← Geldende tekst · Geschiedenis

Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Geldende tekst a fecha 2026-01-01

Gelet op de artikelen 6, 7, 8, 13, 14, 19, 39, 40, 47a, 62 en 71 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 11 en 14 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepaling

Artikel 1
2.

Deze regeling verstaat onder de wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Hoofdstuk 2. Verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte

Artikel 2
1.

Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven, is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

2.

In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de erfbelasting, de belastingplichtige die niet binnen de in artikel 45 van de Successiewet 1956 bedoelde termijn van twintig maanden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

3.

In afwijking van het eerste lid is, met betrekking tot de schenkbelasting, de belastingplichtige begiftigde, alsmede de schenker die de belastbare schenking heeft gedaan, die niet binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

4.

Het verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde tijdvakken.

5.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien over het tijdvak waarover de belasting wordt geheven reeds een aanslag is opgelegd, dan wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat over dat tijdvak, na verrekening van voorheffingen, geen belasting verschuldigd is, geen aanslag zal worden opgelegd of uitsluitend op grond van artikel 9.4, eerste lid, onderdelen c of d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een aanslag zal worden opgelegd.

Artikel 3
1.

Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

2.

De belastingplichtige die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte en een teruggaaf van omzetbelasting wenst, is gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

3.

Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een verkrijging van aandelen in die rechtspersoon heeft plaatsgehad onder de in die bepaling genoemde omstandigheden, is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting ter zake van die verkrijging moet worden betaald, de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken, zo de rechtspersoon niet reeds met het oog op die verkrijging is uitgenodigd tot het doen van aangifte.

4.

Een vereniging als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, die voor een bepaald kalenderjaar niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden binnen veertien dagen na afloop daarvan de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

5.

Indien ter zake van een verkrijging van goederen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer of van andere goederen waarvan geen notariële akte is opgemaakt een vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt toegepast, is de verkrijger gehouden om binnen een maand na die verkrijging de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

Artikel 4

De in de artikelen 2 en 3 omschreven verplichtingen gelden mede voor de in de artikelen 43 en 44 van de wet bedoelde personen.

Hoofdstuk 3. Uitnodiging tot het doen van aangifte

Artikel 4a

Het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van aangifte, een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 18a

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 4. Het doen van aangifte en melding

Artikel 20

Aangifte wordt gedaan door het op de in de aangiftebrief, bedoeld in artikel 4a, aangegeven wijze, inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden.

Artikel 21

Vervallen

Artikel 21a

Met betrekking tot de overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging van andere goederen dan de goederen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarvan een notariële akte is opgemaakt, wordt door de notaris namens de verkrijger aangifte gedaan, door het aanbieden ter registratie van de akte en het aanbieden van de gegevens, bedoeld in artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Registratiewet 1970, op de wijze, bedoeld in dat artikel. In de akte wordt tevens vermeld of in verband met de verkrijging van de onroerende zaak of zaken tevens een of meer roerende zaken zijn verkregen. Indien dat het geval is, wordt in de akte voorts vermeld voor welk totaalbedrag deze roerende zaak of zaken werd of werden verkregen en of dat bedrag is begrepen in de in de akte vermelde tegenprestatie voor de onroerende zaak of zaken. De in de vorige volzin bedoelde roerende zaak of zaken worden in de akte of in een annex die bij de minuut is opgemaakt opgenomen. De inspecteur kan de notaris om een kopie van de annex verzoeken. In de akte worden alle gegevens opgenomen waarvan kennisneming van belang is of kan zijn voor de heffing van de overdrachtsbelasting.

Artikel 21b

Aan de verplichting, bedoeld in artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, wordt voldaan door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen, ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsbiljet.

Artikel 21c
1.

Het verzoek, bedoeld in artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965, wordt gedaan binnen drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld.

2.

Het verzoek, bedoeld in artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965, wordt door natuurlijke personen gedaan binnen vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld en door lichamen binnen drie jaren na afloop van het boekjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld.

3.

Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts eenmaal per kalenderjaar of boekjaar na afloop van dat kalenderjaar, onderscheidenlijk boekjaar, gedaan.

Artikel 22

Van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden, kan de inspecteur ontheffing verlenen ingeval degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, op een binnen de door de inspecteur ingevolge artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de wet gestelde termijn ingediend verzoek opnieuw is uitgenodigd tot het doen van aangifte.

Hoofdstuk 5. Voorlopige aanslag

Artikel 23
1.

De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

2.

De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag is een schatting. Voor de inkomstenbelasting kan deze schatting worden gedaan op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente belastingjaar. Voor de vennootschapsbelasting kan deze schatting worden gedaan op grond van het gemiddelde van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslagen over de twee meest recente belastingjaren.

De inspecteur houdt zo veel mogelijk rekening met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van belasting en met andere wijzigingen die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Indien:

kan de inspecteur afzien van het aanvullen van de voorlopige aanslag, ook op een daartoe strekkend verzoek van de belastingplichtige. In dat geval wordt met de wijzigingen uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden.

3.

De voorlopige aanslag van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt, over het jaar waarin het voegingstijdstip valt, alsmede die over het daaropvolgende jaar, vastgesteld alsof de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gedurende de twee voorafgaande jaren reeds verenigd waren.

Artikel 24

Indien een voorlopige aanslag inkomstenbelasting is of zal worden vastgesteld en een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de opgelegde of op te leggen voorlopige aanslag, doet de belastingplichtige daarvan zo spoedig mogelijk op de door de inspecteur aangewezen wijze mededeling aan de inspecteur. Deze mededeling wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 te zijn.

Hoofdstuk 6. Tijdvak

Artikel 25
1.

Het tijdvak waarover de omzetbelasting, de vliegbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de assurantiebelasting moeten worden betaald, is het kalenderkwartaal of, indien de inspecteur zulks vordert, dan wel de belastingplichtige over een kalendermaand aangifte doet, de kalendermaand.

2.

Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar, treden de boekjaarkwartalen en de boekjaarmaanden in de plaats van de kalenderkwartalen, onderscheidenlijk de kalendermaanden.

3.

In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan een kwartaal of een maand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald.

4.

Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip - anders dan tijdelijk - ophoudt belastingplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak.

Artikel 26
1.

Het tijdvak waarover de accijnzen, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken, de kansspelbelasting geheven van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met f, van de Wet op de kansspelbelasting, de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting, de kolenbelasting en de energiebelasting moeten worden betaald, is de kalendermaand.

2.

Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar, treden de boekjaarmaanden in de plaats van de kalendermaanden.

3.

In afwijking van het eerste lid is het tijdvak waarover de kansspelbelasting geheven de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 1, onderdelen a, b, d, e en f, van de Wet op de kansspelbelasting moet worden betaald het kalenderkwartaal, indien:

4.

Door vernummering vervallen.

5.

In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan de kalendermaand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald.

6.

Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip - anders dan tijdelijk - ophoudt belastingplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak.

Artikel 39
1.

De vrijstelling van overdrachtsbelasting, bedoeld in artikel 35, wordt verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor de huisvesting van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of die bestemd zijn voor bewoning door het hoofd van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, met uitzondering van honoraire consuls. De vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt, onder voorwaarde van wederkerigheid, mede verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor bewoning door andere leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Verkrijging wordt opgevat in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

2.

De vrijstelling wordt verleend in de vorm van teruggaaf van belasting, tenzij Onze Minister vooraf een vergunning heeft afgegeven om geen belasting te voldoen.

Artikel 28
1.

Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald is de kalendermaand of periode van vier aaneengesloten weken. De inspecteur deelt aan de inhoudingsplichtige mee welk tijdvak voor hem in een kalenderjaar van toepassing is.

2.

Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken vangt het eerste tijdvak van het kalenderjaar aan op de maandag voorafgaande aan de eerste donderdag van het kalenderjaar.

3.

Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken bevat het kalenderjaar maximaal 13 tijdvakken.

4.

Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken geldt, in zoverre in afwijking van het tweede lid, dat:

5.

Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip – anders dan tijdelijk – ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak.

Artikel 29

In afwijking van artikel 28, eerste lid, is het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald:

Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling

Artikel 30
1.

De inspecteur verleent op verzoek van de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel van betaling van loonbelasting of omzetbelasting over een tijdvak, indien met betrekking tot dat tijdvak, dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór of tegelijk met dat tijdvak, door die belastingplichtige, onderscheidenlijk die inhoudingsplichtige, een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan vanwege het feit dat de verschuldigde omzetbelasting minder beloopt dan de voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting.

Ingeval loonbelasting moet worden betaald over een tijdvak van vier weken dat niet aan het einde van een kalendermaand eindigt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin:

2.

Uitstel wordt slechts verleend tot het beloop van de teruggaaf omzetbelasting.

3.

Uitstel wordt niet verleend indien:

4.

Indien degene die het verzoek om uitstel doet een dochtermaatschappij, onderscheidenlijk een moedermaatschappij is met betrekking tot welke vennootschapsbelasting wordt geheven met toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is het eerste lid eveneens van toepassing indien het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan door de moedermaatschappij, dan wel door een andere dochtermaatschappij die voor de heffing van vennootschapsbelasting in deze is opgegaan, onderscheidenlijk door een dochtermaatschappij.

Hoofdstuk 6. Tijdvak

Artikel 31
1.

Bij de bepaling van het aantal dagen waarover ingevolge hoofdstuk VA van de wet belastingrente wordt berekend, wordt een volle kalendermaand gesteld op 30 dagen, met uitzondering van de maand op de laatste dag waarvan het tijdvak waarover de rente wordt berekend eindigt, in welk geval het werkelijke aantal dagen in aanmerking wordt genomen.

2.

Het bedrag van de in rekening te brengen belastingrente wordt naar beneden afgerond op gehele euro’s.

3.

Het bedrag van de te vergoeden belastingrente wordt naar boven afgerond op gehele euro’s.

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen

Artikel 32
1.

Een op grond van artikel 39 van de wet te verlenen vrijstelling wordt:

De inspecteur kan nadere voorwaarden en beperkingen stellen.

2.

Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt wanneer niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden die voor de vrijstelling gelden. Aan de voorwaarden die voor een vrijstelling gelden, wordt in ieder geval niet voldaan wanneer een goed of de nutswaarde van een dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend, geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt door of ten goede komt aan een ander dan degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend. Indien een instelling of persoon niet langer aanspraak heeft op een in het eerste lid bedoelde vrijstelling, vervalt de vrijstelling voor in het verleden met vrijstelling aangeschafte goederen en diensten, voorzover het goed of het nut van de dienst geacht kan worden nog niet volledig te zijn verbruikt.

3.

Wanneer een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt, is de belasting waarvan vrijstelling is verleend, verschuldigd door degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend. De instelling of persoon wordt terzake aangemerkt als belastingplichtige. De verschuldigde belasting wordt berekend naar het tarief - en voorzover van toepassing de dagwaarde van het goed of de resterende nutswaarde van de dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend - op het moment dat de vrijstelling vervalt. Ingeval van oneigenlijk gebruik van een vrijstelling wordt de verschuldigde belasting vastgesteld op ten minste het bedrag waarvan vrijstelling werd verleend.

4.

Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting, tenzij anders is bepaald. Ingeval evenwel een prestatie wordt verricht aan een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie of een militaire begraafplaats, kan de ondernemer die de prestatie verricht, ter zake van de omzetbelasting het tarief van nihil toepassen indien de instelling tijdig aan de ondernemer een geldige verklaring van de inspecteur ter beschikking stelt waaruit blijkt dat ter zake van die belasting het tarief van nihil kan worden toegepast. Op verzoek van de in de tweede volzin bedoelde instelling geeft de inspecteur deze verklaring af indien naar zijn oordeel aanspraak bestaat op vrijstelling van omzetbelasting en de vergoeding ten minste € 35.000 bedraagt.

5.

De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen van omzetbelasting en accijns met betrekking tot motorbrandstoffen bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of een internationale organisatie, of bestemd voor persoonlijk gebruik door een lid of personeelslid van een dergelijke instelling worden slechts verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99. De vrijstellingen worden verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting.

6.

Met inachtneming van hetgeen is bepaald in het eerste, tweede en derde lid wordt in gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet aanspraak bestaat op vrijstelling van belastingen bij invoer van een motorrijtuig mede een vrijstelling verleend van omzetbelasting bij levering dan wel intracommunautaire verwerving van een motorrijtuig. De vrijstelling wordt verleend bij wijze van toepassing van het tarief van nihil. De voorwaarden en beperkingen van de desbetreffende vrijstelling van belastingen bij invoer zijn van overeenkomstige toepassing.

7.

Voor de in het vijfde lid bedoelde instellingen en personen zijn ter zake van een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting met betrekking tot motorbrandstoffen, vrijstelling van accijns en vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen de voorwaarden van de artikelen 7:8 tot en met 7:14 van de Algemene douaneregeling van overeenkomstige toepassing.

8.

Op grond van artikel 39 van de wet wordt vrijstelling van omzetbelasting verleend ter zake van de levering van goederen aan of het verrichten van diensten voor de Europese Commissie of voor een krachtens het Unierecht opgericht agentschap of orgaan wanneer de Europese Commissie of een dergelijk agentschap of orgaan deze goederen of diensten aankoopt in het kader van de uitvoering van de hen bij het Unierecht toevertrouwde taken ter bestrijding van de COVID-19-pandemie, tenzij de aangekochte goederen en diensten onmiddellijk dan wel op een later tijdstip worden gebruikt voor latere leveringen onder bezwarende titel door de Commissie of door een dergelijk agentschap of orgaan. De vrijstelling wordt verleend bij wijze van toepassing van het tarief van nihil indien de afnemer tijdig aan de ondernemer die de prestatie verricht een geldige verklaring van de inspecteur ter beschikking stelt waaruit blijkt dat ter zake het tarief van nihil kan worden toegepast.

Artikel 32a
1.

In gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit, bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie of een militaire begraafplaats, wordt mede een vrijstelling verleend van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie.

2.

De vrijstelling van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie wordt gerealiseerd door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting. De vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd indien degene die de levering verricht over een geldige verklaring van de inspecteur beschikt waaruit blijkt dat ter zake van de levering geen energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie in rekening hoeft te worden gebracht. Artikel 32, vierde lid, tweede en derde zin, vindt alsdan ook toepassing bij een vergoeding die lager is dan € 35.000.

3.

Een verzoek om teruggaaf van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie wordt ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het energiedistributiebedrijf is verzonden. Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het energiedistributiebedrijf overgelegd. Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden. Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32b
1.

In gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van leidingwater, bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, een internationale organisatie of een militaire begraafplaats, wordt mede een vrijstelling verleend van belasting op leidingwater.

2.

De vrijstelling van belasting op leidingwater wordt gerealiseerd door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting. De vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd indien degene die de levering verricht over een geldige verklaring van de inspecteur beschikt waaruit blijkt dat ter zake van de levering geen belasting op leidingwater in rekening hoeft te worden gebracht. Artikel 32, vierde lid, tweede en derde zin, vindt alsdan ook toepassing bij een vergoeding die lager is dan € 35.000.

3.

Een verzoek om teruggaaf van belasting op leidingwater wordt ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening is verzonden. Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening overgelegd. Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden. Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33
1.

Van de belastingen, genoemd in het derde lid van dit artikel zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 34, 36, 37 en 38, vrijgesteld de leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en, met uitzondering van honoraire consuls, de leden van consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, mits zij:

De vrijstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdelen c, d, e en f, worden ten aanzien van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel slechts verleend indien sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland ten hoogste tien jaren zijn verstreken.

2.

De vrijstelling voor de in het eerste lid bedoelde personen vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bij hen inwonende gezinsleden en, onder voorwaarde van wederkerigheid, de bij hen in dienstbetrekking staande particuliere bedienden, mits zij:

3.

De in dit artikel bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot:

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inwonende gezinsleden van functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de fiscale vrijstellingen zoals die worden verleend aan de inwonende gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen.

5.

De vrijstelling van omzetbelasting wordt slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid; ten aanzien van functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan diplomaten, wordt met inachtneming van artikel 32, eerste lid, aangenomen dat aan de voorwaarde van wederkerigheid wordt voldaan.

Artikel 34
1.

De vrijstelling van inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 33, strekt zich niet uit tot het buiten het ambt of de betrekking genoten inkomen, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Bij de berekening van de inkomstenbelasting over de niet-vrijgestelde inkomensbestanddelen wordt geen rekening gehouden met de vrijgestelde inkomensbestanddelen.

2.

De vrijstelling van loonbelasting, bedoeld in artikel 33, strekt zich niet uit tot het buiten het ambt of de betrekking genoten loon.

3.

De vrijstelling van kansspelbelasting, bedoeld in artikel 33, strekt zich niet uit tot prijzen van binnenlandse kansspelen.

Artikel 35
1.

Van de belastingen, genoemd in het tweede lid van dit artikel zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 36, 37, 38 en 39, vrijgesteld de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden, met uitzondering van honoraire consulaire vertegenwoordigingen.

2.

De in het eerste lid bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot:

3.

Honoraire consulaire vertegenwoordigingen zijn, met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 36 en 39, vrijgesteld van:

4.

De vrijstelling van omzetbelasting, bedoeld in dit artikel, wordt slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid.

5.

De in dit artikel bedoelde vrijstellingen worden verleend aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.

Artikel 36
1.

De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in artikel 33 bedoelde personen wordt verleend voor de levering van roerende zaken bestemd voor hun persoonlijk gebruik, met uitzondering van de levering van levensmiddelen, drank of tabakswaren. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt.

2.

De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in artikel 35, eerste lid, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen wordt verleend voor de levering van goederen en het verrichten van diensten bestemd voor officieel gebruik van deze vertegenwoordigingen. Onder officieel gebruik wordt begrepen het huisvesten van leden van de vertegenwoordiging. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt.

3.

De vrijstelling van omzetbelasting ten behoeve van de in artikel 35, derde lid, bedoelde honoraire consulaire vertegenwoordigingen wordt beperkt tot de volgende prestaties:

4.

De teruggaaf wordt uitsluitend verleend, indien de levering of de dienst wordt ingeschreven in een door de inspecteur op verzoek uitgereikt of toegezonden formulier, onder overlegging van een gedagtekende factuur, waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld:

Zo de vergoeding per factuur een bedrag van € 225 te boven gaat, dient tevens een bewijs van betaling bij het formulier te worden gevoegd.

5.

Bij de aangifte ter verkrijging van teruggaaf wordt het in het vierde lid bedoelde formulier te zamen met de daarbij gevoegde facturen en eventuele bewijzen van betaling overgelegd. De facturen en eventuele bewijzen van betaling worden bij het afschrift van de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden.

Artikel 37
1.

De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting, bedoeld in de artikelen 33 en 35, wordt verleend voor motorrijtuigen bestemd voor persoonlijk gebruik door de in artikel 33 bedoelde personen of bestemd voor officieel gebruik ten behoeve van de in artikel 35, eerste lid, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen.

2.

De vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99 of in de serie 90-00 tot en met 99-99. De inspecteur kan de vrijstelling ook verlenen indien voor het motorrijtuig een ander kenteken is afgegeven.

Artikel 38
1.

De vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen, bedoeld in de artikelen 33 en 35, wordt verleend voor personenauto’s en motorrijwielen bestemd voor persoonlijk gebruik door de in artikel 33 bedoelde personen of bestemd voor officieel gebruik ten behoeve van de in artikel 35, eerste lid, bedoelde diplomatieke en beroepsconsulaire vertegenwoordigingen.

2.

De vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen wordt slechts verleend indien voor het motorrijtuig een CD-kenteken is afgegeven, dan wel een BN/GN-kenteken in de serie 70-00 tot en met 88-99 of in de serie 90-00 tot en met 99-99. Er wordt geen teruggaaf verleend van voor het motorrijtuig reeds betaalde belasting.

Artikel 39
1.

De vrijstelling van overdrachtsbelasting, bedoeld in artikel 35, wordt verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor de huisvesting van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of die bestemd zijn voor bewoning door het hoofd van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, met uitzondering van honoraire consuls. De vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt, onder voorwaarde van wederkerigheid, mede verleend voor de belasting die is verschuldigd ter zake van de verkrijging door een vreemde Mogendheid van in Nederland gelegen onroerende zaken die bestemd zijn voor bewoning door andere leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Verkrijging wordt opgevat in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

2.

De vrijstelling wordt verleend in de vorm van teruggaaf van belasting, tenzij Onze Minister vooraf een vergunning heeft afgegeven om geen belasting te voldoen.

Artikel 40
1.

Een voorwaardelijke vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend aan in een andere lidstaat van de Europese Unie:

2.

Een voorwaardelijke vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend aan personeelsleden van de in het eerste lid bedoelde instellingen.

3.

Bij het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen zijn de voorwaarden, zoals de andere lidstaat die voor de instelling, dan wel het personeelslid heeft vastgesteld voor de vrijstelling van omzetbelasting ter zake van prestaties in het binnenlandse vrije verkeer, van overeenkomstige toepassing. De vrijstellingen worden niet verleend voor goederen die bestemd zijn voor gebruik binnen Nederland, noch voor diensten verricht met betrekking tot dergelijke goederen.

4.

De in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstellingen worden slechts verleend, indien de instelling, dan wel het personeelslid een originele, door of namens de andere lidstaat gewaarmerkte verklaring overlegt waaruit blijkt dat ter zake aanspraak op vrijstelling van omzetbelasting bestaat. Voor deze verklaring dient gebruik te worden gemaakt van het EU-document ter uitvoering van de vrijstelling omzetbelasting en accijns bij intracommunautaire aankopen door ambassades en consulaten en de leden daarvan, internationale organisaties en bepaalde functionarissen daarvan, NAVO-onderdelen en EU-strijdkrachten.

5.

De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vrijstelling kan direct, bij wijze van toepassing van het tarief van nihil, worden verleend indien de instelling, dan wel het personeelslid, tijdig een geldige verklaring als bedoeld in het vierde lid ter beschikking stelt aan de ondernemer die de prestatie verricht. De in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling kan worden verleend in de vorm van teruggaaf van belasting indien het bedrag van de vergoeding per factuur ten minste € 225 bedraagt.

6.

De vrijstelling vervalt wanneer niet of niet langer wordt voldaan aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden. De alsdan verschuldigde omzetbelasting bedraagt ten hoogste het bedrag waarvan vrijstelling werd verleend.

Artikel 41

De werknemer die niet in Nederland woont en buiten Nederland in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, is, in afwijking in zoverre van artikel 2, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 7.2, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, vrijgesteld van loonbelasting onderscheidenlijk inkomstenbelasting indien:

Artikel 42
1.

Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van toepassing van het tarief van nihil wordt verleend voor de levering aan en de intracommunautaire verwerving door buitenlandse NAVO-strijdkrachten van uitrusting, proviand, materiaal en goederen die bestemd zijn:

2.

Vrijstelling van accijns en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verleend voor de uitslag tot verbruik respectievelijk de uitslag van goederen die worden geleverd aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten en die bestemd zijn:

3.

Een lid van de krijgsmacht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol dat de Nederlandse nationaliteit heeft mag uitsluitend gerantsoeneerde goederen, genoemd in de bijlage, onder de in artikel 42g, eerste lid gestelde voorwaarden, kopen in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes.

Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling

Artikel 43

Vervallen

Artikel 43a

Aan de verplichting, bedoeld in artikel 47b van de wet, wordt voldaan uiterlijk op het moment waarop de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 53, tweede en derde lid, van de wet, door een administratieplichtige als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 22a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 aan de inspecteur worden verstrekt.

Artikel 43b

Vervallen

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen

Artikel 44

De Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 wordt ingetrokken.

Artikel 45

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1994.

Artikel 46

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 27
1.

Het tijdvak waarover de bronbelasting, de minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking, de CO2-heffing industrie en de CO2-heffing glastuinbouw moeten worden betaald, is het kalenderjaar.

2.

Het tijdvak waarover de bronbelasting moet worden betaald, wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip – anders dan tijdelijk – ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak.

Artikel 43c
1.

De geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 10, eerste lid, van de Registratiewet 1970, geldt niet voor verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde publiekrechtelijke taak:

2.

De in het eerste lid bedoelde gegevens worden verstrekt op verzoek van het betreffende bestuursorgaan. De eerste volzin is niet van toepassing op de verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, onder 3°, en onderdeel aa, alsmede de onderdelen i en t voor zover het gegevens betreft die worden verstrekt aan de landelijk directeur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 30a

De inspecteur bepaalt zo spoedig mogelijk doch binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een terugmelding als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, onderdeel a, van de wet of het ontstaan van een situatie als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, onderdeel d, van de wet, of de aantekening ‘in onderzoek’ al dan niet wordt geplaatst.

Artikel 30b

De inspecteur vermindert ambtshalve een inkomensgegeven dat op een te hoog bedrag is bepaald zodra hem dat is gebleken, tenzij:

Hoofdstuk 8. Heffingsrente

Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling

Hoofdstuk 9. Vrijstellingen

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Artikel 43d

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel z, is van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 31a

Voor de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de wet, worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

Hoofdstuk 6a. Vaststelling aanslag voor toekenning tegemoetkoming

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 1a
1.

Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang:

2.

Een algemeen nut beogende instelling mag ter financiering van haar doelstelling commerciële activiteiten ontplooien, indien de inkomsten, zijnde het saldo van baten en lasten, gerealiseerd met die activiteiten, in overeenstemming met artikel 1b, binnen een redelijke termijn geheel of nagenoeg geheel ten goede komen aan die doelstelling.

3.

De beschikking waarbij een instelling wordt aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.

4.

De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een algemeen nut beogende instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt.

5.

Onder algemeen nuttige activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: alle activiteiten die erop zijn gericht om de doelstelling van een algemeen nut beogende instelling te verwezenlijken of te bevorderen. Activiteiten zijn geen algemeen nuttige activiteiten indien de instelling het geheel van die activiteiten tegen commerciële tarieven verricht.

6.

Onder commerciële activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: het tegen commerciële tarieven verrichten van werkzaamheden of verlenen van diensten met het oogmerk hiermee ter financiering van de algemeen nuttige activiteiten van de instelling een positief resultaat te behalen.

7.

De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bestaat ten minste uit:

8.

De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, wordt openbaar gemaakt met gebruikmaking van een van de door de inspecteur vastgestelde standaardformulieren indien sprake is van een instelling:

9.

De informatie, bedoeld in het zevende lid, onderdeel h, wordt telkens binnen zes maanden na afloop van het boekjaar openbaar gemaakt.

Artikel 1b
1.

Een algemeen nut beogende instelling houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.

2.

Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden begrepen:

3.

De algemeen nut beogende instelling vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden, alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen.

Artikel 1c

Als staat als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2°, van de wet en als bedoeld in artikel 5c, onderdeel d, van de wet wordt aangewezen elke mogendheid waarmee in de relatie met Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, schenkbelasting en erfbelasting zonder beperkingen of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens, inlichtingen en gegevensdragers.

Artikel 1d
1.

Een algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een culturele instelling, indien en zolang uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur of cultuureducatie.

2.

De beschikking waarbij een algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt als een culturele instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.

3.

De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een culturele instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt.

Artikel 1e
1.

Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken als algemeen nut beogende instellingen of als culturele instellingen (gemeenschappelijke aanwijzing), wordt in het verzoek vermeld op welke instellingen het verzoek betrekking heeft.

2.

Een instelling waarop een verzoek om een gemeenschappelijke aanwijzing betrekking heeft maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als algemeen nut beogende instelling, wordt niet in de gemeenschappelijke aanwijzing opgenomen.

3.

Een beschikking inzake een gemeenschappelijke aanwijzing kan met betrekking tot elk van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk worden ingetrokken, met ingang van het tijdstip waarop die instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden. Het intrekken van die beschikking kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum.

Artikel 1f
1.

Een stichting kwalificeert als een steunstichting SBBI, indien en zolang:

2.

Bij de geldinzameling door de stichting wordt duidelijk aangegeven wat het doel is van de inzameling, alsmede wat het in het eerste lid, onderdeel a, onder 7°, bedoelde jaar is.

3.

Per sociaal belang behartigende instelling kan slechts één stichting per viering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, als steunstichting SBBI kwalificeren.

4.

De inspecteur maakt het bestaan van een steunstichting SBBI op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

Hoofdstuk 2. Verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte

Hoofdstuk 3. Uitnodiging tot het doen van aangifte

Hoofdstuk 5. Voorlopige aanslag

Artikel 24a

Vervallen

Hoofdstuk 6a. Vaststelling aanslag voor toekenning tegemoetkoming

Hoofdstuk 7a. Basisregistratie inkomen

Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling

Hoofdstuk 8. Heffingsrente

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Hoofdstuk 6. Tijdvak

Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling

Hoofdstuk 6. Tijdvak

Hoofdstuk 8. Heffingsrente

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 20a

De Belastingdienst kan ondersteuning verlenen bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen van particuliere belastingplichtigen. Deze ondersteuning vindt plaats in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet. Onder ondersteuning bij het voldoen aan uit de belastingwet voortvloeiende verplichtingen wordt in elk geval verstaan:

Hoofdstuk 5. Voorlopige aanslag

Artikel 29a

Vervallen

Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling

Hoofdstuk 8. Heffingsrente

Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlagen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 31b

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 42a
1.

Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van teruggaaf wordt verleend voor de levering van goederen voor persoonlijk gebruik aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of aan de gezinsleden van dat personeel, waarbij die goederen door een ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 worden geleverd.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

3.

De teruggaaf wordt alleen verleend indien een betalingsbewijs wordt overgelegd waarop het geleverde goed is omschreven en de betaalde omzetbelasting is vermeld.

Artikel 42b
1.

Ter zake van aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten verleende diensten, bestemd voor officieel gebruik van die strijdkrachten, wordt met betrekking tot de omzetbelasting het tarief van nihil toegepast.

2.

De commandant legt bij de inspecteur een lijst over met de namen, rang, functie en handtekening van de personen van zijn strijdkracht die bevoegd zijn tot het aftekenen van facturen of documenten die betrekking hebben op diensten die verleend zijn aan zijn strijdkracht.

Artikel 42c
1.

Vrijstelling van omzetbelasting bij wijze van toepassing van het tarief van nihil wordt verleend voor de levering van aardgas, elektriciteit en leidingwater aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten en aan het personeel van die strijdkrachten voor hun persoonlijk gebruik.

2.

In gevallen waarin op grond van het eerste lid een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van aardgas, elektriciteit of leidingwater, wordt mede een vrijstelling verleend van energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie, onderscheidenlijk belasting op leidingwater. Artikel 32a, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 32b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 42d
1.

Vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën wordt verleend voor levering van motorbrandstoffen aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en bestemd voor persoonlijk verbruik door dat personeel in motorrijtuigen die hun eigendom zijn.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, wordt vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën voor motorbrandstoffen, ongeacht de soorten motorbrandstof, verleend aan:

3.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur op verzoek van of namens een personeelslid als bedoeld in het eerste lid verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting aan dat personeelslid.

4.

De commandant houdt een administratie bij van de hoeveelheid motorbrandstoffen die maandelijks aan een personeelslid wordt geleverd. Deze administratie wordt op verzoek van de inspecteur aan hem ter beschikking gesteld voor een controle.

Artikel 42e
1.

Vrijstelling van omzetbelasting en accijns van minerale oliën ter zake van de levering, de intracommunautaire verwerving, onderscheidenlijk de uitslag tot verbruik, wordt verleend voor minerale oliën, die in Nederland worden afgeleverd en bestemd zijn voor verbruik in luchtvaartuigen, oorlogsschepen en geregistreerde dienstvoertuigen van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of van de bij die strijdkrachten behorende civiele diensten.

2.

De vrijstelling van accijns van minerale oliën ter zake van de uitslag tot verbruik wordt verleend indien de inspecteur aan de houder van een ‘vergunning accijnsgoederenplaats’ toestemming heeft verleend tot het leveren aan buitenlandse NAVO-strijdkrachten of aan de bij die strijdkrachten behorende civiele diensten.

3.

De vrijstelling van accijns voor reeds tot verbruik uitgeslagen minerale oliën wordt op verzoek verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde accijns aan de strijdkrachten of de diensten, bedoeld in het eerste lid.

4.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijstelling van omzetbelasting met dien verstande dat het tarief van nihil wordt toegepast, indien de inspecteur aan degene die de levering verricht daarvoor een vergunning heeft afgegeven.

Artikel 42f
1.

Vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend voor geregistreerde dienstvoertuigen van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of van de bij die strijdkrachten behorende civiele dienst.

2.

Vrijstelling van motorrijtuigenbelasting wordt verleend voor ten hoogste twee motorrijtuigen die eigendom zijn van een personeelslid van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en bestemd zijn voor persoonlijk gebruik en voor de duur van zijn verblijf in Nederland.

3.

De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en inwonende gezinsleden daarvan, waarbij dat personeel in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland is gestationeerd en in Nederland woont, met uitzondering van Belgische- en Duitse personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten die in Nederland wonen, maar in hun eigen land zijn gestationeerd.

4.

De commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten verstrekt aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het tweede lid, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens.

Artikel 42g
1.

De goederen die met vrijstelling van omzetbelasting, van accijns of van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, bedoeld in artikel 42, zijn geleverd aan of intracommunautair zijn verworven door buitenlandse NAVO-strijdkrachten, kunnen aan het personeel van die strijdkrachten of gezinsleden daarvan in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes worden verkocht of om niet te worden overgedragen onder voorwaarde dat:

2.

De commandant houdt in zijn administratie bij de afgifte van rantsoenkaarten of het elektronische equivalent daarvan. Hierbij wordt in ieder geval vastgelegd het serienummer van de afgegeven kaart, in numerieke volgorde, met daarbij de naam van de gerechtigde en zijn rang alsmede de bijzonderheden omtrent de geldige identiteitskaart en in voorkomend geval zijn handtekening.

3.

Na elke rantsoenperiode wordt de administratie gedurende zeven jaar bewaard.

4.

De in gebruik zijnde en niet meer in gebruik zijnde administratie wordt op verzoek ter beschikking gesteld aan de inspecteur.

5.

De militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten zijn gehouden een administratie te voeren van alle ingekochte en verkochte goederen. Deze administratie wordt zeven jaar bewaard en wordt desgevraagd ter beschikking gesteld aan de inspecteur voor controle.

6.

De commandant zorgt ervoor dat:

De commandant beslist of een vervangende rantsoenkaart of het elektronische equivalent daarvan al dan niet zal worden afgegeven.

7.

Met toestemming van de inspecteur en onder eventueel door hem te stellen voorwaarden kan het beheer en de exploitatie van militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes worden uitbesteed aan derden.

Artikel 42h

De inspecteur kan toestemming verlenen om af te zien van de vrijstelling. Alsdan wordt de verschuldigde belasting voor:

Artikel 42i
1.

Vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend voor de levering van tabaksproducten, spijzen of alcoholhoudende dranken aan gepensioneerde leden van een krijgsmacht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol en aan gepensioneerde leden van de civiele dienst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Hoofdkwartierenprotocol, voor consumptie ter plaatse in kantines, restaurants, clubs of messes van een Geallieerd Hoofdkwartier.

2.

Gepensioneerd personeel van een krijgsmacht als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het NAVO-Statusverdrag of de weduwen en de weduwnaars van dat personeel, mogen niet-accijnsgoederen kopen in militaire winkels na daartoe van de inspecteur toestemming te hebben gekregen. Leveringen van goederen die bedoelde personen in dergelijke winkels hebben gekocht worden aangemerkt als uitvoer. Vervolgens worden die goederen op het tijdstip waarop de leveringen worden verricht aangemerkt als door bedoelde personen tegen betaling van een forfaitair belastingtarief van 16% in het vrije verkeer te zijn gebracht.

3.

De inspecteur kan aan een toestemming als bedoeld in het tweede lid voorwaarden verbinden.

4.

De inspecteur is bevoegd een verleende toestemming als bedoeld in het tweede lid geheel of gedeeltelijk in te trekken, indien aan de voorwaarden, waaronder de toestemming is verleend, niet wordt voldaan.

Artikel 42j
1.

Op personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de gezinsleden van dat personeel, voor zover dat personeel in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening is gestationeerd en in Nederland woont, is artikel 42i van overeenkomstige toepassing.

2.

De commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten verstrekt aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, alsmede van hun gezinsleden, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op Belgische- en Duitse personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten die in Nederland wonen, maar in hun eigen land zijn gestationeerd.

Artikel 42k

Het is niet toegestaan gerantsoeneerde goederen te kopen voor een ander, behoudens in de volgende gevallen:

Artikel 42l
1.

De artikelen 42a, 42f, tweede lid, en 42j zijn niet van toepassing op militair personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft en behoort tot de buitenlandse NAVO-strijdkrachten, maar in dienst is van de Nederlandse strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van dat personeel.

2.

Onverminderd artikel 42 zijn de artikelen 42a, 42d, 42f, tweede lid, 42i en 42j niet van toepassing op leden van de civiele dienst die de Nederlandse nationaliteit hebben en behoren tot het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van die leden.

Artikel 42m

De commandant verleent desgevraagd met alle hem ten dienste staande middelen aan de inspecteur de benodigde medewerking:

Artikel 42n

Indien de inspecteur controle wenst uit te oefenen op lokaliteiten binnen vestigingen van een buitenlandse NAVO-strijdkracht, vindt deze controle slechts plaats na voorafgaande kennisgeving aan de commandant.

Artikel 42o

De artikelen 31b, 32, eerste, tweede, derde lid en zesde lid, 40, 42 tot en met 42n alsmede artikel 18, aanhef en onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling accijns en artikel 10, aanhef en onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse strijdkrachten, het personeel daarvan en hun gezinsleden die behoren tot een staat die deelneemt aan het op 19 juni 1995 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten Partij bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige aan het Partnerschap voor de Vrede deelnemende Staten nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten en Aanvullend protocol (Trb. 1996, 74) en het op 19 december te Brussel tot stand gekomen Nader Aanvullend Protocol (Trb. 1998, 188), maar geen Partij is van het NAVO-Statusverdrag.

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Gezinsleden van 18 jaar of ouder
Sigaretten of 300 80
Sigaren of 60 20
Cigarillo’s of 100 30
Rooktabak 250 gram 100 gram
Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Echtgenoot, echtgenote of partner
--- --- ---
Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten 2 liter 2 liter
Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier redelijke hoeveelheden redelijke hoeveelheden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 42p
1.

Voor de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting, van accijns van minerale oliën en van verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, bedoeld in artikel 42, ter zake van goederen die zijn geleverd aan of intracommunautair zijn verworven door de AFNORTH International School, onderscheidenlijk de uitslag tot verbruik of de uitslag van goederen die zijn geleverd aan de AFNORTH International School, is ook sprake van uitsluitend gebruik door de strijdkrachten, in de zin van artikel 42, indien de school een zeer beperkt aantal kinderen toelaat dat niet tot het gezin behoort van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten.

2.

Voor de toepassing van de vrijstelling van omzetbelasting, bedoeld in artikel 42b, ter zake van aan de AFNORTH International School verleende diensten, is ook sprake van officieel gebruik van de strijdkrachten, in de zin van artikel 42b, indien de school een zeer beperkt aantal kinderen toelaat dat niet tot het gezin behoort van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten.

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Gezinsleden van 18 jaar of ouder
Sigaretten of 300 80
Sigaren of 60 20
Cigarillo’s of 100 30
Rooktabak 250 gram 100 gram
Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Echtgenoot, echtgenote of partner
--- --- ---
Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten 2 liter 2 liter
Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier redelijke hoeveelheden redelijke hoeveelheden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 27a

Het tijdvak waarover de solidariteitsbijdrage moet worden betaald, is gelijk aan het bijdragejaar bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage.

Hoofdstuk 7. Uitstel van betaling

Hoofdstuk 7a. Basisregistratie inkomen

Hoofdstuk 8a. Voorkoming van dubbele belasting; eenzijdige regeling

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 10a. Geen geheimhoudingsplicht

Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Gezinsleden van 18 jaar of ouder
Sigaretten of 300 80
Sigaren of 60 20
Cigarillo’s of 100 30
Rooktabak 250 gram 100 gram
Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Echtgenoot, echtgenote of partner
--- --- ---
Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten 2 liter 2 liter
Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier redelijke hoeveelheden redelijke hoeveelheden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 42q
1.

Op grond van artikel 39 van de wet wordt vrijstelling van omzetbelasting verleend ter zake van de levering of de intracommunautaire verwerving van goederen en het verrichten van diensten en wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake de uitslag tot verbruik van goederen aan buitenlandse EU-strijdkrachten, ten behoeve van die strijdkrachten of het personeel van die strijdkrachten of voor de bevoorrading van de messes of kantines van die strijdkrachten.

2.

De buitenlandse EU-strijdkrachten, het personeel van die strijdkrachten, de messes of kantines van die strijdkrachten worden voor de toepassing van de vrijstelling aangemerkt als buitenlandse NAVO-strijdkrachten, onderscheidenlijk personeel van die strijdkrachten, messes of kantines van die strijdkrachten.

3.

In afwijking van het tweede lid zijn artikel 42c, tweede lid, artikel 42i, artikel 42j, artikel 42k, onderdeel a, en artikel 42l niet van toepassing.

4.

Aan gezinsleden van personeel van buitenlandse EU-strijdkrachten wordt geen vrijstelling verleend.

Hoofdstuk 10. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Gezinsleden van 18 jaar of ouder
Sigaretten of 300 80
Sigaren of 60 20
Cigarillo’s of 100 30
Rooktabak 250 gram 100 gram
Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Echtgenoot, echtgenote of partner
--- --- ---
Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten 2 liter 2 liter
Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier redelijke hoeveelheden redelijke hoeveelheden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

Artikel 31bis
1.

Voor de toepassing van artikel 30ia, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt het te betalen bedrag aan belasting of een gedeelte daarvan geacht reeds te zijn geheven, dan wel op aangifte te zijn voldaan of afgedragen, in de situaties waarin:

2.

Voor de toepassing van artikel 30ia, derde lid, onderdeel b, van de wet geldt dat indien sprake is van een verzoek aan de inspecteur om vermindering van belastingrente als bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet bij dat verzoek op duidelijke en overzichtelijke wijze dient te zijn vermeld ten aanzien van welke periode sprake is van belastingrente die in rekening is gebracht terwijl het te betalen bedrag aan belasting reeds is geheven, dan wel op aangifte is voldaan of afgedragen. Het verzoek wordt op een door de inspecteur aangegeven wijze ingediend.

3.

Bij de vermelding van de periode, bedoeld in het tweede lid, maakt de verzoekende belastingplichtige aannemelijk dat hij in aanmerking komt voor de vermindering van belastingrente, bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet.

4.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing als om de vermindering van belastingrente wordt verzocht via een bezwaar.

5.

Voor de toepassing van artikel 30ia, derde lid, onderdeel c, van de wet geldt dat indien sprake is van een verzoek aan de inspecteur om vermindering van belastingrente als bedoeld in artikel 30ia, eerste lid, van de wet de toepassing van artikel 30ia, eerste lid, van de wet achterwege blijft als het bedrag van de in rekening gebrachte belastingrente dat bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld als bedoeld in artikel 30j, eerste lid, van de wet, niet meer bedraagt dan € 100.

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. Behorende bij artikel 42g, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Gezinsleden van 18 jaar of ouder
Sigaretten of 300 80
Sigaren of 60 20
Cigarillo’s of 100 30
Rooktabak 250 gram 100 gram
Personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten Echtgenoot, echtgenote of partner
--- --- ---
Alcoholhoudende dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22 volume percenten 2 liter 2 liter
Overige alcoholhoudende dranken, wijn en bier redelijke hoeveelheden redelijke hoeveelheden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen OB69, OB97, OB101, OB140, MB1, MB3, MB4, MB5, MB6, MB7, MB9 en MB11, die ter inzage worden gelegd bij de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.