Wet van 23 december 1994, houdende vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 186
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belastingen op grondwater, afvalstoffen en uranium-235 in te stellen en deze te zamen met de in de Wet milieubeheer opgenomen verbruiksbelastingen van brandstoffen te vervatten in één wet belastingen op milieugrondslag;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven:

Artikel 2

1.

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen de GN-codes, genoemd in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden aangepast indien de overeenkomstige GN-codes zoals opgenomen in Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283), in overeenstemming met artikel 2, vijfde lid, van die richtlijn zijn aangepast. In dat geval kan bij regeling van Onze Minister eveneens de laatstgenoemde datum in het eerste lid, onderdeel c, worden vervangen door de datum van de versie van de in dat onderdeel bedoelde verordening die aan de wijziging van de GN-codes ten grondslag heeft gelegen.

Hoofdstuk II. Grondwaterbelasting

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 3

Vervallen

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5

Vervallen

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Afdeling 4. Tarief

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Afdeling 4a. Teruggaaf

Artikel 10a

1.

Aan degene die van een waterleidingbedrijf betrokken water gebruikt als spoelwater voor meermaals te gebruiken produktverpakkingen wordt op zijn verzoek door de inspecteur een teruggaaf verleend van de belasting op de betrokken hoeveelheid spoelwater.

2.

De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

3.

Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het vierde lid bedoelde kennisgeving.

4.

Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het derde lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.

5.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

6.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 5. Verplichting ten dienste van de belastingheffing

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk IIA. Belasting op leidingwater

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 11a

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Artikel 11b

Onder de naam belasting op leidingwater wordt een belasting geheven op leidingwater.

Artikel 11c

1.

De belasting wordt geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 300 kubieke meter per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting.

2.

Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden wordt de in het eerste lid genoemde hoeveelheidsgrens naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

3.

Bij de levering van leidingwater aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd water, met dien verstande dat, indien de exploitant van de installatie aan degene die het leidingwater heeft geleverd een verklaring heeft overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken, bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken dat door de installatie van water wordt voorzien, ten hoogste wordt geheven over een hoeveelheid van 300 kubieke meter vermenigvuldigd met dat aantal.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 11d

De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 11e

1.

De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in kubieke meters.

2.

Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke meters bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt aan die verbruikers.

Artikel 11f

1.

De belasting wordt verschuldigd:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 11c, eerste lid, wordt de hoeveelheid water, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid.

3.

Onder de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotten.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 11g

Het tarief bedraagt € 0,149 per kubieke meter.

Afdeling 5. Vrijstellingen

Artikel 11h

1.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van leidingwater door middel van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden.

2.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter effectuering van de toepassing van het eerste lid. Daarbij worden tevens regels gesteld inzake administratieve verplichtingen.

Afdeling 6. Teruggaaf

Artikel 11i

1.

Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van de levering van leidingwater, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 11d, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.

2.

De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

3.

Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het vierde lid bedoelde kennisgeving.

4.

Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het derde lid genoemde termijn kan geven, stelt hij belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.

5.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.

6.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 11j

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor zover de belasting over de hoeveelheden leidingwater die door een verbruiker in een verbruiksperiode van 12 maanden van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.

2.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de verbruiker.

3.

Artikel 11i, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 11k

1.

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 11d, is gehouden een administratie te voeren zodanig dat – voor zover dat voor de heffing van de belasting van belang kan zijn daaruit te allen tijde duidelijk blijken:

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen moet worden voldaan.

Hoofdstuk III. Afvalstoffenbelasting

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Artikel 12

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, onder 2°, is de verbruiksperiode in de aldaar bedoelde gevallen:

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Artikel 13

Onder de naam belasting op leidingwater wordt een belasting geheven op leidingwater.

Artikel 14

1.

De belasting wordt geheven ter zake van de levering van leidingwater via een aansluiting aan de verbruiker, met dien verstande dat de belasting wordt geheven over een hoeveelheid van maximaal 50.000 kubieke meter per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting. Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden wordt de hoeveelheidsgrens, genoemd in de eerste volzin, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

2.

Als een levering als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt de levering van leidingwater via een aansluiting op het distributienet van een afzonderlijke watervoorziening, tenzij degene die de levering verricht leidingwater levert via in totaal ten minste 1000 aansluitingen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor vaststelling van het aantal aansluitingen dat bij toepassing van de eerste volzin in aanmerking wordt genomen, in het geval dat het water wordt geleverd aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening.

3.

Bij de levering van leidingwater aan een particuliere installatie voor centrale watervoorziening wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de belasting geheven over de totale hoeveelheid geleverd water, met dien verstande dat, indien de exploitant van de installatie aan degene die het leidingwater heeft geleverd een verklaring heeft overgelegd waarin opgaaf wordt gedaan van het aantal onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken dat door de installatie van water wordt voorzien, ten hoogste wordt geheven over een hoeveelheid van 50.000 kubieke meter vermenigvuldigd met dat aantal.

4.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 15

De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.

Artikel 16

1.

De belasting wordt geheven per eenheid leidingwater, gemeten in kubieke meter.

2.

Ingeval de hoeveelheid geleverd leidingwater niet in kubieke meter bekend is, wordt de belasting geheven over een hoeveelheid die wordt berekend door het bedrag dat ter zake van de levering van water in rekening wordt gebracht, te verminderen met het vastrecht dat door de leverancier aan huishoudelijke verbruikers in rekening wordt gebracht indien wel een meter aanwezig is, en de uitkomst te delen door de prijs per kubieke meter die de leverancier in rekening brengt aan die verbruikers.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 17

1.

De belasting wordt verschuldigd:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 14, eerste lid, wordt de hoeveelheid leidingwater, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheid.

3.

In gevallen waarin per verbruiksperiode van twaalf maanden meer dan 50.000 kubieke meter leidingwater via een aansluiting aan een verbruiker wordt geleverd en ter zake van die levering voorschotnota’s worden uitgereikt of voorschotbedragen worden ontvangen, wordt bij de berekening van de op de verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotbedragen naar evenredigheid rekening gehouden met de belasting die overeenkomstig artikel 14, eerste lid, ter zake van de hoeveelheid van 50.000 kubieke meter is verschuldigd.

4.

Indien de verrekening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel g, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.

Artikel 18

Het tarief bedraagt € 0,437 per kubieke meter leidingwater.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 18a

In de gevallen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, wordt de belasting ter zake van de leveringen die vanaf het begin van het kalenderjaar zijn verricht, herrekend met inachtneming van artikel 14, eerste lid, tweede volzin. Indien deze herrekening leidt tot een hoger of lager belastingbedrag dan de belasting die zonder de herrekening over de gehele verbruiksperiode verschuldigd zou zijn, wordt de belasting die moet worden voldaan over het tijdvak waarin de overeenkomst tot levering wordt beëindigd dienovereenkomstig verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. Bij de bepaling van de belasting die op de laatste factuur aan de verbruiker wordt vermeld, wordt de verhoging of verlaging, bedoeld in de tweede volzin, in aanmerking genomen.

Artikel 18b

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van belasting verleend met betrekking tot stoffen, preparaten of andere producten die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, verlaten, met dien verstande dat geen teruggaaf wordt verleend voor percolaat of stortgas.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde stoffen, preparaten of andere producten die nuttig zijn toegepast, nadere regels worden gesteld ter berekening van het terug te geven bedrag aan belasting.

3.

Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen.

4.

Het verhoudingsgetal, bedoeld in het derde lid, wordt gebaseerd op de in het voorafgaande tijdvak gerealiseerde cijfers. Na afloop van het kalenderjaar vindt herrekening plaats op de voet van het eerste lid.

5.

Artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18c

1.

Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van de afgifte ter verwijdering van afvalstoffen, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 14, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.

2.

Artikel 10a, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 6*. Teruggaaf

Artikel 19

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van leidingwater door middel van noodvoorzieningen, waaronder worden verstaan brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke, indien deze uitsluitend worden gebruikt in buitengewone omstandigheden.

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Afdeling 6*. Teruggaaf

Artikel 20

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor zover de belasting over de hoeveelheden leidingwater die door een verbruiker gedurende dezelfde periode binnen een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.

2.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan de verbruiker.

3.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.

4.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 7*. Verplichting ten dienste van de belastingheffing

Artikel 21

1.

De in artikel 15 bedoelde belastingplichtige voert een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.

Artikel 22

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden niet tot afvalstoffen gerekend die stoffen, preparaten en voorwerpen, die voldoen aan de voorwaarden van bij algemene maatregel van bestuur opgesomde besluiten en regelingen volgens welke deze stoffen, preparaten en voorwerpen buiten inrichtingen met een stortplaats milieuhygiënisch verantwoord zijn toe te passen, dan wel bestemd zijn te worden gebruikt voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen toepassingen die hetzij verband houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uitmaken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen.

Artikel 23

1.

Onder de naam afvalstoffenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van:

2.

De aan een inrichting afgegeven afvalstoffen en de uit Nederland overgebrachte afvalstoffen worden geacht alle ter verwijdering te zijn afgegeven, onderscheidenlijk overgebracht.

3.

De uitzondering voor afvalstoffen die naar Nederland zijn overgebracht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geldt niet voor afvalstoffen die in Nederland zijn ontstaan of zijn vermengd met afvalstoffen die in Nederland zijn ontstaan.

4.

Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan, voor zover die verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van aan die inrichting ter verwijdering afgegeven afvalstoffen ter zake waarvan afvalstoffenbelasting is geheven.

5.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 24

De belasting wordt geheven:

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 25

1.

De belasting wordt berekend:

2.

Wanneer de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in het buitenland op een zodanige wijze zijn gestort of verbrand dat bij een vergelijkbare verwerking in Nederland een lager belastingbedrag verschuldigd zou zijn, wordt ook voor de heffing ten aanzien van de uit Nederland overgebrachte afvalstoffen dit lagere belastingbedrag in aanmerking genomen.

3.

Het gewicht van de uit Nederland overgebrachte afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsmede, indien van toepassing, de wijze van verwerking in het buitenland, bedoeld in het tweede lid, blijkt uit een beschikking van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 1, derde lid, en hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn niet van toepassing met betrekking tot deze beschikking.

4.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het gewicht van de afvalstoffen wordt bepaald.

Artikel 26

De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop:

Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid

Artikel 27

1.

Op de ingevolge artikel 23, eerste lid, onderdeel a of b, verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of voorwerpen die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, hebben verlaten, met dien verstande dat de vermindering niet wordt toegepast ter zake van percolaat, stortgas of stoffen die na verbranding via de schoorsteen de inrichting verlaten.

2.

Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover uit boeken en bescheiden blijkt:

3.

Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat voor de berekening van de verschuldigde belasting met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen.

4.

Het in het derde lid bedoelde verhoudingsgetal wordt gebaseerd op de gegevens uit het voorafgaande tijdvak. Na afloop van het kalenderjaar vindt herrekening plaats op de voet van het eerste en tweede lid.

5.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde vermindering van belasting en het in het derde lid bedoelde verhoudingsgetal worden toegepast.

6.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid

Artikel 27a

1.

Op de ingevolge artikel 23, eerste lid, onderdeel a of b, verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of voorwerpen die in de inrichting in een zodanige staat zijn gebracht, dat deze op grond van artikel 22, tweede lid, niet langer tot afvalstoffen worden gerekend.

2.

Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover uit boeken en bescheiden blijkt dat ten aanzien van de stoffen, preparaten en voorwerpen wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, gesteld bij of krachtens artikel 22, tweede lid.

3.

Artikel 27, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de in het eerste lid bedoelde vermindering wordt toegepast.

5.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 28

1.

Het tarief bedraagt in geval van:

2.

Bij toepassing van artikel 23, eerste lid, onderdeel c, wordt voor de gehele periode van overbrenging het laagste tarief toegepast dat gedurende deze periode op enig moment geldt ingevolge het eerste lid, onderdeel d. De periode van overbrenging vangt aan op het tijdstip van aanvang van de eerste fysieke overbrenging met toepassing van de toestemming, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, en eindigt op het tijdstip van de aanvang van de laatste fysieke overbrenging met toepassing van die toestemming.

3.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde bij het tweede lid.

4.

Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het tarief voor het storten van afvalstoffen die ter verwijdering worden afgegeven in partijen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit door bij die regeling vast te stellen categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, wordt vastgesteld tot een verlaagd percentage van het tarief, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel tot nihil.

Artikel 28a

Vervallen

Afdeling 3. Maatstaf van heffing

Artikel 29

1.

Vrijgesteld is de afgifte ter verwijdering of overbrenging ter verwijdering van baggerspecie.

2.

Indien baggerspecie ter verwijdering wordt afgegeven aan inrichtingen waar op grond van de voor die inrichting geldende omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, ook andere afvalstoffen dan baggerspecie mogen worden gestort, wordt door de aanbieder van de baggerspecie aan de houder van de inrichting een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van baggerspecie.

3.

De in het tweede lid bedoelde verklaring wordt verstrekt door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing

Artikel 30

1.

Op verzoek wordt teruggaaf verleend van belasting ter zake van afvalstoffen die afkomstig zijn van een overtreder jegens wie krachtens artikel 18.2 van de Wet milieubeheer of artikel 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bestuursdwang is toegepast, indien:

2.

De teruggaaf wordt verleend aan de provincie of de gemeente, die de afvalstoffen ter verwijdering heeft afgegeven.

3.

De teruggaaf bedraagt maximaal de betaalde afvalstoffenbelasting die naar evenredigheid is toe te rekenen aan het deel van de totale kosten van de toepassing van bestuursdwang dat niet verhaald kan worden op de overtreder.

Hoofdstuk V

Artikel 31

1.

De belastingplichtige is gehouden een administratie te voeren zodanig dat daaruit te allen tijde duidelijk blijken de aard, de hoeveelheid en de herkomst van de afvalstoffen.

2.

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 24, onderdeel a, is gehouden de administratie zodanig in te richten dat daarin op overzichtelijke wijze is opgenomen welke stoffen, preparaten of voorwerpen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, in welke hoeveelheden en op welk tijdstip de inrichting zijn binnengebracht dan wel hebben verlaten.

3.

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 24, onderdeel b, is gehouden de administratie zodanig in te richten dat daarin per overbrenging op overzichtelijke wijze is opgenomen:

Artikel 32

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 33

1.

Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van kolen als brandstof binnen een inrichting.

2.

Als uitslag wordt mede aangemerkt het voorhanden hebben van kolen waarvan de belasting niet is geheven, door:

3.

Het tweede lid is, onder bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, niet van toepassing met betrekking tot kolen die worden vervoerd naar:

4.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verplichtingen waaraan de in het tweede lid bedoelde personen of lichamen voor de toepassing van dit hoofdstuk moeten voldoen.

5.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 34

1.

Als uitslag wordt niet aangemerkt het brengen van kolen vanuit een inrichting naar:

2.

Als uitslag wordt niet aangemerkt het gebruik van kolen voor het vervaardigen van kolen, aardgas als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel m, producten die op grond van artikel 48, tweede lid, als aardgas worden aangemerkt, of minerale oliën als bedoeld in artikel 25 van de Wet op de accijns.

3.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder het eerste en tweede lid toepassing vinden.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 35

1.

Als invoer wordt mede aangemerkt:

2.

Als invoer wordt niet aangemerkt het, met inachtneming van bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden:

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 36

Onder de naam kolenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van de uitslag en de invoer van kolen.

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 36a

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de herleiding van feitelijke hoeveelheden van halfzware olie en gasolie tot hoeveelheden bij een temperatuur van 15°C.

3.

Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.

4.

Met betrekking tot elektriciteit wordt onder distributienet verstaan een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998, met uitzondering van een net als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998.

5.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, onderdeel q.

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 36b

1.

Onder de naam energiebelasting wordt een belasting geheven op de volgende producten:

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt als één van de onder het eerste lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde producten, niet zijnde één van deze producten, mede aangemerkt elk product dat direct of indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als één van deze producten.

Artikel 36c

1.

Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven ter zake van de uitslag en van de invoer, als was de belasting een accijns.

2.

Met betrekking tot aardgas wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een aansluiting aan een CNG-vulstation. Met betrekking tot overige gassen wordt de belasting geheven ter zake van de levering aan de verbruiker.

3.

Met betrekking tot elektriciteit wordt de belasting geheven ter zake van de levering via een aansluiting aan de verbruiker, met uitzondering van de levering van elektriciteit aan degene die op zijn beurt leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht.

4.

Als een levering als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt mede aangemerkt het verbruik van aardgas, overige gassen en elektriciteit, indien deze op andere wijze zijn verkregen dan door een levering als bedoeld in het tweede en derde lid. Als een levering als bedoeld in het derde lid wordt mede aangemerkt het verbruik van elektriciteit, indien de elektriciteit is verkregen door tussenkomst van de Amsterdam Power Exchange, alsmede het verbruik van elektriciteit door degene die leveringen via een aansluiting aan de verbruiker verricht.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing met betrekking tot de verbruiker die:

6.

Als levering wordt niet aangemerkt het verbruik van een van de producten genoemd in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d en e, indien die producten worden verbruikt voor de vervaardiging van producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, alsmede lichte olie als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Wet op de accijns en zware stookolie als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de Wet op de accijns, in dezelfde inrichting waarin zij zijn ontstaan.

7.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder het vijfde en zesde lid toepassing vinden.

8.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 36d

Als uitslag wordt mede aangemerkt het gebruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen, voor andere doeleinden dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen.

Artikel 36e

1.

Met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, wordt de belasting geheven van degene die ter zake accijns verschuldigd is of zou zijn, indien van die brandstoffen accijns zou worden geheven.

2.

Met betrekking tot aardgas, overige gassen en elektriciteit wordt de belasting geheven van degene die de levering verricht.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt bij toepassing van artikel 36c, vierde lid, de belasting geheven van de verbruiker.

4.

Voor de toepassing van het tweede lid dient, indien degene die de levering aan de verbruiker verricht, niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht, degene die de levering verricht in Nederland ter zake van deze levering een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen. De fiscaal vertegenwoordiger treedt op namens degene die levert aan de verbruiker en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de aangifte en de betaling van de belasting, alsmede de verplichtingen, bedoeld in artikel 36n.

5.

De fiscaal vertegenwoordiger dient in het bezit te zijn van een daartoe verstrekte vergunning van de inspecteur.

6.

Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur. Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek moet bevatten.

7.

Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.

8.

Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing en de invordering, regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken. Het verlenen, het weigeren, het wijzigen en het intrekken van de vergunning geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.

9.

In afwijking van het tweede lid wordt de belasting geheven van de verbruiker indien degene die de levering aan de verbruiker verricht en geen fiscaal vertegenwoordiger heeft, niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht.

10.

Indien in een verbruiksperiode van 12 maanden ten aanzien van de verbruiker, bedoeld in het derde en negende lid, zowel sprake is van door hem op grond van het derde onderscheidenlijk negende lid verschuldigde belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair is verschuldigd op grond van het tweede lid.

Artikel 36f

In afwijking van artikel 36e, eerste lid, wordt de belasting bij toepassing van artikel 36d geheven van degene die de halfzware olie, de gasolie of het vloeibaar gemaakt petroleumgas gebruikt.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 36g

De belasting wordt voor halfzware olie, gasolie, vloeibaar gemaakt petroleumgas en aardgas geheven per eenheid brandstof, uitgedrukt in L, kilogram of m3, en voor elektriciteit en overige gassen per eenheid energie-inhoud, uitgedrukt in kWh onderscheidenlijk gigajoule.

Artikel 36h

1.

De belasting met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de accijns ter zake van die brandstoffen verschuldigd wordt of zou worden indien van die brandstoffen accijns zou worden geheven.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 36d verschuldigd op het tijdstip waarop het gebruik plaatsvindt.

3.

De belasting met betrekking tot de levering van aardgas, overige gassen en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd:

4.

Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, onder 1°, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden.

5.

Onder de in het derde lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde eindfactuur wordt verstaan de factuur die wordt opgemaakt na afloop van een verbruiksperiode en waarin verrekening plaatsvindt met de op deze verbruiksperiode betrekking hebbende voorschotten.

6.

In afwijking van het derde lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 36c, vierde lid, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt.

7.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 36i

1.

Het tarief bedraagt voor:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt het tarief nihil voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen of voor de voortstuwing van luchtvaartuigen.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedraagt het tarief voor halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, onderscheidenlijk€ 17,5795, € 17,7102 en € 21,1255, indien geen aansluiting aanwezig is voor aardgas.

4.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, bedraagt het tarief voor aardgas als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, voor aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule, voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat:

5.

Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde lager of hoger dan 35,17 megajoule per m3 worden de in het eerste lid, onderdelen d en h, en vierde lid genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

6.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, bedraagt het tarief voor aardgas € 0,1531 per m3 voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming.

7.

Zakelijk verbruik is verbruik door een zakelijke eenheid die zelfstandig, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of verrichter van diensten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Rijks-, regionale en lokale overheden, alsmede andere publiekrechtelijke lichamen worden als zakelijke eenheid aangemerkt voorzover zij werkzaamheden of transacties verrichten die bij een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoring van enige betekenis zouden leiden.

8.

Niet-zakelijk verbruik is het verbruik anders dan het zakelijk verbruik, bedoeld in het negende lid.

9.

Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk als niet-zakelijk verbruik worden de tarieven genoemd in het eerste lid, onderdelen d en g, voor verbruik boven 10 000 000 m3 respectievelijk 10 000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig aangemerkt.

10.

Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden worden de in het eerste lid, onderdelen d en g, en vierde lid, genoemde hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

11.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de tarieven, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d, g en h, worden toegepast.

12.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het derde, vierde, en negende lid.

13.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, en het vierde lid, bedragen de tarieven nihil voor in artikel 36b, tweede lid, als aardgas aangemerkte producten voorzover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.

14.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, bedraagt het tarief nihil voor hoogovengas, cokesovengas, kolengas en raffinaderijgas, voorzover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.

15.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, vierde en zesde lid, wordt, indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de verbruiker de levering van aardgas gemeten wordt in Nm3, de belasting verschuldigd over Nm3. Daarbij worden de tarieven, zoals die met betrekking tot aardgas in het eerste lid, onderdeel d, vierde en zesde lid, zijn vastgesteld per m3, toegepast.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 36j

1.

Op de ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit, bedoeld in artikel 36c, tweede en derde lid, verschuldigde belasting wordt een vermindering toegepast. De vermindering bedraagt € 199 per verbruiksperiode van 12 maanden per elektriciteitsaansluiting. Indien het bedrag van de over deze verbruiksperiode verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald.

2.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter effectuering van de toepassing van het eerste lid. Daarbij worden tevens regels gesteld inzake administratieve verplichtingen alsmede strafbaarstelling van overtreding van het bij die regels gestelde.

3.

Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan 12 maanden wordt het in het eerste lid genoemde bedrag naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

4.

Bij toepassing van artikel 36c, vierde lid, zijn het eerste en het derde lid van overeenkomstige toepassing.

5.

De in het eerste lid bedoelde vermindering van belasting is niet van toepassing met betrekking tot zaken, al dan niet als onroerende zaak aangemerkt, die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken welke kunnen dienen als woning of ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben.

6.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

7.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 36k

1.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d tot en met f, die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30%.

2.

Als installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30% wordt aangemerkt een installatie met:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)