Besluit van 15 december 1994, houdende nieuwe regels inzake de reclassering

Type AMvB
Publication 2019-06-26
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 7 september 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 455985/94/6;

Gelet op de artikelen 14d, tweede lid, 16 en 22e van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 147, 177, tweede lid, en 310 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 19, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen en artikel 15, eerste lid, van de Gratiewet;

Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing (advies van 24 juni 1994, nr. SR 45/94);

De Raad van State gehoord (advies van 29 november 1994, no. W03.94.0564);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 14 december 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 471960/94/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden berust bij één of meer door Onze Minister erkende reclasseringsinstellingen.

2.

Een reclasseringsinstelling neemt de bij en krachtens dit besluit gestelde regels in acht.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld:

Artikel 3
1.

Een reclasseringsinstelling stelt voor haar personeelsleden een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vast.

2.

Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

3.

Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

4.

Een reclasseringsinstelling bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

5.

De meldcode, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de bij artikel 2 van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgestelde elementen.

Hoofdstuk 2. Degenen die reclasseringswerkzaamheden kunnen verrichten

Artikel 4
1.

Reclasseringswerkzaamheden worden uitsluitend verricht door instellingen die zich blijkens hun statuten of reglementen ten doel of mede ten doel stellen, op bijzondere wijze of ten behoeve van één of meer bijzondere categorieën van personen, reclasseringswerkzaamheden te verrichten en die daartoe door Onze Minister zijn erkend als reclasseringsinstelling.

2.

Onze Minister beoordeelt een aanvraag voor een erkenning mede aan de hand van de toegevoegde waarde ten opzichte van het bestaande reclasseringsaanbod.

3.

De erkenning kan onder beperkingen worden verleend; aan de erkenning kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften kunnen na overleg met de betrokken instelling worden gewijzigd.

4.

De erkenning kan worden geschorst of ingetrokken. Intrekking van de erkenning geschiedt niet eerder dan nadat dertien weken zijn verstreken na een waarschuwing, waarbij is vermeld welke maatregelen moeten worden genomen om de intrekking te voorkomen.

Artikel 5
1.

In afwijking van artikel 4 kunnen onder verantwoordelijkheid van een reclasseringsinstelling bepaalde, door het bestuur van de reclasseringsinstelling vast te stellen, reclasseringswerkzaamheden worden verricht door:

2.

De vaststelling van reclasseringswerkzaamheden die door een instelling van maatschappelijke dienstverlening kunnen worden verricht, behoeft de instemming van Onze Minister.

Artikel 6
1.

Reclasseringswerkers zijn de door het bestuur van een reclasseringsinstelling als zodanig aangewezen personeelsleden van de reclasseringsinstelling.

2.

Alvorens zijn werkzaamheden aan te vangen, legt de reclasseringswerker de eed of belofte af dat hij zijn taak overeenkomstig de gestelde voorschriften naar geweten zal vervullen.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de eisen voor aanwijzing als reclasseringswerker en ter uitvoering van het tweede lid.

Artikel 7

Reclasseringswerkers hebben voor de uitoefening van hun werkzaamheden vrije toegang:

Hoofdstuk 3. De reclasseringswerkzaamheden

Artikel 8
1.

Onze Minister draagt er zorg voor dat in ieder arrondissement in ieder geval en zoveel mogelijk in onderlinge samenhang, in opdracht van de bevoegde autoriteiten de volgende reclasseringswerkzaamheden worden uitgevoerd:

2.

Een reclasseringsinstelling dient op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten van advies omtrent onderwerpen die voor de reclassering van belang zijn.

Artikel 9

Een reclasseringsinstelling kan uit eigen beweging of op verzoek van anderen, onder wie de betrokkene, voorlichting en advies als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, geven of doen geven.

Artikel 10

Nadat overeenkomstig artikel 59, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering bericht is ontvangen van het bevel tot inverzekeringstelling van een verdachte beslist een reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk:

Artikel 11
1.

De directeur van een penitentiaire inrichting bericht een reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk omtrent de binnenkomst van een gedetineerde in de inrichting.

2.

De directeur van een penitentiaire inrichting bericht een reclasseringsinstelling zo spoedig mogelijk maar tenminste vier weken van te voren omtrent de datum van ontslag van een gedetineerde, die bij zijn ontslag een werkelijke straftijd zal hebben ondergaan van meer dan drie maanden en die gehouden is medewerking te verlenen aan reclasseringstoezicht. Gelijke verplichting geldt indien de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege blijft krachtens rechterlijke beslissing.

Artikel 12
1.

Een reclasseringsinstelling brengt, indien opdracht is gegeven toezicht te houden op de naleving van bij of krachtens de wet opgelegde voorwaarden, een rapport over de daarmee verband houdende bemoeiingen uit aan Onze Minister, de rechter of de officier van justitie. Het rapport bevat een advies over de maatregelen waartoe het aanleiding zou kunnen geven.

2.

Aan het rapport wordt door de reclasseringsinstelling een advies terzake toegevoegd, indien het rapport naar haar oordeel aanleiding zou kunnen geven tot een van de navolgende maatregelen:

Artikel 13

De in de hoofdstukken 14, 16 en 17 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden aan de reclassering opgedragen werkzaamheden worden door een reclasseringsinstelling verricht.

Artikel 14

Vervallen

Hoofdstuk 4. De subsidiëring van de reclassering

§ 4.1. Algemeen

Artikel 15
1.

Een reclasseringsinstelling ontvangt jaarlijks ten laste van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie een subsidie voor de reclasseringswerkzaamheden die door haar of onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

2.

Een afzonderlijke subsidie kan worden verleend ten behoeve van de bouw, de inrichting en de uitbreiding van gebouwen ten dienste van de reclassering.

3.

De verlening van subsidie geschiedt voor 1 januari van het subsidiejaar.

4.

De vaststelling van subsidie geschiedt voor 1 september van het op het subsidiejaar volgende jaar.

§ 4.2. Subsidieverlening

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18
1.

Voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar nodigt Onze Minister de reclasseringsinstellingen uit tot het indienen van een subsidieaanvraag.

2.

Daarbij geeft hij aan in hoeverre wijziging is opgetreden of naar verwachting wijziging zal optreden in het voor de reclassering in het subsidiejaar beschikbare bedrag.

3.

Onze Minister informeert de reclasseringsinstellingen zoveel mogelijk over wijzigingen als bedoeld in het tweede lid die zich daarna voordoen.

Artikel 19
1.

Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar dient de reclasseringsinstelling bij Onze Minister een subsidieaanvraag in.

2.

De reclasseringsinstelling houdt daarbij rekening met de financiële ruimte zoals die door de wetgever is vastgesteld of naar verwachting zal worden vastgesteld.

3.

De subsidieaanvraag gaat vergezeld van:

4.

Het activiteitenplan, bedoeld in het derde lid, wordt afgestemd op de behoefte aan reclasseringswerkzaamheden binnen de diverse arrondissementen en van opdrachtgevers.

Artikel 20
1.

Voor de aanvang van het subsidiejaar neemt Onze Minister het besluit waarbij de subsidie voor het subsidiejaar wordt verleend, zo nodig onder de voorwaarde dat door de wetgever voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

2.

In het besluit wordt in ieder geval aangegeven welke categorieën van activiteiten in welke omvang en volgens welke berekeningswijze ten hoogste voor subsidiëring in aanmerking zullen komen.

Artikel 21
1.

De reclasseringsinstelling voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.

2.

De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.

Artikel 22
1.

Indien gedurende het subsidiejaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

2.

De reclasseringsinstelling geeft Onze Minister zo spoedig mogelijk tevens kennis van omstandigheden die hetzij van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de subsidie, hetzij aanleiding kunnen geven tot een wijziging van de subsidieverlening.

Artikel 23

De reclasseringsinstelling kan Onze Minister verzoeken de subsidieverlening te wijzigen.

Artikel 24

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.