Regeling van de Minister van Justitie (nr.430244/594/NE) houdende bijstand van de militairen van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten
Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;
Gelet op artikel 58 van de Politiewet 1993;
Besluit:
Artikel 1
Indien de Minister van Veiligheid en Justitie, na overleg met de Minister van Defensie, bepaalt dat bijstand wordt verleend, wordt door de officieren, onderofficieren en de door de Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met de Minister van Defensie aangewezen andere militairen van de Koninklijke marechaussee bijstand verleend aan de politie voor het gezamenlijk optreden met de politie ter opsporing van strafbare feiten.
De procureur-generaal heeft het mandaat, in overeenstemming met de commandant van het Wapen der Koninklijke marechaussee, daartoe personen als bedoeld in het eerste lid aan te wijzen.
Artikel 2
Van elke aanwijzing op grond van deze regeling stelt de procureur-generaal, de Minister van Veiligheid en Justitie onverwijld in kennis. De commandant van het Wapen der Koninklijke marechaussee stelt de Minister van Defensie van elke aanwijzing onverwijld in kennis.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen meer dan drie van de in artikel 1 genoemde militairen aangewezen worden indien daartoe voorafgaande toestemming is gegeven door de Minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met de Minister van Defensie.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1994.
Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als regeling opsporingsbijstand Koninklijke marechaussee.
Deze regeling zal worden gepubliceerd in het Staatscourant en het Algemeen Politieblad.
Artikel 2a
Deze regeling berust op artikel 57, derde lid, van de Politiewet 2012.