zijn aangevangen, gemiddeld aan toelage op grond van dit artikel heeft genoten.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

6.

De operationele toelage voor de ambtenaar voor wie de hoogte van deze toelage eerder is vastgesteld met toepassing van het vierde lid, blijft in geval van ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof of aangepaste werkzaamheden in verband met zwangerschap van de ambtenaar, binnen vier weken na hervatting van zijn werkzaamheden ongewijzigd op die hoogte.

7.

De ambtenaar die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, wordt voor de toepassing van het vierde lid geacht volledig ongeschikt te zijn om zijn arbeid te verrichten. Zou de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar op grond van zijn daadwerkelijk verrichte diensten op grond van de eerste tot en met het derde lid een hogere operationele toelage hebben ontvangen dan overeenkomstig de eerste volzin met toepassing van het vierde lid is vastgesteld, dan heeft hij recht op een additionele toelage ter hoogte van het verschil tussen die twee bedragen.

Artikel 15

1.

De ambtenaar van wie de bezoldiging voldoet aan de volgende voorwaarden, wordt een aflopende toelage toegekend:

  • a. de bezoldiging van de betreffende ambtenaar heeft als gevolg van het beëindigen of verminderen van de operationele toelage een blijvende of tijdelijke verlaging ondergaan;
  • b. het gemiddelde bedrag dat de ambtenaar aan operationele toelage heeft genoten in de 13 perioden van vier weken voorafgaande aan de verlaging bedraagt ten minste 3% van het salaris van de ambtenaar in de nieuwe situatie op het moment dat de verlaging ingaat;
  • c. de ambtenaar heeft, tenzij sprake is van een tijdelijke verlaging van de bezoldiging als bedoeld onder a, direct voorafgaande aan het tijdstip van de beëindiging of de vermindering de operationele toelage gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking genoten; en
  • d. het beëindigen of verminderen van de operationele toelage, bedoeld onder a, is veroorzaakt buiten toedoen van de betrokken ambtenaar zelf, tenzij de vermindering het gevolg is van een verplaatsing of wijziging van de plaats van tewerkstelling op eigen verzoek, dan wel een aanstelling in een andere functie op eigen verzoek.
2.

In afwijking van het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het beëindigen of verminderen van de operationele toelage, bedoeld in artikel 14, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, mits de ambtenaar eerstbedoelde toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van deze beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten en mits wordt voldaan aan de in het eerste lid onder b en d genoemde voorwaarden.

3.

De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage na een blijvende verlaging van de bezoldiging gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking de operationele toelage, bedoeld in artikel 14 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het tweede lid.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

5.

Voor de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en geen door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt in het tweede en derde lid van dit artikel in plaats van «55 jaar» telkens gelezen: 60 jaar.

6.

Onze Minister stelt nadere regels vast over de berekeningswijze van de toelage en over de gevallen waarin sprake is van een blijvende of tijdelijke verlaging van de bezoldiging als bedoeld in het eerste lid.

7.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

Hoofdstuk 4. Inconveniëntentoelage

Artikel 16

1.

Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie kan voor de duur van een jaar een toelage worden toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt indien de salarisschaal niet meer dan schaal 14 bedraagt.

2.

Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie en daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan een toelage voor een langere duur dan een jaar worden toegekend.

3.

De toelage bedraagt voor de ambtenaar:

  • a. ingedeeld in schaal 1 tot en met 9 van bijlage I van dit besluit: ten hoogste 6% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris;
  • b. ingedeeld in schaal 10, 11, 12 of 13 van bijlage I van dit besluit: ten hoogste 9% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris;
  • c. ingedeeld in schaal 14 van bijlage I van dit besluit: ten hoogste 12% van het voor de ambtenaar geldende maximumsalaris.

Artikel 16a

1.

Aan de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt kan het bevoegd gezag een incidentele toelage toekennen vanwege uitzonderlijke prestaties die het voldoende functioneren overtreffen.

2.

De toekenning uit het eerste lid is alleen mogelijk in de volgende situaties:

  • a. het behalen van uitzonderlijke resultaten waarover vooraf werk- en prestatieafspraken zijn gemaakt; of
  • b. het leveren van eenmalige onvoorziene uitzonderlijke prestaties.
3.

De incidentele toelage bedraagt op jaarbasis maximaal één maandsalaris.

Artikel 17

1.

Aan de ambtenaar die bij wijze van waarneming tijdelijk een functie uitoefent die bij toepassing van artikel 6, tweede lid, zou leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, kan voor de duur van die waarneming een toelage worden toegekend. Onder waarneming wordt verstaan het krachtens een daartoe strekkende aanwijzing van het bevoegd gezag tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere functie vormt dan die van de ambtenaar zelf.

2.

De toelage wordt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, slechts toegekend wanneer de waarneming een tijdvak van ten minste dertig dagen heeft geduurd.

3.

Bij volledige waarneming van de functie, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten, wanneer de salarisschaal met het hogere maximumsalaris met ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen, voor hem zou hebben gegolden. Onder volledige waarneming wordt verstaan een zodanige waarneming dat in plaats van de eigen functie het volledige samenstel van werkzaamheden van de waargenomen functie, met de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden, wordt uitgeoefend.

4.

Voor de toepassing van het derde lid wordt onder salaris mede verstaan de toelagen, bedoeld in de artikelen 14, 15, 18 en 20.

5.

Bij niet volledige waarneming wordt de toelage, afhankelijk van de mate van onvolledigheid van de waarneming, vastgesteld op 50% of 75% van de toelage bij volledige waarneming.

6.

De ambtenaar voor wie het een onderdeel is van de eigen functie om als plaatsvervanger op te treden van degene wiens functie moet worden waargenomen, komt bij niet volledige waarneming van die functie niet in aanmerking voor een toelage.

Artikel 17a

Indien het salaris per uur minder is dan het bedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt deze een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.

Artikel 17b

Vervallen

Artikel 18

1.

Aan de ambtenaar aan wie consignatie wordt opgelegd, wordt, behoudens het tweede lid, een toelage toegekend.

2.

Voor consignatie gedurende een tijdvak van korter dan een half uur boven de voor de ambtenaar vastgestelde dagelijkse diensttijd wordt geen toelage toegekend.

3.

De toelage voor consignatie bedraagt € 2,54 voor elk uur dat de ambtenaar consignatie is opgelegd.

4.

De in het derde lid genoemde toelage wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin consignatie is verricht.

5.

Van de in het vierde lid gestelde termijn kan worden afgeweken indien het dienstbelang dat vereist of, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, op verzoek van de ambtenaar. Voor de hier bedoelde gevallen wordt een nieuwe uiterste termijn vastgesteld.

6.

Indien een ambtenaar aan wie consignatie is opgelegd, binnen het tijdvak van consignatie werkzaamheden moet verrichten, is voor de duur van die werkzaamheden sprake van het verrichten van arbeid.

7.

Voor de toepassing van dit artikel worden gedeelten van uren, voorzover daarmee het half uur, bedoeld in het tweede lid, wordt overschreden, berekend over een periode van vier weken, opgeteld en naar boven afgerond op halve uren.

8.

De toelage voor consignatie wordt in geval van ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof of van aangepaste werkzaamheden in verband met zwangerschap van de ambtenaar gesteld op het bedrag dat de ambtenaar in de 13 perioden van vier weken, onmiddellijk voorafgaande aan de periode van vier weken waarin de ziekte, zwangerschap- en bevallingsverlof of aangepaste werkzaamheden in verband met zwangerschap zijn aangevangen, gemiddeld aan toelage op grond van dit artikel heeft genoten.

9.

Voor de toepassing van dit artikel berust het oordeel omtrent het dienstbelang bij het bevoegd gezag dan wel bij de door deze aangewezen ambtenaar.

10.

Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

11.

De toelage voor consignatie voor de ambtenaar voor wie de hoogte van deze toelage eerder is vastgesteld met toepassing van het achtste lid, blijft in geval van ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverlof of aangepaste werkzaamheden in verband met zwangerschap van de ambtenaar, binnen vier weken na hervatting van zijn werkzaamheden ongewijzigd op die hoogte.

12.

De ambtenaar die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, wordt voor de toepassing van het achtste lid geacht volledig ongeschikt te zijn om zijn arbeid te verrichten. Zou de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar op grond van zijn daadwerkelijk verrichte diensten op grond van het eerste tot en met het vierde lid een hogere toelage voor consignatie hebben ontvangen dan overeenkomstig de eerste volzin met toepassing van het achtste lid is vastgesteld, dan heeft hij recht op een additionele toelage ter hoogte van het verschil tussen die twee bedragen.

Artikel 19

1.

Aan de ambtenaar kan een toelage worden toegekend om reden van werving of behoud tot een maximum van € 45.400,– per kalenderjaar.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

Artikel 20

1.

Aan de ambtenaar kan als tegemoetkoming in de representatiekosten een toelage worden toegekend tot een maximum van 5% van het salaris.

2.

De ambtenaar die een vergoeding als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan de volgende kosten niet declareren:

  • a. kosten in verband met aanschaf van kleding en schoeisel;
  • b. kosten in verband met aanpassing en inrichting van de eigen woning;
  • c. kosten in verband met persoonlijke verzorging;
  • d. kosten in verband met ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning;
  • e. fooien;
  • f. het aanbieden van een drankje en rookwaar aan een zakenrelatie tijdens een bespreking, anders dan een lunch of een diner;
  • g. het aanbieden van attenties of geschenken ter zake van recepties, jubilea en dergelijke aan medewerkers, collega’s of zakenrelaties;
  • h. vakliteratuur, abonnementen en kantoorbenodigdheden, voor zover deze niet rechtstreeks door de werkgever worden betaald;
  • i. contributies vakvereniging, niet zijnde een beroepsvereniging.

Artikel 20a

1.

Aan de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt, kan een periodieke toelage worden toegekend door het bevoegd gezag in het kader van de individuele ontwikkeling in de functie, het individueel structureel goed functioneren, werving en behoud of een andere gewichtige reden.

2.

De maximale hoogte van de periodieke toelage is voor:

  • a. de korpschef € 21.000,– per jaar;
  • b. korpsleiding, plaatsvervangend korpschef, politiechefs, de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger 11% van het persoonlijke salaris per jaar;
  • c. overige ambtenaren van schaal 15 tot en met 18 11% van het persoonlijke salaris per jaar.
3.

Het besluit tot toekennen en de hoogte van de periodieke toelage zal jaarlijks aan het eind van elk kalenderjaar opnieuw worden getoetst.

Artikel 21

1.

In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar of aan een groep van ambtenaren een toelage worden toegekend op andere gronden dan die vermeld in de artikelen 16 tot en met 20a.

2.

Een in het eerste lid bedoelde toelage kan aan de ambtenaar worden toegekend nadat Onze Minister ter zake nadere regels heeft vastgesteld.

Artikel 22

Een krachtens artikel 16, 19 of 21 toegekende toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage wordt toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.

Hoofdstuk 6. Vakantie-uitkering

Artikel 23

1.

Voor de ambtenaar wordt maandelijks een vakantie-uitkering berekend ter waarde van 8% van de genoten bezoldiging.

2.

De vakantie-uitkering bedraagt ten minste € 194,52 per maand, met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd indien:

  • a. de bezoldiging van de ambtenaar niet op de eerste dag van een maand aanvangt, dan wel indien de ambtenaar in een deel van een maand geen bezoldiging heeft genoten;
  • b. de ambtenaar in de loop van een maand slechts een gedeelte van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.
3.

Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking naar evenredigheid vastgesteld.

4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar geacht in het genot van de volle bezoldiging te zijn, indien hij

  • c. een aanvulling op zijn ZW-uitkering geniet op grond van artikel 39a.

Is het feitelijk genot van de bezoldiging teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage dan wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht geen bezoldiging te genieten.

5.

Voor de ambtenaar, bedoeld in artikel 33, wordt het bedrag van de vakantie-uitkering slechts berekend voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering waarop hij als militair aanspraak heeft.

Artikel 24

Artikel 23 en artikel 25b zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar die ingevolge artikel 39 bezoldiging geniet, met dien verstande dat de uitbetaling van de uitkeringen geschiedt op een door het bevoegd gezag te bepalen wijze.

Artikel 25

Vervallen

Hoofdstuk 6. Vakantie-uitkering

Artikel 25a

1.

Aan de ambtenaar kan een incidentele eindejaarsuitkering of een eenmalige uitkering worden toegekend.

2.

Ten aanzien van de incidentele eindejaarsuitkering of eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister nadere regels vast met betrekking tot de hoogte van de uitkering en het tijdstip van uitbetaling, en bepaalt Onze Minister of de uitkering behoort tot de bezoldiging.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor schaal 15 of hoger geldt.

Artikel 25b

1.

Voor de ambtenaar wordt maandelijks een eindejaarsuitkering berekend ter waarde van 8,33% van het genoten salaris en de compensatie, bedoeld in artikel 38, tiende lid, dan wel in artikel 38b, zevende lid.

2.

De eindejaarsuitkering bedraagt tenminste € 194,52 per maand met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd indien:

  • a. het salaris van de ambtenaar niet op de eerste dag van een maand is aangevangen, dan wel indien de ambtenaar een deel van een maand geen salaris heeft genoten;
  • b. de ambtenaar in de loop van een maand slechts een gedeelte van zijn salaris heeft genoten.
3.

Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking naar evenredigheid vastgesteld.

4.

Indien de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van:

wordt voor de toepassing van dit artikel het salaris in acht genomen zoals dit zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn geweest van recht op een uitkering op grond van de WIA, de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg.

5.

Indien voor de ambtenaar het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt hij voor de toepassing van dit artikel geacht geen salaris te genieten.

Artikel 26

1.

Aan de ambtenaar kan een uitkering worden toegekend om redenen van werving of behoud tot een maximum van € 45 400,- per kalenderjaar.

2.

De uitkering wordt toegekend aan het einde van een tijdvak dat tevoren is vastgesteld door het bevoegd gezag.

3.

Aan de toekenning van de uitkering kunnen door het bevoegd gezag voorwaarden worden gesteld.

4.

Aan de ambtenaar die niet heeft kunnen voldoen aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan de ambtenaar zelf te wijten oorzaak, kan de uitkering gedeeltelijk worden toegekend.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor een salarisschaal 15 of hoger geldt.

Hoofdstuk 7. Uitkeringen

Artikel 27

1.

Aan de ambtenaar die is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 13 van bijlage I van dit besluit en die overwerk verricht, wordt, behoudens het zesde lid, een vergoeding toegekend.

2.

Aan de ambtenaar die is ingedeeld in salarisschaal 13 of 14 van bijlage I van dit besluit wordt de in dit artikel bedoelde vergoeding toegekend indien hij overwerk verricht in het kader van:

  • a. deelname aan een rampenstaf;
  • b. deelname aan grootschalig bijzonder optreden;
  • d. deelname aan een team grootschalige opsporing.
3.

Onder overwerk wordt verstaan dienst in opdracht van het daartoe bevoegde gezag buiten de voor de ambtenaar krachtens artikel 12 van het Besluit algemene rechtspositie politie vastgestelde arbeidstijden, voor zover daardoor de per dienstdag vastgestelde totale arbeidstijd wordt overschreden, uitgezonderd de uren die in de periode vanaf zeven dagen tot vier dagen voorafgaand aan de dag waarop de dienst moet worden gedaan door het bevoegd gezag worden opgedragen.

4.

Overwerk wordt aan de ambtenaar niet opgedragen boven 240 uren per jaar. Ingeval van een aanstelling van minder dan 36 uren per week is het op te dragen aantal uren overwerk per jaar naar rato begrensd. In bijzondere gevallen kan met instemming van de betreffende Ondernemingsraad ten aanzien van groepen ambtenaren worden afgeweken van het vastgestelde aantal uren, bedoeld in de eerste en tweede volzin.

5.

Het opdragen van overwerk mag niet tot gevolg hebben dat de ambtenaar per periode van vier weken minder dan vier vrije dagen en per kalenderjaar minder dan dertien vrije zondagen, waarvan elf aansluitend aan een vrije dag, geniet.

6.

Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend aan de vastgestelde dagelijkse arbeidstijd wordt verricht, wordt geen vergoeding toegekend.

7.

Elk uur overwerk wordt naar de keuze van de ambtenaar vergoed door middel van een bedrag in geld ter grootte van het salaris per uur van de ambtenaar dan wel verlof voor de duur van één uur, met uitzondering van overwerk boven het aantal vastgestelde uren, bedoeld in het vierde lid, eerste volzin, dat uitsluitend wordt vergoed door middel van een bedrag in geld. De ambtenaar dient de in de vorige volzin genoemde keuze vóór de door het bevoegd gezag aangegeven momenten kenbaar te maken.

8.

De vergoeding voor elk uur overwerk, bedoeld in het zevende lid, wordt naar de keuze van de ambtenaar vermeerderd met € 6,97 dan wel met verlof voor de duur van een half uur, bij wijze van toeslag.

9.

De in het zevende en achtste lid bedoelde vergoeding door middel van een bedrag in geld wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk bij gelegenheid van de tweede salarisbetaling volgende op de periode van vier weken waarin het overwerk is verricht. De vergoeding is niet pensioengevend.

10.

Indien overwerk wordt vergoed door middel van het in het zevende en achtste lid bedoelde verlof, wordt dat verlof toegekend in levensfase-uren, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)