Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
- e. sprake is van enig feit waardoor het inkomensgegeven op een te hoog bedrag is bepaald en enig ander inkomensgegeven, al dan niet van dezelfde betrokkene, ter zake van datzelfde feit op een te laag bedrag is bepaald, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover de met het laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting is of kan worden geheven.
Hoofdstuk 8. Heffingsrente
Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Hoofdstuk 9. Vrijstellingen
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Artikel 43d
Artikel 43c, eerste lid, onderdeel z, is van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 31a
Voor de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de wet, worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.
Hoofdstuk 6a. Vaststelling aanslag voor toekenning tegemoetkoming
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 1a
Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang:
- a. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling met het totaal van haar algemeen nuttige activiteiten geen winstoogmerk heeft;
- b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient;
- c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, met dien verstande dat de inspecteur, zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden, kan toestaan dat een steunstichting en de instelling of instellingen welke door deze stichting wordt ondersteund, onderscheidenlijk worden ondersteund, over en weer kunnen beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen vermogen;
- d. de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan is aangegeven in artikel 1b;
- e. de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet-bovenmatig vacatiegeld;
- f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden ter verwezenlijking van haar doelstelling, de wijze van werving van inkomsten, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;
- g. de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling;
- h. uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt maar indien het een culturele instelling als bedoeld in artikel 1d betreft, ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft;
- i. de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt:
- 1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden;
- 2°. de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling;
- 3°. de aard en omvang van de inkomsten van de instelling, en
- 4°. de aard en omvang van het vermogen van de instelling, en
- j. de instelling via internet op elektronische wijze informatie met betrekking tot haar functioneren, openbaar maakt.
Een algemeen nut beogende instelling mag ter financiering van haar doelstelling commerciële activiteiten ontplooien, indien de inkomsten, zijnde het saldo van baten en lasten, gerealiseerd met die activiteiten, in overeenstemming met artikel 1b, binnen een redelijke termijn geheel of nagenoeg geheel ten goede komen aan die doelstelling.
De beschikking waarbij een instelling wordt aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.
De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een algemeen nut beogende instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt.
Onder algemeen nuttige activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: alle activiteiten die erop zijn gericht om de doelstelling van een algemeen nut beogende instelling te verwezenlijken of te bevorderen. Activiteiten zijn geen algemeen nuttige activiteiten indien de instelling het geheel van die activiteiten tegen commerciële tarieven verricht.
Onder commerciële activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: het tegen commerciële tarieven verrichten van werkzaamheden of verlenen van diensten met het oogmerk hiermee ter financiering van de algemeen nuttige activiteiten van de instelling een positief resultaat te behalen.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bestaat ten minste uit:
- a. de naam van de instelling;
- b. het nummer, bedoeld in artikel 12, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, van de instelling, dan wel ingeval de instelling buiten Nederland is gevestigd, het voor deze regeling door de Nederlandse Belastingdienst verstrekte fiscale identificatienummer;
- c. het post- of bezoekadres, dan wel het telefoonnummer, dan wel het e-mailadres van de instelling;
- d. de doelstelling volgens de regelgeving van de instelling;
- e. de hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, van de instelling;
- f. de bestuurssamenstelling, het beloningsbeleid van de instelling en de namen van de bestuurders, met uitzondering van:
- 1°. de namen van bestuurders van kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, en
- 2°. de namen van bestuurders waarvoor de inspecteur op verzoek van de instelling ontheffing verleent omdat is aangetoond dat publicatie van deze namen een reëel gevaar oplevert voor de persoonlijke veiligheid van deze bestuurders of van hun familieleden;
- g. een actueel verslag van de uitgeoefende activiteit of activiteiten van de instelling;
- h. de balans en de staat van baten en lasten, met toelichting, van de instelling dan wel, indien het instellingen betreft die niet actief geld of goederen werven onder derden en die het aan hen ter beschikking staande vermogen of de opbrengsten daarvan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend besteden ten behoeve van hun doelstelling (zuivere vermogensfondsen) of indien het kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd betreft, de staat van baten en lasten en een overzicht van de voorgenomen bestedingen, met toelichting.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, wordt openbaar gemaakt met gebruikmaking van een van de door de inspecteur vastgestelde standaardformulieren indien sprake is van een instelling:
- a. die in het betreffende boekjaar niet actief geld of goederen wierf onder derden en totale lasten had van ten minste € 100.000;
- b. die in het betreffende boekjaar actief geld of goederen wierf onder derden en totale baten had van ten minste € 50.000.
De informatie, bedoeld in het zevende lid, onderdeel h, wordt telkens binnen zes maanden na afloop van het boekjaar openbaar gemaakt.
Artikel 1b
Een algemeen nut beogende instelling houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden begrepen:
- a. vermogen of bestanddelen daarvan die krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen, en die op grond van aan die uiterste wilsbeschikking of schenking verbonden voorwaarden, al dan niet in reële termen, in stand moeten worden gehouden;
- b. vermogensbestanddelen voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van die instelling, en
- c. activa en voor de voorziene aanschaf van activa aangehouden vermogensbestanddelen, voor zover een instelling die activa redelijkerwijs nodig heeft ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
De algemeen nut beogende instelling vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden, alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen.
Artikel 1c
Als staat als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2°, van de wet en als bedoeld in artikel 5c, onderdeel d, van de wet wordt aangewezen elke mogendheid waarmee in de relatie met Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, schenkbelasting en erfbelasting zonder beperkingen of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens, inlichtingen en gegevensdragers.
Artikel 1d
Een algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een culturele instelling, indien en zolang uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur of cultuureducatie.
De beschikking waarbij een algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt als een culturele instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.
De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een culturele instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt.
Artikel 1e
Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken als algemeen nut beogende instellingen of als culturele instellingen (gemeenschappelijke aanwijzing), wordt in het verzoek vermeld op welke instellingen het verzoek betrekking heeft.
Een instelling waarop een verzoek om een gemeenschappelijke aanwijzing betrekking heeft maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als algemeen nut beogende instelling, wordt niet in de gemeenschappelijke aanwijzing opgenomen.
Een beschikking inzake een gemeenschappelijke aanwijzing kan met betrekking tot elk van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk worden ingetrokken, met ingang van het tijdstip waarop die instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden. Het intrekken van die beschikking kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.
Artikel 1f
Een stichting kwalificeert als een steunstichting SBBI, indien en zolang:
- a. uit haar statuten en feitelijke werkzaamheden blijkt:
- 1°. dat zij is opgericht uitsluitend met het doel om geld in te zamelen ter ondersteuning van een bepaalde sociaal belang behartigende instelling die lid is van een landelijke, representatieve koepel op het gebied van sport of muziek;
- 2°. dat het ingezamelde geld uitsluitend bestemd is voor een bijzondere investering of uitgave ter gelegenheid van de viering door die instelling van haar 5-jarig bestaan of een veelvoud daarvan;
- 3°. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de onder 2° bedoelde viering;
- 4°. dat de leden van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de stichting verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet-bovenmatig vacatiegeld;
- 5°. dat de stichting het voor de in de onder 2° bedoelde viering ingezamelde geld besteedt in het kalenderjaar van de bedoelde viering, het daaraan voorafgaande kalenderjaar of uiterlijk in het kalenderjaar erna;
- 6°. dat bij opheffing van de stichting een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling, en
- 7°. het kalenderjaar dat zij als steunstichting SBBI wil kwalificeren;
- b. de administratie van de stichting zodanig is ingericht dat daaruit blijkt:
- 1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden, en
- 2°. de aard en omvang van de kosten die door de stichting zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de stichting, alsmede de aard en omvang van de uitgaven van de stichting ten behoeve van de in onderdeel a, onder 2°, bedoelde viering.
Bij de geldinzameling door de stichting wordt duidelijk aangegeven wat het doel is van de inzameling, alsmede wat het in het eerste lid, onderdeel a, onder 7°, bedoelde jaar is.
Per sociaal belang behartigende instelling kan slechts één stichting per viering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, als steunstichting SBBI kwalificeren.
De inspecteur maakt het bestaan van een steunstichting SBBI op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.
Hoofdstuk 2. Verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte
Hoofdstuk 3. Uitnodiging tot het doen van aangifte
Hoofdstuk 5. Voorlopige aanslag
Artikel 24a
Vervallen
Hoofdstuk 6a. Vaststelling aanslag voor toekenning tegemoetkoming
Hoofdstuk 7a. Basisregistratie inkomen
Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Hoofdstuk 8. Heffingsrente
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Hoofdstuk 6. Tijdvak
Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling
Hoofdstuk 6. Tijdvak
Hoofdstuk 8. Heffingsrente
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 20a
De Belastingdienst kan ondersteuning verlenen bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen van particuliere belastingplichtigen. Deze ondersteuning vindt plaats in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet. Onder ondersteuning bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen wordt in elk geval verstaan:
- a. het ter beschikking stellen van middelen voor het doen van aangifte of voor het elektronisch indienen en ondertekenen van aangiften, en
- b. het ondersteunen, onder meer met de in onderdeel a bedoelde middelen, van partijen die, hulp bieden bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen, voor zover die partijen geen vergoeding vragen voor het bieden van die hulp.
Hoofdstuk 5. Voorlopige aanslag
Artikel 29a
Vervallen
Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling
Hoofdstuk 8. Heffingsrente
Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 31b
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. NAVO-Statusverdrag: het op 19 juni 1951 te Londen tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114);
- b. Hoofdkwartierenprotocol: het op 28 augustus 1952 te Parijs tot stand gekomen Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag – nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten – nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11);
- c. buitenlandse NAVO-strijdkrachten:
- 1°. in Nederland gelegerde buitenlandse land-, zee- of luchtstrijdkrachten van de Staten die partij zijn bij het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag (Stb. 1949, J 355), het NAVO-Statusverdrag of het Hoofdkwartierenprotocol;
- 2°. het Geallieerd Hoofdkwartier, bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol, of bedoeld in artikel I, aanhef en onderdeel 3, van de op 25 mei 1964 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa ondertekende Overeenkomst inzake de bijzondere voorwaarden die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1964, 131);
- 3°. andere buitenlandse NAVO-onderdelen, voor zover het NAVO-Statusverdrag of het Hoofdkwartierenprotocol daarop van toepassing is;
- d. personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten:
- 1°. een lid van de krijgsmacht als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol;
- 2°. een lid van de civiele dienst als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Hoofdkwartierenprotocol;
- e. gezinslid:
- 1°. een inwonende persoon als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol;
- 2°. een niet-inwonend kind als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol dat afhankelijk is van een lid van een krijgsmacht of civiele dienst voor zijn onderhoud, voor zover dat kind zich op Nederlands grondgebied bevindt;
- 3°. een niet-inwonende partner als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol, voor zover die partner zich op Nederlands grondgebied bevindt;
- 4°. een persoon voor wie een NAVO-strijdkracht (Delegatieleider) verklaart dat deze de status heeft van ‘afgeleide NAVO-statusgerechtigde ’of ‘afgeleide Paris Protocol-gerechtigde’;
- 5°. een partner als bedoeld in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- f. commandant: de bevoegde autoriteit van een buitenlandse NAVO-strijdkracht;
- g. buitenlandse EU-strijdkrachten: strijdkrachten van een andere lidstaat van de Europese Unie voor zover die in Nederland deelnemen aan een defensie-inspanning ter uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, bedoeld in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
- h. personeel van buitenlandse EU-strijdkrachten:
-
- een lid van een buitenlandse EU-strijdkracht;
-
- een lid van het begeleidend burgerpersoneel van een buitenlandse EU-strijdkracht voor zover dat lid in Nederland die strijdkracht begeleidt.
Artikel 42a
Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van teruggaaf wordt verleend voor de levering van goederen voor persoonlijk gebruik aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of aan de gezinsleden van dat personeel, waarbij die goederen door een ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 worden geleverd.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
- a. alcoholhoudende dranken, tabaksproducten en voedingsmiddelen;
- b. goederen waarvan het bedrag van de vergoeding per factuur minder bedraagt dan € 50;
- c. goederen die zijn bestemd om blijvend te worden aangebracht aan een onroerend goed;
- d. motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen.
De teruggaaf wordt alleen verleend indien een betalingsbewijs wordt overgelegd waarop het geleverde goed is omschreven en de betaalde omzetbelasting is vermeld.
Artikel 42b
Ter zake van aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten verleende diensten, bestemd voor officieel gebruik van die strijdkrachten, wordt met betrekking tot de omzetbelasting het tarief van nihil toegepast.
De commandant legt bij de inspecteur een lijst over met de namen, rang, functie en handtekening van de personen van zijn strijdkracht die bevoegd zijn tot het aftekenen van facturen of documenten die betrekking hebben op diensten die verleend zijn aan zijn strijdkracht.
Artikel 42c
Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van toepassing van het tarief van nihil wordt verleend voor de levering van aardgas, elektriciteit en leidingwater aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten en aan het personeel van die strijdkrachten voor hun persoonlijk gebruik.
In gevallen waarin op grond van het eerste lid een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van aardgas, elektriciteit of leidingwater, wordt mede een vrijstelling verleend van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie, onderscheidenlijk belasting op leidingwater. Artikel 32a, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 32b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42d
Vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën wordt verleend voor levering van motorbrandstoffen aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en bestemd voor persoonlijk verbruik door dat personeel in motorrijtuigen die hun eigendom zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën voor motorbrandstoffen, ongeacht de soorten motorbrandstof, verleend aan:
- a. het personeel van Amerikaanse of Canadese strijdkrachten of de civiele diensten daarvan: maximaal 400 liter per maand en per personeelslid;
- b. in afwijking van onderdeel a geldt voor het personeel van de overige buitenlandse NAVO-strijdkrachten en het militair personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft en verbonden is aan een Geallieerd Hoofdkwartier: maximaal 150 liter per maand en per personeelslid.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur op verzoek van of namens een personeelslid als bedoeld in het eerste lid verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting aan dat personeelslid.
De commandant houdt een administratie bij van de hoeveelheid motorbrandstoffen die maandelijks aan een personeelslid wordt geleverd. Deze administratie wordt op verzoek van de inspecteur aan hem ter beschikking gesteld voor een controle.
Artikel 42e
Vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën ter zake van de levering, de intracommunautaire verwerving, onderscheidenlijk de uitslag tot verbruik, wordt verleend voor minerale oliën, die in Nederland worden afgeleverd en bestemd zijn voor verbruik in luchtvaartuigen, oorlogsschepen en geregistreerde dienstvoertuigen van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of van de bij die strijdkrachten behorende civiele diensten.
De vrijstelling van accijns van minerale oliën ter zake van de uitslag tot verbruik wordt verleend indien de inspecteur aan de houder van een ‘vergunning accijnsgoederenplaats’ toestemming heeft verleend tot het leveren aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten of aan de bij die strijdkrachten behorende civiele diensten.
De vrijstelling van accijns voor reeds tot verbruik uitgeslagen minerale oliën wordt op verzoek verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde accijns aan de strijdkrachten of de diensten, bedoeld in het eerste lid.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijstelling van omzetbelasting met dien verstande dat het tarief van nihil wordt toegepast, indien de inspecteur aan degene die de levering verricht daarvoor een vergunning heeft afgegeven.
Artikel 42f
Vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend voor geregistreerde dienstvoertuigen van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of van de bij die strijdkrachten behorende civiele dienst.
Vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend voor ten hoogste twee motorrijtuigen die eigendom zijn van een personeelslid van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en bestemd zijn voor persoonlijk gebruik en voor de duur van zijn verblijf in Nederland.
De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en inwonende gezinsleden daarvan, waarbij dat personeel in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland is gestationeerd en in Nederland woont, met uitzondering van Belgische- en Duitse personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten die in Nederland wonen, maar in hun eigen land zijn gestationeerd.
De commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten verstrekt aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het tweede lid, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens.
Artikel 42g
De goederen die met vrijstelling van omzetbelasting, van accijns of van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, bedoeld in artikel 42, zijn geleverd aan of intracommunautair zijn verworven door buitenlandse NAVO-strijdkrachten, kunnen aan het personeel van die strijdkrachten of gezinsleden daarvan in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes worden verkocht of om niet te worden overgedragen onder voorwaarde dat:
- a. het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of gezinsleden daarvan uitsluitend toegang hebben tot militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes op vertoon van een geldige persoonlijke identiteitskaart die is voorzien van naam, datum en plaats van geboorte, nationaliteit, eventueel rang en stamboeknummer, foto en geldigheidsduur;
- b. gerantsoeneerde goederen, genoemd in de bijlage, uitsluitend worden verkocht aan personeel van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten of gezinsleden daarvan die in het bezit zijn van een geldige rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan die, onderscheidenlijk dat, is afgegeven door de commandant;
- c. de rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan geldig zijn gedurende de wekelijkse periode, die erop vermeld staat, de daaraan voorafgaande week en gedurende twee weken na bedoelde periode;
- d. de rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan afgegeven kunnen worden in een vorm die de mogelijkheid biedt de rantsoenen aan te geven voor maximaal 26 achtereenvolgende weken;
- e. de in de militaire winkel geleverde hoeveelheid gerantsoeneerde goederen afgeschreven worden van de op de rantsoenkaart of op het elektronische equivalent daarvan vermelde hoeveelheid onder vermelding van de datum van levering;
- f. in militaire kantines, restaurants, clubs of messes gerantsoeneerde alcoholhoudende dranken slechts worden verkocht voor consumptie ter plaatse;
- g. in militaire kantines, restaurants, clubs of messes tabaksproducten uitsluitend worden verkocht in de kleinhandelsverpakking en afgeschreven worden op de rantsoenkaart of op het elektronische equivalent daarvan.
De commandant houdt in zijn administratie bij de afgifte van rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan. Hierbij wordt in ieder geval vastgelegd het serienummer van de afgegeven kaart, in numerieke volgorde, met daarbij de naam van de gerechtigde en zijn rang alsmede de bijzonderheden omtrent de geldige identiteitskaart en in voorkomend geval zijn handtekening.
Na elke rantsoenperiode wordt de administratie gedurende zeven jaar bewaard.
De in gebruik zijnde en niet meer in gebruik zijnde administratie wordt op verzoek ter beschikking gesteld aan de inspecteur.
De militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten zijn gehouden een administratie te voeren van alle ingekochte en verkochte goederen. Deze administratie wordt zeven jaar bewaard en wordt desgevraagd ter beschikking gesteld aan de inspecteur voor controle.
De commandant zorgt ervoor dat:
- a. personeelsleden of gezinsleden daarvan, die niet langer gerechtigd zijn tot rantsoenen, hun rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan inleveren;
- b. degene die zijn rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan verliest, dat verlies aan hem opgeeft en dat de inspecteur en de militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes daarover worden ingelicht;
- c. de aankoop van goederen wordt geweigerd in het geval dat een geldig identiteitsbewijs en een rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan niet kunnen worden getoond.
De commandant beslist of een vervangende rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan al dan niet zal worden afgegeven.
Met toestemming van de inspecteur en onder eventueel door hem te stellen voorwaarden kan het beheer en de exploitatie van militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes worden uitbesteed aan derden.
Artikel 42h
De inspecteur kan toestemming verlenen om af te zien van de vrijstelling. Alsdan wordt de verschuldigde belasting voor:
- a. motorrijtuigen vastgesteld op basis van het tarief en de dagwaarde op het tijdstip dat van de vrijstelling wordt afgezien;
- b. gebruiksgoederen, met uitzondering van motorrijtuigen, vastgesteld op basis van het tarief en de restwaarde van het gebruiksgoed op het tijdstip dat van de vrijstelling wordt afgezien waarbij een afschrijvingsperiode van drie jaren wordt gehanteerd.
Artikel 42i
Vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend voor de levering van tabaksproducten, spijzen of alcoholhoudende dranken aan gepensioneerde leden van een krijgsmacht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol en aan gepensioneerde leden van de civiele dienst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Hoofdkwartierenprotocol, voor consumptie ter plaatse in kantines, restaurants, clubs of messes van een Geallieerd Hoofdkwartier.
Gepensioneerd personeel van een krijgsmacht als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het NAVO-Statusverdrag of de weduwen en de weduwnaars van dat personeel, mogen niet-accijnsgoederen kopen in militaire winkels na daartoe van de inspecteur toestemming te hebben gekregen. Leveringen van goederen die bedoelde personen in dergelijke winkels hebben gekocht worden aangemerkt als uitvoer. Vervolgens worden die goederen op het tijdstip waarop de leveringen worden verricht aangemerkt als door bedoelde personen tegen betaling van een forfaitair belastingtarief van 16% in het vrije verkeer te zijn gebracht.
De inspecteur kan aan een toestemming als bedoeld in het tweede lid voorwaarden verbinden.
De inspecteur is bevoegd een verleende toestemming als bedoeld in het tweede lid geheel of gedeeltelijk in te trekken, indien aan de voorwaarden, waaronder de toestemming is verleend, niet wordt voldaan.
Artikel 42j
Op personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de gezinsleden van dat personeel, voor zover dat personeel in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening is gestationeerd en in Nederland woont, is artikel 42i van overeenkomstige toepassing.
De commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten verstrekt aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, alsmede van hun gezinsleden, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens.
Het eerste lid is niet van toepassing op Belgische- en Duitse personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten die in Nederland wonen, maar in hun eigen land zijn gestationeerd.
Artikel 42k
Het is niet toegestaan gerantsoeneerde goederen te kopen voor een ander, behoudens in de volgende gevallen:
- a. een gezinslid mag voor een ander lid van het gezin met gebruikmaking van diens rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan aankopen verrichten;
- b. opperofficieren en vlagofficieren kunnen een ondergeschikte machtigen om de normaal toegestane hoeveelheid gerantsoeneerde goederen te kopen. De gemachtigden leggen bij de aankoop de schriftelijke machtiging van hun officier over en de rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan van die officier;
- c. personen die bevoegd zijn gerantsoeneerde goederen te kopen, maar die daartoe niet in staat zijn, kunnen een gemachtigde aanwijzen die zelf eveneens tot aankoop in militaire winkels gerechtigd is, om de aankopen te doen. De gemachtigde legt bij de aankoop een door de volmachtgever ondertekende machtiging over en de rantsoenkaart of een elektronisch equivalent daarvan van de volmachtgever.
Artikel 42l
De artikelen 42a, 42f, tweede lid, en 42j zijn niet van toepassing op militair personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft en behoort tot de buitenlandse NAVO-strijdkrachten, maar in dienst is van de Nederlandse strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van dat personeel.
Onverminderd artikel 42 zijn de artikelen 42a, 42d, 42f, tweede lid, 42i en 42j niet van toepassing op leden van de civiele dienst die de Nederlandse nationaliteit hebben en behoren tot het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van die leden.
Artikel 42m
De commandant verleent desgevraagd met alle hem ten dienste staande middelen aan de inspecteur de benodigde medewerking:
- a. om te verzekeren dat goederen die in aanmerking komen voor inbeslagneming of beslaglegging aan de inspecteur respectievelijk de ontvanger worden overgedragen;
- b. opdat de door het personeel van de betreffende buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de gezinsleden daarvan eventueel verschuldigde omzetbelasting, belastingen op milieugrondslag, opslag duurzame energie, belastingen van personenauto’s en motorrijwielen, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, motorrijtuigenbelasting inclusief provinciale opcenten, accijnzen inclusief eventuele voorraadheffing, rente, kosten, bestuurlijke boeten en strafbeschikkingen als bedoeld in artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden betaald.
Artikel 42n
Indien de inspecteur controle wenst uit te oefenen op lokaliteiten binnen vestigingen van een buitenlandse NAVO-strijdkracht, vindt deze controle slechts plaats na voorafgaande kennisgeving aan de commandant.
Artikel 42o
De artikelen 31b, 32, eerste, tweede, derde lid en zesde lid, 40, 42 tot en met 42n alsmede artikel 18, aanhef en onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling accijns en artikel 10, aanhef en onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse strijdkrachten, het personeel daarvan en hun gezinsleden die behoren tot een staat die deelneemt aan het op 19 juni 1995 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten Partij bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige aan het Partnerschap voor de Vrede deelnemende Staten nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten en Aanvullend protocol (Trb. 1996, 74) en het op 19 december te Brussel tot stand gekomen Nader Aanvullend Protocol (Trb. 1998, 188), maar geen Partij is van het NAVO-Statusverdrag.
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Gezinsleden van 18 jaar of ouder | |
|---|---|---|
| Sigaretten of | 300 | 80 |
| Sigaren of | 60 | 20 |
| Cigarillo’s of | 100 | 30 |
| Rooktabak | 250 gram | 100 gram |
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Echtgenoot, echtgenote of partner | |
| --- | --- | --- |
| Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten | 2 liter | 2 liter |
| Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier | redelijke hoeveelheden | redelijke hoeveelheden |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 42p
Voor de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting, van accijns van minerale oliën en van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, bedoeld in artikel 42, ter zake van goederen die zijn geleverd aan of intracommunautair zijn verworven door de AFNORTH International School, onderscheidenlijk de uitslag tot verbruik of de uitslag van goederen die zijn geleverd aan de AFNORTH International School, is ook sprake van uitsluitend gebruik door de strijdkrachten, in de zin van artikel 42, indien de school een zeer beperkt aantal kinderen toelaat dat niet tot het gezin behoort van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten.
Voor de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting, bedoeld in artikel 42b, ter zake van aan de AFNORTH International School verleende diensten, is ook sprake van officieel gebruik van de strijdkrachten, in de zin van artikel 42b, indien de school een zeer beperkt aantal kinderen toelaat dat niet tot het gezin behoort van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten.
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Gezinsleden van 18 jaar of ouder | |
|---|---|---|
| Sigaretten of | 300 | 80 |
| Sigaren of | 60 | 20 |
| Cigarillo’s of | 100 | 30 |
| Rooktabak | 250 gram | 100 gram |
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Echtgenoot, echtgenote of partner | |
| --- | --- | --- |
| Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten | 2 liter | 2 liter |
| Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier | redelijke hoeveelheden | redelijke hoeveelheden |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 27a
Het tijdvak waarover de solidariteitsbijdrage moet worden betaald, is gelijk aan het bijdragejaar bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage.
Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling
Hoofdstuk 7a. Basisregistratie inkomen
Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht
Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Gezinsleden van 18 jaar of ouder | |
|---|---|---|
| Sigaretten of | 300 | 80 |
| Sigaren of | 60 | 20 |
| Cigarillo’s of | 100 | 30 |
| Rooktabak | 250 gram | 100 gram |
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Echtgenoot, echtgenote of partner | |
| --- | --- | --- |
| Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten | 2 liter | 2 liter |
| Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier | redelijke hoeveelheden | redelijke hoeveelheden |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 42q
Op grond van artikel 39 van de wet wordt vrijstelling van omzetbelasting verleend ter zake van de levering of de intracommunautaire verwerving van goederen en het verrichten van diensten en wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake de uitslag tot verbruik van goederen aan buitenlandse EU-strijdkrachten, ten behoeve van die strijdkrachten of het personeel van die strijdkrachten of voor de bevoorrading van de messes of kantines van die strijdkrachten.
De buitenlandse EU-strijdkrachten, het personeel van die strijdkrachten, de messes of kantines van die strijdkrachten worden voor de toepassing van de vrijstelling aangemerkt als buitenlandse NAVO-strijdkrachten, onderscheidenlijk personeel van die strijdkrachten, messes of kantines van die strijdkrachten.
In afwijking van het tweede lid zijn artikel 42c, tweede lid, artikel 42i, artikel 42j, artikel 42k, onderdeel a, en artikel 42l niet van toepassing.
Aan gezinsleden van personeel van buitenlandse EU-strijdkrachten wordt geen vrijstelling verleend.
Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Gezinsleden van 18 jaar of ouder | |
|---|---|---|
| Sigaretten of | 300 | 80 |
| Sigaren of | 60 | 20 |
| Cigarillo’s of | 100 | 30 |
| Rooktabak | 250 gram | 100 gram |
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Echtgenoot, echtgenote of partner | |
| --- | --- | --- |
| Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten | 2 liter | 2 liter |
| Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier | redelijke hoeveelheden | redelijke hoeveelheden |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
Artikel 31bis
Voor de toepassing van artikel 30ia, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt het te betalen bedrag aan belasting of een gedeelte daarvan geacht reeds te zijn geheven, dan wel op aangifte te zijn voldaan of afgedragen, in de situaties waarin:
- a. tussen partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een vermindering van de belastingaanslag van de ene partner leidt tot een teruggaaf van inkomstenbelasting en voor de andere partner tot een daarmee samenhangende belastingaanslag met een te betalen bedrag aan belasting waarover belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl het te betalen bedrag aan belasting, onderscheidenlijk een gedeelte daarvan, tot het moment van teruggaaf aan een van de partners geacht kan worden reeds te zijn geheven;
- b. een wijziging plaatsvindt in een verkrijging krachtens erfrecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Successiewet 1956, of ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap een wijzing plaatsvindt in de gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35f van de Successiewet 1956, waarbij een verkrijger een teruggaaf van erfbelasting ontvangt en een andere verkrijger een daarmee samenhangende belastingaanslag met een te betalen bedrag aan belasting waarover belastingrente in rekening wordt gebracht, terwijl het te betalen bedrag aan belasting, onderscheidenlijk een gedeelte daarvan, tot het moment van teruggaaf aan een van de verkrijgers geacht kan worden reeds te zijn geheven;
- c. een bedrag aan omzetbelasting ten onrechte in aftrek is gebracht waarna een naheffingsaanslag omzetbelasting met een te betalen bedrag aan belastingrente volgt, terwijl in plaats van die aftrek of een gedeelte daarvan, recht bestond op een bijdrage als bedoeld in de Wet op het BTW-compensatiefonds;
- d. ten onrechte een bijdrage als bedoeld in de Wet op het BTW-compensatiefonds is ontvangen waarna een beschikking als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van die wet met een te betalen bedrag aan belastingrente volgt, terwijl in plaats van die bijdrage of een gedeelte daarvan, recht bestond op een teruggaaf van omzetbelasting;
- e. een bedrag aan overdrachtsbelasting is voldaan ten aanzien van de verkrijging van een onroerende zaak, terwijl ten aanzien van deze verkrijging ter zake van de levering van de onroerende zaak omzetbelasting voldaan had moeten zijn en de verkrijging vrijgesteld was van overdrachtsbelasting.
Voor de toepassing van artikel 30ia, derde lid, onderdeel b, van de wet geldt dat indien sprake is van een verzoek aan de inspecteur om vermindering van belastingrente als bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet bij dat verzoek op duidelijke en overzichtelijke wijze dient te zijn vermeld ten aanzien van welke periode sprake is van belastingrente die in rekening is gebracht terwijl het te betalen bedrag aan belasting reeds is geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen. Het verzoek wordt op een door de inspecteur aangegeven wijze ingediend.
Bij de vermelding van de periode, bedoeld in het tweede lid, maakt de verzoekende belastingplichtige aannemelijk dat hij in aanmerking komt voor de vermindering van belastingrente, bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing als om de vermindering van belastingrente wordt verzocht via een bezwaar.
Voor de toepassing van artikel 30ia, derde lid, onderdeel c, van de wet geldt dat indien sprake is van een verzoek aan de inspecteur om vermindering van belastingrente als bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet de toepassing van artikel 30ia, eerste lid, van de wet achterwege blijft als het bedrag van de in rekening gebrachte belastingrente dat bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld als bedoeld in artikel 30j, eerste lid, van de wet, niet meer bedraagt dan € 100.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Gezinsleden van 18 jaar of ouder | |
|---|---|---|
| Sigaretten of | 300 | 80 |
| Sigaren of | 60 | 20 |
| Cigarillo’s of | 100 | 30 |
| Rooktabak | 250 gram | 100 gram |
| Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten | Echtgenoot, echtgenote of partner | |
| --- | --- | --- |
| Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten | 2 liter | 2 liter |
| Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier | redelijke hoeveelheden | redelijke hoeveelheden |
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)