Besluit van 29 juli 1994, tot wijziging van het Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 juni 1994, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 442834/94/6;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet en artikel 61 van de Wet op de jeugdhulpverlening;
De Raad van State gehoord (advies van 11 juli 1994, nr. W03.94.0361);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1994, no. 448822/94/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel II
Indien het bedrag per capaciteitsplaats, bepaald volgens artikel 3, eerste lid, aanmerkelijk lager is dan het bedrag per jeugdige bepaald volgens dit artikellid, zoals het luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan Onze Minister gedurende ten hoogste drie jaren vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, gelet op de bijzondere omstandigheden van de inrichting, een aanvullende subsidie verlenen.
Indien het bedrag per capaciteitsplaats, bepaald volgens artikel 3, eerste lid, aanmerkelijk hoger is dan het bedrag per jeugdige bepaald volgens dit artikellid, zoals het luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, kan Onze Minister gedurende ten hoogste drie jaren vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, om een geleidelijke verhoging van het bedrag per jeugdige te bewerkstelligen, het subsidie op een lager bedrag vaststellen.
Artikel III
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 1994.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.