Besluit van 21 maart 1994, houdende enkele rechtspositionele voorschriften ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 274
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 19 november 1992, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 263321/92/6;

Gelet op de artikelen 12, vijfde lid, 14, derde lid, 15, vijfde lid, en 16, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren;

De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 1993, nr. W03.92.0584);

Gezien het nader rapport van de Minister van Justitie van 14 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 428976/94/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • AAOP-uitkering: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het Pensioenreglement;
  • arbeidsduur: het aantal uren gedurende welke een rechterlijk ambtenaar zijn ambt gemiddeld per week vervult op basis van een aanstelling of aanwijzing als bedoeld in artikel 5f van de wet;
  • arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de rechterlijk ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
  • beroepsziekte: een ziekte, die overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar dan wel in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van de rechterlijk ambtenaar dan wel in de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • gewezen rechterlijk ambtenaar: de rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
  • herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het pensioenreglement;
  • invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het pensioenreglement;
  • passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding daarvan om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de rechterlijk ambtenaar kan worden gevergd;
  • pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
  • salaris per uur: 1/156 deel van het salaris bij een volledige arbeidsduur;
  • volledige arbeidsduur: een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week;
Artikel 1a
1.

De maandelijkse loonstrook en de jaaropgave worden uitsluitend op elektronische wijze aan de rechterlijk ambtenaar verzonden.

2.

Verzending geschiedt op een andere dan elektronische wijze:

  • a. indien de rechterlijk ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronisch verzonden bericht;
  • b. bij ontslag of overlijden van de rechterlijk ambtenaar;
  • c. op verzoek van de rechterlijk ambtenaar indien deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze.
3.

Onze Minister kan nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt.

Hoofdstuk 2. Benoeming, plaatsing en beëdiging

§ 2.1. Benoeming en plaatsing

Artikel 2
1.

Om benoemd te kunnen worden als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° en als rechter in opleiding als bedoeld onder 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dient het afsluitend examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, te voldoen aan de eisen van het tweede en derde lid.

2.

Het afsluitend examen is zodanig samengesteld dat ten minste grondige kennis van en inzicht in drie van de vijf volgende rechtsgebieden is verkregen:

  • a. burgerlijk recht, met inbegrip van burgerlijk procesrecht;
  • b. strafrecht, met inbegrip van strafprocesrecht;
  • c. bestuursrecht, met inbegrip van bestuursprocesrecht;
  • d. staatsrecht;
  • e. belastingrecht.
3.

Tot de drie rechtsgebieden, bedoeld in het tweede lid, behoren in ieder geval twee van de rechtsgebieden, genoemd in de onderdelen a tot en met c.

4.

De eisen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn niet van toepassing op degene die ten minste zes jaar voor de beoogde datum van benoeming het afsluitend examen heeft afgelegd en die tot aan die beoogde datum een ruime praktijkervaring heeft opgedaan in een van de in het tweede lid genoemde rechtsgebieden.

Artikel 3
1.

Een rechterlijk ambtenaar wordt bij een eerste benoeming in een ambt door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een benoeming bij een gerechtshof of rechtbank betreft, door het bestuur van het betrokken gerecht voor een al dan niet volledige arbeidsduur aangesteld.

2.

Op zijn eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een rechterlijk ambtenaar is aangesteld door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een benoeming bij een gerechtshof of rechtbank betreft, het gerechtsbestuur worden gewijzigd.

3.

Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de functionele autoriteit.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 5f, tweede lid, van de wet.

Artikel 4

Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.

§ 2. De Advies- en Arbitragecommissie

Artikel 5
1.

Voor de bepaling van hun salaris worden de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 7 van de wet, ingedeeld in de volgende categorieën:

categorie 1: president van en procureur-generaal bij de Hoge Raad;

categorie 2: vice-president van en plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad;

categorie 3: raadsheer in en advocaat-generaal bij de Hoge Raad; procureur-generaal, lid van het College van procureurs-generaal; hoofdofficier van justitie bij de arrondissementsparketten Amsterdam, Den Haag en Rotterdam en bij het arrondissementsparket in de arrondissementen Gelderland en Overijssel gezamenlijk; hoofdofficier van justitie bij het landelijk parket; hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket;

categorie 4: landelijk hoofdadvocaat-generaal; hoofdofficier van justitie bij de overige parketten;

categorie 5: plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij de arrondissementsparketten Amsterdam, Den Haag en Rotterdam en bij het arrondissementsparket in de arrondissementen Gelderland en Overijssel gezamenlijk; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het landelijk parket; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket;

categorie 6: hoofdadvocaat-generaal; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij de overige parketten;

categorie 7: senior raadsheer in een gerechtshof; senior rechter A in een rechtbank; senior advocaat-generaal; senior officier van justitie A;

categorie 8: raadsheer in een gerechtshof; senior rechter in een rechtbank, advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal; senior officier van justitie;

categorie 9: rechter in een rechtbank; officier van justitie; griffier van de Hoge Raad;

categorie 9a: rechter in opleiding; officier in opleiding;

categorie 10: gerechtsauditeur, tevens raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof waarbij hij is aangesteld; gerechtsauditeur, tevens rechter-plaatsvervanger in de rechtbank waarbij hij is aangesteld; substituut-officier van justitie; officier enkelvoudige zittingen; senior-gerechtsauditeur;

categorie 11: gerechtsauditeur; substituut-griffier van de Hoge Raad.

2.

In bijlage 2 bij dit besluit zijn, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde indeling, de hoogten van de salarissen van de rechterlijke ambtenaren die zijn aangesteld voor een volledige arbeidsduur, vermeld.

3.

De rechterlijk ambtenaar die is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het tweede lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor.

Artikel 6
1.

Een rechterlijk ambtenaar, die is aangesteld voor een bepaalde arbeidsduur en de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt, kan in geval van een opvolgende benoeming in een ambt, waaraan krachtens artikel 5 een lager maximum salaris is verbonden, aan Onze Minister onderscheidenlijk, indien de opvolgende benoeming een ambt betreft dat bij een gerecht anders dan de Hoge Raad wordt vervuld, het gerechtsbestuur verzoeken om in plaats van het salaris behorende bij het vervullen van dat ambt, het salaris behorende bij het voorafgaand aan de benoeming door hem vervulde ambt te genieten.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, tenzij:

  • a. het ambt, waarin de rechterlijk ambtenaar wordt benoemd, door rechtstreekse of overeenkomstige toepassing behoort tot een van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde categorieën 9a tot en met 11; of
  • b. de rechterlijk ambtenaar op het tijdstip van de benoeming, bedoeld in het eerste lid, niet ten minste vijf aaneengesloten jaren als rechterlijk ambtenaar werkzaam is.
3.

Op het salaris van de rechterlijk ambtenaar wordt in geval van inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste lid een korting toegepast.

4.

Deze korting bedraagt:

  • a. 5% van het salaris, indien het maximum salaris verbonden aan het ambt waarin hij wordt benoemd het naast lagere maximum salaris is van dat van het ambt dat hij voorafgaand aan de benoeming heeft vervuld dan wel het naast lagere maximum salaris is van het vorenbedoelde naast lagere maximum salaris;
  • b. 10% van het salaris, indien het maximum salaris verbonden aan het ambt waarin hij wordt benoemd lager is dan de in het vierde lid, onderdeel a, bedoelde naast lagere maximum salarissen.
5.

Indien na 52 weken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte de doorbetaling van de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 17, tweede lid, wordt teruggebracht tot 70% van de bezoldiging, wordt de korting, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 70% van 5% onderscheidenlijk 10% van het salaris.

6.

Onze Minister kan ter zake van de uitvoering van dit artikel regels stellen.

Artikel 7
1.

Aan de rechterlijk ambtenaar, die is aangesteld of aangewezen voor een al dan niet volledige arbeidsduur, wordt, als tegemoetkoming in de algemene kosten die aan de vervulling van het ambt zijn verbonden, een algemene onkostenvergoeding toegekend.

2.

De rechterlijk ambtenaar heeft, wanneer aan hem buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, voor zijn volledige arbeidsduur is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van het eerste lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof geen aanspraak op een algemene onkostenvergoeding.

3.

In afwijking van het eerste lid heeft de rechterlijk ambtenaar in geval van volledige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, na ommekomst van het kalenderjaar volgend op dat waarin de ongeschiktheid is aangevangen, geen aanspraak op een algemene onkostenvergoeding.

4.

De algemene onkostenvergoeding wordt per kalendermaand berekend en uitbetaald.

5.

Indien een aanspraak op een algemene onkostenvergoeding ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van een kalendermaand, wordt zij gelijkgesteld met een aanspraak die is ontstaan op de eerste dag van die kalendermaand.

6.

Onze Minister stelt regels ten aanzien van de hoogte van de algemene onkostenvergoeding.

Artikel 8

Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.

Artikel 9

Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar of een gewezen rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank of een gewezen rechterlijk ambtenaar die laatstelijk werkzaam is geweest bij een gerechtshof of rechtbank, het gerechtsbestuur.

Hoofdstuk 2a. Beëdiging en installatie

Artikel 9a
1.

De eed of belofte, bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de wet, wordt wanneer deze wordt afgenomen ten overstaan van een gerecht, afgenomen op requisitoir van het openbaar ministerie dan wel van de procureur-generaal bij de Hoge Raad.

2.

De eed wordt afgelegd:

  • a. ten overstaan van een enkelvoudige- of meervoudige kamer van de rechtbank door:
  • 1°. de coördinerend vice-presidenten senior van, de coördinerend-vice presidenten van, de vice-presidenten van en de rechters in die rechtbank;
  • 2°. de rechters-plaatsvervangers in die rechtbank;
  • 3°. de gerechtsauditeurs bij die rechtbank;
  • 4°. de officieren van justitie en de officieren enkelvoudige zittingen bij het arrondissementsparket en het landelijk parket die zijn gevestigd in de plaats van vestiging van die rechtbank;
  • 5°. de plaatsvervangende officieren van justitie en de plaatsvervangend officieren enkelvoudige zittingen bij het arrondissementsparket en het landelijk parket die zijn gevestigd in de plaats van vestiging van die rechtbank.
  • b. ten overstaan van een enkelvoudige- of meervoudige kamer van het gerechtshof, door:
  • 1°. de coördinerend vice-presidenten senior van, de coördinerend vice-presidenten van, de vice-presidenten van en de raadsheren in dat gerechtshof;
  • 2°. de raadsheren-plaatsvervangers in dat gerechtshof;
  • 3°. de gerechtsauditeurs bij dat gerechtshof;
  • 4°. de advocaten-generaal bij het ressortsparket dat is gevestigd in de plaats van vestiging van dat gerechtshof;
  • 5°. de plaatsvervangende advocaten-generaal bij het ressortsparket dat is gevestigd in de plaats van vestiging van dat gerechtshof.
  • c. ten overstaan van de president van de Hoge Raad door:
  • 1°. de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen;
  • 2°. de substituut-griffiers van de Hoge Raad;
  • 3°. de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad;
  • d. ten overstaan van de Koning of ten overstaan van Onze Minister, daartoe door de Koning gemachtigd, door:
  • 1°. de president van, de vice-presidenten van en de raadsheren in de Hoge Raad;
  • 2°. de procureur-generaal bij, de plaatsvervangend procureur-generaal bij en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad;
  • 3°. de griffier van de Hoge Raad.
3.

Het formulier, bedoeld in artikel 1g, eerste lid van de wet, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door de rechterlijk ambtenaar, de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die zitting heeft in een enkelvoudige kamer dan wel de voorzitter van de meervoudige kamer, bedoeld in het tweede lid, dan wel de president van de Hoge Raad dan wel de Koning of Onze Minister.

Artikel 9b
1.

Het bestuur van een gerechtshof of een rechtbank houdt een register bij, waarin de koninklijke besluiten betreffende de benoeming van de daar beëdigde rechterlijke ambtenaren en de formulieren betreffende de afgelegde eed of belofte worden bewaard.

2.

Een uittreksel uit dat register, inclusief het formulier betreffende de eed of belofte, wordt aan de rechterlijk ambtenaar uitgereikt.

3.

De griffier van de Hoge Raad houdt een afzonderlijk register bij, waarin de benoeming van rechterlijke ambtenaren bij de Hoge Raad wordt ingeschreven. Tevens houdt de griffier van de Hoge Raad een register bij waarin de koninklijke besluiten worden ingeschreven, bevattende de benoeming van rechterlijke ambtenaren die voor een beëdiging bij de Hoge Raad zijn toegelaten. Tevens worden in dit register de formulieren betreffende de afgelegde eed of belofte bewaard.

Artikel 9c
1.

De installatie, bedoeld in artikel 1g, derde lid, van de wet, geschiedt door middel van het op een terechtzitting voorlezen van het formulier, bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de wet.

2.

In geval van een opvolgende benoeming binnen een zelfde gerecht of parket, kan de functionele autoriteit bepalen dat de installatie achterwege blijft.

3.

De raadsheren in buitengewone dienst van de Hoge Raad, de advocaten-generaal in buitengewone dienst van de Hoge Raad, de raadsheren plaatsvervangers, de rechters-plaatsvervangers, de leden van het College van procureurs-generaal, de plaatsvervangende advocaten-generaal bij de ressortsparketten, de plaatsvervangende officieren van justitie en de gerechtsauditeurs worden niet geïnstalleerd.

Hoofdstuk 2a. Aanstelling en aanwijzing

§ 1. Algemeen

Artikel 10

Vervallen

§ 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en medisch advies

Artikel 11
1.

Onverminderd hetgeen terzake is bepaald in de Arbeidsomstandighedenwet geniet de rechterlijk ambtenaar arbeidsgezondheidskundige begeleiding op basis van dit hoofdstuk.

2.

De functionele autoriteit is verantwoordelijk voor de begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de rechterlijk ambtenaar.

3.

Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures. Van het vaststellen van deze regels kan Onze Minister mandaat verlenen.

Artikel 12
1.

De rechterlijk ambtenaar geeft in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte hiervan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de tweede dag van die ongeschiktheid, kennis aan de functionele autoriteit.

2.

Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is geweest om zijn arbeid te verrichten, kan de functionele autoriteit bepalen dat de rechterlijk ambtenaar zijn arbeid slechts mag hervatten nadat hiervoor door hem toestemming is verleend.

3.

De rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest om zijn arbeid te verrichten, mag zijn arbeid slechts hervatten nadat de functionele autoriteit hiervoor toestemming heeft verleend.

4.

De functionele autoriteit verleent de in het tweede en het derde lid bedoelde toestemming eerst nadat er een medisch advies is.

Artikel 13
1.

De rechterlijk ambtenaar kan door de functionele autoriteit worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:

  • a. indien de functionele autoriteit gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de rechterlijk ambtenaar;
  • b. indien de rechterlijk ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken aanwezig zijn, en zo ja, of de rechterlijk ambtenaar geschikt kan worden geacht voor het verrichten van andere arbeid;
  • c. ter beantwoording van de vraag of de rechterlijk ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht;
  • d. ter beantwoording van de vraag of, in welke mate en tot welk tijdstip de rechterlijk ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
  • e. om te beoordelen of de rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is geweest om zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten; of
  • f. voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting.
2.

De functionele autoriteit verleent de rechterlijk ambtenaar, gehoord deze laatste, ziekteverlof indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de rechterlijk ambtenaar, van de arbeid of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de rechterlijk ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten.

3.

Ziekteverlof als bedoeld in het tweede lid wordt door de functionele autoriteit niet verleend indien de rechterlijk ambtenaar andere passende arbeid kan worden opgedragen.

4.

Indien ziekteverlof als bedoeld in het tweede lid wordt verleend, wordt de rechterlijk ambtenaar geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid en zijn de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing. De functionele autoriteit kan ter effectuering van bedoeld ziekteverlof maatregelen treffen.

Artikel 14
1.

Het medisch advies dat wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 13, wordt zo spoedig mogelijk aan de rechterlijk ambtenaar en de functionele autoriteit schriftelijk medegedeeld. De rechterlijk ambtenaar wordt daarbij gewezen op de in het tweede lid bedoelde mogelijkheid om een hernieuwd onderzoek te verzoeken.

2.

De rechterlijk ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies schriftelijk om een hernieuwd onderzoek verzoeken indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige persoon of de arbodienst stelt de functionele autoriteit in kennis van een ingediend verzoek als bedoeld in de vorige volzin.

3.

Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijke verzoek als bedoeld in het tweede lid, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie artsen plaats. De rechterlijk ambtenaar kan worden verplicht om in het kader hiervan een onderzoek te ondergaan.

4.

Op verzoek van de rechterlijk ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie artsen kenbaar te maken.

5.

De kosten van het hernieuwd onderzoek komen voor rekening van het in artikel 9 bedoelde gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar worden hem vergoed overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

Artikel 14a
1.

Indien een geschil bestaat tussen de rechterlijk ambtenaar en diens functionele autoriteit over het al dan niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, kan de rechterlijk ambtenaar of diens functionele autoriteit het UWV verzoeken een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet Suwi.

2.

De kosten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen voor rekening van het in artikel 9 bedoelde gezag. Eventuele reis- en verblijfkosten van de rechterlijk ambtenaar worden hem vergoed overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

Artikel 15
1.

De leden van de commissie, bedoeld in artikel 14, derde en vierde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door de functionele autoriteit.

2.

De arts die betrokken is geweest bij het opstellen van het medisch advies naar aanleiding waarvan om een hernieuwd onderzoek wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

3.

De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mede aan de rechterlijk ambtenaar, de functionele autoriteit en de behandelend arts, bedoeld in artikel 14, vierde lid.

Artikel 16

De artikelen 13 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen rechterlijk ambtenaar voorzover het zijn aanspraken op basis van dit hoofdstuk betreft.

§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid

Artikel 17
1.

De rechterlijk ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging.

2.

De rechterlijk ambtenaar die na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak nog ongeschikt is wegens ziekte tot het verrichten van zijn arbeid, heeft aanspraak op de doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.

3.

In afwijking van het tweede lid heeft de rechterlijk ambtenaar na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging over de uren dat hij passende arbeid verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.

4.

Aan de rechterlijk ambtenaar wordt op zijn aanvraag na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak, in afwijking van het tweede lid, zijn bezoldiging doorbetaald, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

Artikel 18
1.

De gewezen rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 35b of artikel 35e van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46i of artikel 46ka van de wet, nog ongeschikt is om een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:

  • a. zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste het met ingang van zijn ontslag nog resterende gedeelte van het tijdvak van 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en
  • b. zolang hij na het tijdvak van 52 weken nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste een tijdvak van 26 weken, aanspraak op de doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging.
2.

De gewezen rechterlijk ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag ongeschikt wordt wegens ziekte om een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij wegens ziekte ongeschikt is en voor een tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag als rechterlijk ambtenaar op basis van een aanstelling werkzaam is geweest.

3.

Aan de gewezen rechterlijk ambtenaar wordt op zijn aanvraag, in afwijking van het eerste onderscheidenlijk tweede lid, zolang hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en voor ten hoogste het met ingang van zijn ontslag nog resterende deel van een tijdvak van 104 weken onderscheidenlijk een tijdvak van ten hoogste 104 weken, zijn laatstelijk genoten bezoldiging doorbetaald, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is om arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

4.

Aan de gewezen rechterlijk ambtenaar, die aanspraak heeft op een WAO-uitkering of een WIA-uitkering op grond van het ambt dat hij voorafgaand aan zijn ontslag op basis van een aanstelling vervulde, wordt op zijn aanvraag een aanvullende uitkering toegekend, indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

5.

De in het vierde lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het verschil tussen:

  • a. een percentage van de bezoldiging die de gewezen rechterlijk ambtenaar in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag heeft genoten; en
  • b. de aan hem toegekende WAO-uitkering of WIA-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem toegekend invaliditeitspensoen, een hem toegekende herplaatsingstoelage dan wel een aan hem toegekende AAOP-uitkering.
6.

Het percentage, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

80% of meer: 90,02%;

65 tot 80%: 65,26%;

55 tot 65%: 54,01%;

45 tot 55%: 45,01%;

35 tot 45%: 36,01%.

7.

De gewezen rechterlijk ambtenaar aan wie op eigen verzoek ontslag is verleend met het oog op een uitkering op grond van de regeling van flexibel pensioen en uittreden, zoals vastgelegd in het FPU-Reglement basisuitkering en aanvullende uitkering, heeft slechts aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging onderscheidenlijk 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging, voorzover deze tezamen met de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging onderscheidenlijk 70% van de laatstgenoten bezoldiging niet overschrijdt.

Artikel 19
1.

Aan de rechterlijk ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan, op voorstel van de functionele autoriteit, een ander ambt of een andere functie worden opgedragen bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid. De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt of de functie die hem wordt opgedragen te aanvaarden.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt de rechterlijk ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, op voorstel van de functionele autoriteit herplaatst in een ander ambt of andere functie bij een parket of gerecht of anderszins binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

3.

De rechterlijk ambtenaar, die op grond van het eerste lid onderscheidenlijk artikel 46k van de wet is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit onderscheidenlijk artikel 46i, eerste lid, onderdeel a, van de wet is verstreken, heeft tot het einde van die termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van die herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:

  • a. het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 17 recht zou hebben gehad indien hem geen ander ambt of andere functie zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan zijn eigen ambt met dezelfde arbeidsduur; en
  • b. zijn bezoldiging na herplaatsing.
4.

Aan de rechterlijk ambtenaar, die is herplaatst op grond van het eerste lid onderscheidenlijk artikel 46k van de wet, wordt op zijn aanvraag na afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, een aanvullende uitkering toegekend, indien de ziekte uit hoofde waarvan hij ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ter grootte van het verschil tussen:

  • a. een percentage van zijn bezoldiging, zoals die zou zijn op de dag voorafgaand aan zijn herplaatsing indien hij op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest om zijn arbeid te verrichten; en
  • b. zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit het oorspronkelijke ambt voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een invaliditeitspensioen, een herplaatsingstoelage, of een AAOP-uitkering.
5.

Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

80% of meer: 90,02%;

65 tot 80%: 65,26%;

55 tot 65%: 54,01%;

45 tot 55%: 45,01%;

35 tot 45%: 36,01%.

Artikel 20
1.

De rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar hebben geen aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging:

  • a. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;
  • b. indien hij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt; of
  • c. indien de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na een geneeskundig onderzoek – indien dat heeft plaatsgehad in verband met zijn benoeming – en blijkt dat hij hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid om het desbetreffende ambt te vervullen, ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de rechterlijk ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
2.

De gewezen rechterlijk ambtenaar heeft geen aanspraak op de doorbetaling van laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking van gelijke omvang aanspraak kan maken op loon of bezoldiging dan wel een ZW-uitkering.

Artikel 21
1.

Het tijdvak gedurende welke de rechterlijk ambtenaar en de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid, vangt aan op de eerste dag waarop:

  • a. wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;
  • b. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt;
  • c. wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt; of
  • d. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.
2.

Voor het bepalen van het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte samengeteld, indien:

  • a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
  • b. de ene periode van ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten dan wel bezoldiging op basis van artikel 33m, eerste tot en met derde lid, van dit besluit wordt ontvangen, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
3.

Het tijdvak van 26 weken gedurende welke de gewezen rechterlijk ambtenaar aanspraak heeft op de doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, vangt aan op de dag nadat het tijdvak, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, is geëindigd.

4.

Voor het bepalen van het einde van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 26 weken worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte samengeteld, indien:

  • a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; of
  • b. de ene periode van ongeschiktheid direct voorafgaat aan en de andere periode van ongeschiktheid direct aansluit op het tijdvak gedurende welke zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg wordt genoten dan wel bezoldiging op basis van artikel 33m, eerste tot en met derde lid, van dit besluit wordt ontvangen, en de ongeschiktheid in deze perioden redelijkerwijs geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
5.

Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.

Artikel 22
1.

De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 17, eerste tot en met vierde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

  • b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
  • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
2.

De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 19, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

  • a. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoeld artikel genoemde voorwaarden;
  • b. met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar ontslag is verleend; of
  • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de rechterlijk ambtenaar is overleden.
3.

De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 18, eerste tot en met derde lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar op grond van een aanvaarde andere betrekking van gelijke omvang aanspraak maakt op loon of bezoldiging;
  • b. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de gewezen rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd onderscheidenlijk, indien het een gewezen voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar betreft, 70 jaar heeft bereikt; of
  • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.
4.

De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 18, vierde tot en met zesde lid, eindigt:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar niet meer voldoet aan de in artikel 18, vierde lid, genoemde voorwaarden;
  • b. met ingang van de dag waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
  • c. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen rechterlijk ambtenaar is overleden.

§ 4. Verplichtingen en sancties

Artikel 23
1.

De aanspraak van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar op de doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in de artikelen 17 en 18, eerste tot en met derde lid, vervalt indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar:

  • a. niet binnen een redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
  • b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
  • c. de voorschriften van de behandelend arts niet opvolgt;
  • d. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
  • e. verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mede te delen om welke reden hij ongeschikt is tot het verrichten van arbeid;
  • f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
  • g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
  • h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte dit heeft gemeld bij de functionele autoriteit;
  • i. weigert passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, indien hij hiertoe in de gelegenheid wordt gesteld, te verrichten;
  • j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures;
  • k. weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
  • l. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
  • m. voorafgaand aan de betaling van bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
  • n. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mededeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van de betaling van bezoldiging;
  • o. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
  • p. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven onderscheidenlijk mee te werken aan door de functionele autoriteit of een door de functionele autoriteit aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften onderscheidenlijk getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
  • r. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
2.

De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraak herleeft met ingang van het tijdstip waarop de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.

3.

Op grond van bijzondere omstandigheden kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde aanspraak niet vervalt, maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar zal worden uitbetaald.

4.

Voorzover van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, geen gebruik is gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitbetaald, indien het oordeel, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet Suwi, ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar uitvalt of indien de in artikel 14, derde lid, bedoelde commissie van drie artsen ten gunste van de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar heeft geoordeeld.

Artikel 24

Vervallen

Artikel 24a
1.

De functionele autoriteit treft zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen en geeft zo tijdig mogelijk zodanige voorschriften als redelijkerwijs nodig is om de rechterlijk ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid wegens ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

2.

De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister waarbij de resterende mogelijkheden van de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen de functionele autoriteit en de rechterlijk ambtenaar vaststaat dat de in het eerste lid bedoelde arbeid niet bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister voorhanden is, richten de maatregelen en voorschriften zich op duurzame reïntegratie in passende arbeid buiten dat gezagsbereik.

3.

Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt de functionele autoriteit de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid andere passende arbeid te verrichten.

4.

Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt de functionele autoriteit in overeenstemming met de rechterlijk ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO dan wel artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de rechterlijk ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

5.

De rechterlijk ambtenaar, die van mening is dat de functionele autoriteit de in het eerste lid bedoelde verplichting niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot nakoming aan de functionele autoriteit een oordeel van het UWV als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet Suwi over. De functionele autoriteit beslist op het verzoek binnen zes weken na ontvangst hiervan en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen ten aanzien van de reïntegratieinspanningen het verzoek hem aanleiding geeft.

§ 1. Algemeen

Artikel 25
1.

Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk met een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een AAOP-uitkering, een ZW-uitkering, een WW-uitkering of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van deze uitkeringen, tenzij het een tegemoetkoming op grond van artikel 27 betreft.

2.

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar de WAO-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering vermindering ondergaat dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

3.

Indien ten aanzien van de WAO-uitkering, de WIA-uitkering of de ZW-uitkering, die de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk waarop de WAO-uitkering, de WIA-uitkering of de ZW-uitkering in mindering is gebracht.

4.

Indien de rechterlijk ambtenaar of de gewezen rechterlijk ambtenaar zowel op grond van de benoeming terzake waarvan hij aanspraken op grond van dit hoofdstuk heeft als op grond van een of meer andere betrekkingen een WAO-uitkering, WIA-uitkering of ZW-uitkering geniet, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onder WAO-uitkering, WIA-uitkering onderscheidenlijk ZW-uitkering verstaan, de WAO-uitkering, WIA-uitkering onderscheidenlijk ZW-uitkering voorzover deze, naar rato van de bezoldiging uit hoofde van die benoeming en die andere betrekking of betrekkingen, wordt toegerekend aan die benoeming.

Artikel 26
1.

Voor zolang de vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 33m, eerste tot en met derde lid, toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van arbeid dan wel binnen een maand na deze beëindiging daartoe ongeschikt wordt, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging overeenkomstig artikel 18.

2.

Het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken vangt aan met ingang van de eerste dag na beëindiging van de ingevolge artikel 33m, eerste tot en met derde lid, aan de vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar toekomende uitkering onderscheidenlijk de eerste dag waarop zij binnen een maand na die beëindiging ongeschikt is geworden tot het verrichten van arbeid.

3.

Ongeschikt tot het verrichten van arbeid, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid, is de vrouwelijke gewezen rechterlijk ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.

Artikel 27
1.

In bijzondere gevallen kan aan de rechterlijk ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte, welke de rechterlijk ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt, indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien en deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.

2.

Onze Minister kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.

Artikel 27a

Vervallen

§ 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en medisch advies

Artikel 28

Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 18 en 26, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.

Artikel 29

De gewezen rechterlijk ambtenaar die krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft op de doorbetaling van bezoldiging, heeft eveneens aanspraak op een vakantie-uitkering overeenkomstig artikel 6d, eerste lid.

Artikel 30
1.

Indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden of de vermissing aanspraak had op een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een WW-uitkering, wordt voor de toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van artikel 7a onder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden of de vermissing op basis van dit hoofdstuk aanspraak zou hebben gehad indien hij geen aanspraak op een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, een ZW-uitkering of een WW-uitkering zou hebben gehad.

2.

Indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden of de vermissing meer dan 52 weken wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en geen aanspraak had op een WAO-uitkering, een WIA-uitkering, wordt voor de toepassing dan wel overeenkomstige toepassing van artikel 7aonder bezoldiging verstaan het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden of de vermissing op basis van dit hoofdstuk aanspraak had.

Artikel 31
1.

Na het overlijden of de vermissing van de gewezen rechterlijk ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden of vermissing op grond van artikel 18 of artikel 26 in het genot was van de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging onderscheidenlijk 70% daarvan, wordt aan de in artikel 7a of 7b bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van die artikelen uitgekeerd een bedrag, gelijk aan de bezoldiging die de gewezen rechterlijk ambtenaar op de dag van zijn overlijden of vermissing genoot onderscheidenlijk 70% daarvan, berekend over een tijdvak van drie maanden.

2.

Op de in het eerste lid bedoelde uitkering wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW, artikel 53 van de WAO, artikel 74 van de WIA, artikel 11.17 van het pensioenreglement of de artikelen 6 of 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op deze uitkeringen.

Artikel 32
1.

Indien het overlijden of de vermissing van de rechterlijk ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden of deze vermissing krachtens het pensioenreglement een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18% van het resultaat van de vermenigvuldiging van:

  • a. indien het gaat om de partner, vijf zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;
  • b. indien het gaat om de wees waarvan de verzorger geen recht heeft op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, een zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van partners van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;
  • c. indien het gaat om de wees zonder verzorger, twee zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
2.

De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overleden of vermiste rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, zoals dit begrip door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, een samenlevingscontract sluit onderscheidenlijk een geregistreerd partnerschap aangaat, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen, het sluiten van het samenlevingscontract onderscheidenlijk het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen rechterlijk ambtenaar aan wie een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 18, vierde tot en met zesde lid, is toegekend, indien zijn overlijden of vermissing het rechtstreekse gevolg is van de in dat artikel bedoelde arbeidsongeschiktheid.

§ 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid

Artikel 33

Vervallen

Hoofdstuk 4. Herplaatsing en ontslag

Artikel 34

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar.

Artikel 35

Tenzij anders is bepaald, worden de in deze paragraaf bedoelde bevoegdheden uitgeoefend door het gezag, dat krachtens de wet bevoegd is tot benoeming in het ambt dat de betrokken rechterlijk ambtenaar vervult, met dien verstande dat niet wordt beslist onderscheidenlijk een voordracht wordt gedaan dan nadat de functionele autoriteit hierover heeft geadviseerd dan wel het voorstel hiervoor heeft gedaan.

Artikel 36

De rechterlijk ambtenaar kan worden ontslagen op grond van:

  • a. ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt of het ambt waarvoor hij wordt opgeleid, anders dan wegens ziekte;
  • b. het verlies van een bij wettelijk voorschrift gesteld vereiste voor benoeming in het door hem vervulde ambt;
  • c. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij hij onder curatele is gesteld of wegens schulden is gegijzeld;
  • d. een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij hij wegens misdrijf is veroordeeld tot een vrijheidsstraf;
  • e. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de rechterlijk ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld; of
  • f. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
Artikel 36a
1.

Aan de rechterlijk ambtenaar die in tijdelijke dienst is benoemd, wordt geacht ontslag te zijn verleend met ingang van de dag waarop de duur van de benoeming in tijdelijke dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende voortzetting van een benoeming als bedoeld in artikel 2d, eerste en tweede lid.

2.

De rechterlijk ambtenaar die in tijdelijke dienst is benoemd, kan tussentijds worden ontslagen, met dien verstande dat dit ontslag niet eerder ingaat dan na het verstrijken van een termijn van:

  • a. drie maanden, indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening ten minste twaalf maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest;
  • b. twee maanden, indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening ten minste zes maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest; en
  • c. een maand, indien de rechterlijk ambtenaar op de dag van de ontslagverlening korter dan zes maanden onafgebroken als rechterlijk ambtenaar werkzaam is geweest.
3.

De in het tweede lid bedoelde termijn kan, al dan niet op verzoek van de rechterlijk ambtenaar, worden verkort. Indien dit niet op verzoek van de rechterlijk ambtenaar geschiedt, wordt aan hem een bedrag uitbetaald dat gelijk is aan de door hem laatstelijk genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantieuitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over de periode waarmee de in het tweede lid bedoelde termijn wordt verkort. De in de tweede volzin bedoelde bevoegdheid wordt ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, door het gerechtsbestuur.

4.

Ontslag als bedoeld in het tweede lid kan niet aan een vrouwelijke rechterlijk ambtenaar worden verleend gedurende:

  • b. de periode van zwangerschap voorafgaand aan het in onderdeel a bedoelde verlof; en
  • c. een periode van zes weken volgend op het in onderdeel a bedoelde verlof, indien zij direct na afloop van dat verlof haar werkzaamheden heeft hervat.
5.

Van de vrouwelijke rechterlijk ambtenaar kan ter staving van haar zwangerschap, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, een verklaring van een arts of verloskundige worden gevraagd.

6.

Ontslag als bedoeld in het tweede lid kan niet aan een rechterlijk ambtenaar worden verleend wegens de omstandigheid dat hij:

  • b. in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
  • c. door een vereniging of centrale van verenigingen als bedoeld in artikel 1ac, eerste lid, van de wet is aangewezen om binnen die vereniging of centrale dan wel binnen een andere organisatie bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien, die ertoe strekken de doelstellingen van die vereniging of centrale te ondersteunen; of
  • d. is geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, lid is van de ondernemingsraad of een commissie daarvan dan wel korter dan twee jaren geleden lid is geweest van de ondernemingsraad of een commissie daarvan.

Hoofdstuk 4a. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties

Artikel 37
1.

De functionele autoriteit besteedt aan de wijze waarop de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar zijn ambt vervult regelmatig aandacht door middel van het houden van functioneringsgesprekken of het opmaken van beoordelingen, dan wel van beide.

2.

Een beoordeling wordt in elk geval opgemaakt wanneer de functionele autoriteit dit wenselijk acht en de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.

3.

Alvorens een beoordeling wordt vastgesteld bespreekt de functionele autoriteit deze met de rechterlijk ambtenaar en wordt de rechterlijk ambtenaar de gelegenheid geboden zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken. Van deze zienswijze wordt melding gemaakt op de beoordeling.

4.

Van een functioneringsgesprek maakt de functionele autoriteit een schriftelijk verslag op. De rechterlijk ambtenaar wordt door de functionele autoriteit in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Van deze zienswijze wordt melding gemaakt in het verslag.

5.

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.

Artikel 37a
1.

De rechterlijk ambtenaar die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, heeft, ongeacht of er sprake is van gezondheidsproblemen, het recht om een maal per twee jaar een algemene medische keuring te ondergaan.

2.

De keuring wordt verricht door een andere arts dan de eigen huisarts of specialist. De functionele autoriteit kan een arts als bedoeld in de eerste volzin aanwijzen.

3.

De kosten van de keuring komen voor rekening van Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.

Artikel 38
1.

Een rechterlijk ambtenaar die zijn ambt op basis van een aanstelling vervult kan door de functionele autoriteit worden verplicht te gaan of blijven wonen in of nabij de gemeente waarin of van waaruit hij zijn ambt gewoonlijk vervult, indien dit noodzakelijk is in verband met de vervulling van het ambt.

2.

Aan de in het eerste lid bedoelde verplichting dient de rechterlijk ambtenaar te voldoen binnen twee jaar nadat zij is opgelegd.

Artikel 38a

Een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar kan door de functionele autoriteit worden verplicht tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.

Artikel 38b

Indien de rechterlijk ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit hoofde van de functie waarvoor hem op grond van artikel 38d, eerste of tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging is verleend, wordt door het in artikel 38d, eerste en tweede lid, bedoelde gezag op zijn bezoldiging met betrekking tot de uren dat hij dit verlof geniet een inhouding toegepast. Onze Minister stelt nadere regels ter uitvoering van het bepaalde in de eerste volzin.

Artikel 38c
1.

Aan een rechterlijk ambtenaar worden op zondagen en dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen geen werkzaamheden opgedragen, tenzij het dienstbelang dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.

2.

In afwijking van het eerste lid, kunnen aan rechterlijke ambtenaren als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7, van de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover werkzaam bij een arrondissementsparket of bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie, werkzaamheden worden opgedragen op zondagen en dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen, indien de aard en of organisatie van de arbeid dit onvermijdelijk maakt.

3.

Een rechterlijke ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.

Artikel 38d
1.

Aan een rechterlijk ambtenaar die is benoemd of verkozen in een functie in een publiekrechtelijk college, wordt voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen van dat college en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dat college, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet.

2.

Aan een rechterlijk ambtenaar wordt voor het verrichten van of het deelnemen aan activiteiten op de terreinen, bedoeld in artikel 39a, eerste en derde lid, voor of van een vereniging of centrale van verenigingen als bedoeld in artikel 1ac, eerste lid, van de wet buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet.

Artikel 38da

Vervallen

Artikel 38e
1.

Aan een rechterlijk ambtenaar kan door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend.

2.

Een afschrift van een beslissing van Onze Minister of de Raad voor de rechtspraak als bedoeld in het eerste lid wordt gezonden aan de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk ambtenaar.

3.

Het gerechtsbestuur, bedoeld in het eerste lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een voorgenomen besluit tot verlening van een schadeloosstelling, een kostenvergoeding of een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid die op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het gerechtsbestuur een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad voor de rechtspraak.

4.

Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, regels stellen omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van rechterlijke ambtenaren.

5.

Indien artikel 17, zesde lid, van de wet van toepassing is, vervallen de aanspraken genoemd in het eerste lid naar evenredigheid.

Artikel 38f

Vervallen

Artikel 38g

Vervallen

Artikel 38h

Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden in het kader van de ambtsvervulling in de woning van de rechterlijk ambtenaar.

Artikel 38i

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)