Besluit van 16 maart 1994, houdende vaststelling van regels ten aanzien van de bezoldiging van de politie
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 1993, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA93/U3219;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 7 februari 1994, nummer WO4.93.0763;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 11 maart 1994, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Politie, hoofdafdeling Personeel, Onderwijs en Informatievoorziening, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid, nr. EA94/419;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- ambtenaar: de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de ambtenaar van de rijksrecherche en de vakantiewerker;
- ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012, met uitzondering van de aspirant gedurende het theoretische opleidingsdeel en de ambtenaar in opleiding gedurende het theoretisch opleidingsdeel, waarbij voor de toepassing van dit besluit de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gelijk wordt gesteld aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012;
- ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012, waarbij voor de toepassing van dit besluit de directeur van de Politieacademie, zijn plaatsvervanger en de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche, wordt gelijkgesteld met ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012;
- ambtenaar in opleiding: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding;
- ambtenaar van de rijksrecherche: de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Politiewet 2012;
- AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet;
- arbeidsongeschiktheid: volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 5 van de WIA;
- arbeidsongeschiktheidspensioen: een ABP arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van het Pensioenreglement;
- arbodienst: een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
- aspirant: degene die door het bevoegd gezag is aangesteld als aspirant en die is toegelaten tot een krachtens artikel 2c, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding;
- beroepsgerelateerd: beroepsgerelateerd als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- beroepspraktijkvorming: de periode of perioden waarin de aspirant of de ambtenaar in opleiding de politietaak bij een regionale eenheid of een landelijke eenheid uitvoert in het kader van een krachtens artikel 2c, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding;
- bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- bezoldiging: de som van het salaris, de toelagen, met uitzondering van de toelagen, bedoeld in de artikelen 12b, 12c, 12d, 12g, en artikel 16, eerste lid, alsmede de uitkering, bedoeld in artikel 25a, indien Onze Minister zulks bepaalt;
- consignatie: consignatie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- deelbetrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week omvat;
- deskundige persoon: een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
- functie: het samenstel van door de ambtenaar te verrichten opgedragen werkzaamheden, zoals vastgelegd in het LFNP;
- gewezen ambtenaar: een gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- herplaatsen: het op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opdragen van een andere functie of de eigen functie onder andere voorwaarden;
- herplaatsingtoelage: een herplaatsingtoelage als bedoeld in bijlage 4 van het Pensioenreglement;
- in overwegende mate: in overwegende mate als bedoeld in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- LFNP: Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie: het door Onze Minister vastgestelde geheel van functiebeschrijvingen, onderverdeeld naar vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten;
- maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;
- medisch advies: een advies van de deskundige persoon of de arbodienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 50 van het Besluit algemene rechtspositie politie;
- Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
- OVW periodieken: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden periodieken, welke kunnen worden toegewezen op grond van artikel 9a;
- OVW punten: Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden punten, zoals die met toepassing van het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, worden vastgesteld;
- passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
- pensioengevend inkomen: het pensioengevend inkomen, bedoeld in hoofdstuk 7.1.1 van het Pensioenreglement vermeerderd met de toelagen genoemd in de artikelen 12b, 12c en 12d;
- Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
- salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van één van de bijlagen van dit besluit, inclusief de op grond van artikel 9a toegekende periodieken;
- salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal, die in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;
- salarisschaal: een als zodanig in één van de bijlagen van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen;
- salaris per uur: 1/157 deel van het salaris bij een volledige betrekking;
- Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
- theoretisch opleidingsdeel: de periode of perioden waarin de aspirant of de ambtenaar in opleiding aan een opleidingsinstituut in het kader van een krachtens artikel 2c, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie aangewezen politieopleiding onderwijs volgt;
- toelagen: alle toelagen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
- Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- vakantiewerker: degene die ten tijde van onderbreking van zijn opleiding wegens vakantie voor een periode van ten hoogste acht weken is aangesteld voor het verrichten van ondersteunende werkzaamheden;
- uitkeringen: alle uitkeringen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
- vergoedingen: alle vergoedingen waarop ingevolge dit besluit aanspraak bestaat;
- volledige betrekking: een betrekking die een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week omvat;
- WIA-uitkering: een uitkering op grond van de WIA;
- zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet;
- ZW: de Ziektewet;
- ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de niet-gehuwde ambtenaar die met een levenspartner samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts een persoon als echtgenoot of echtgenote dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.
Artikel 2
De toekenning, de intrekking, de verhoging onderscheidenlijk de vermindering van het salaris, de toelagen, de vergoedingen, de uitkeringen, de tegemoetkoming in de representatiekosten, het salaris van de aspirant, en de gratificatie geschieden door het bevoegd gezag.
Artikel 3
Gedurende het eerste leerjaar ontvangen aspiranten een tegemoetkoming voor de opleiding ter hoogte van een bij het opleidingsniveau genoemd bedrag als bedoeld in bijlage IV van dit besluit.
Gedurende het eerste leerjaar hebben de aspiranten geen recht op de toelagen en vergoedingen genoemd in dit besluit, met uitzondering van de operationele toelage bedoeld in artikel 14.
Gedurende het tweede leerjaar ontvangen:
- a. aspiranten die vanaf 1 januari 2021 beginnen met een opleiding op niveau 4 tijdens de eerste zes maanden het salaris behorend bij de eerste regel bij schaal 4a in bijlage II van dit besluit en tijdens de tweede zes maanden het salaris behorend bij de tweede regel bij schaal 4a in bijlage II;
- b. de overige aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage V van dit besluit.
Gedurende het derde leerjaar ontvangen aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage VI van dit besluit.
Gedurende het vierde leerjaar ontvangen aspiranten een salaris als bedoeld in bijlage II van dit besluit.
Gedurende het tweede en, indien van toepassing, derde en vierde leerjaar is artikel 50, eerste lid, van toepassing.
Gedurende de gehele opleiding is op de aspirant artikel 17a niet van toepassing.
Na het succesvol afronden van de opleiding vindt aanstelling plaats:
- a. in een functie waaraan salarisschaal 4 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 2;
- b. in een functie waaraan salarisschaal 6 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 3;
- c. in een functie waaraan salarisschaal 7 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 4;
- d. in een functie waaraan salarisschaal 8 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 6;
- e. in een functie waaraan salarisschaal 9 is verbonden van de aspirant die een opleiding heeft afgerond op niveau 7,
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.