Wet van 18 mei 1995, houdende regeling van de vergoeding voor de werkzaamheden, de secundaire voorzieningen en de kostenvergoedingen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, alsmede van de toelage en de andere voorzieningen van de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 63 van de Grondwet, wenselijk is een wettelijke regeling te treffen van de vergoeding voor de werkzaamheden, van de secundaire voorzieningen en van de kostenvergoedingen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, alsmede van de toelage en de andere voorzieningen van de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze wet is niet van toepassing op kamerleden die het ambt van minister of staatssecretaris bekleden.

Artikel 3

De hoofdstukken II en III zijn niet van toepassing op de voorzitter.

Hoofdstuk II. Vergoeding voor de werkzaamheden

Artikel 4

De kamerleden ontvangen een vergoeding van € 2.867,80 per maand voor de werkzaamheden die voortvloeien uit de vervulling van het lidmaatschap van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 5

De kamerleden ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3 procent van de som van de vergoedingen, bedoeld in artikel 4, 7, eerste lid, en 8.

Artikel 6
1.

Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen en daarbij is bepaald dat deze uitkering een algemeen karakter draagt, ontvangen de kamerleden een uitkering op gelijke voet.

2.

Indien de hoogte van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, afhankelijk is van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 4, wordt bij de vaststelling hiervan rekening gehouden met een verhoging van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, en 8.

Artikel 7
1.

De fractievoorzitters ontvangen voor de duur van hun voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding, bedoeld in artikel 4, en een toelage gelijk aan 0,4% van deze vergoeding voor elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4% van de vergoeding, bedoeld in artikel 4.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid stelt de voorzitter vast:

Artikel 8
1.

De eerste en tweede ondervoorzitter ontvangen een toelage gelijk aan 3,5% respectievelijk 2,4% van de vergoeding, bedoeld in artikel 4, en de overige ondervoorzitters ontvangen een toelage gelijk aan 1,2% van deze vergoeding.

2.

Voor de eerste ondervoorzitter die gedurende meer dan 60 dagen onafgebroken de functie van de voorzitter waarneemt, wordt de vergoeding, genoemd in artikel 4, voor die tijd in plaats van het bedrag, genoemd in het eerste lid, verhoogd met 17,4% van de vergoeding, bedoeld in artikel 4.

Artikel 9

Het bedrag, genoemd in artikel 4, wordt bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijzigingen die de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, ondergaat. Onze Minister maakt het nieuwe bedrag bekend in de Staatscourant.

Hoofdstuk III. Vergoeding voor secundaire voorzieningen

Artikel 10
1.

Kamerleden ontvangen een bedrag van € 5.005,58 per jaar waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.

2.

Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd met inachtneming van de procentuele wijzigingen, bedoeld in artikel 9, in het voorafgaande jaar en van wijzigingen in dat jaar van berekeningselementen van de bedragen, die op grond van artikel 106, eerste lid, van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers worden ingehouden, ter zake van aanspraken bij arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden, op de schadeloosstelling van een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Hoofdstuk III. Vergoeding voor secundaire voorzieningen

Artikel 11
1.

De voorzitter ontvangt een toelage die gelijk is aan de helft van de schadeloosstelling, bedoeld in artikel 2 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, vermeerderd met de helft van de toelage, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.

Artikel 12
1.

De voorzitter ontvangt een eindejaarsuitkering van 8,3 procent, berekend over de toelage, bedoeld in artikel 11, eerste lid, verminderd met het in artikel 2, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer genoemde percentage.

Artikel 13
1.

Ten behoeve van het woon-werkverkeer en dienstreizen van de voorzitter kan in plaats van de voorziening, bedoeld in artikel 17, eerste lid, een dienstauto ter beschikking worden gesteld.

2.

Op een daartoe strekkend advies van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid kan aan de voorzitter in plaats van de voorziening, bedoeld in artikel 17, eerste lid, voor de duur van het voorzitterschap een dienstauto met chauffeur ter beschikking worden gesteld voor zowel zakelijk als privégebruik.

3.

De prijs per kilometer van de dienstauto, bedoeld in het eerste of tweede lid, bedraagt niet meer dan € 0,82 exclusief BTW, berekend op de grondslag van een gebruiksduur van twee jaar en 60 000 gereden kilometers per jaar.

4.

Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het prijsindexcijfer jaargemiddelde operationele autolease inclusief brandstof, zoals door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerd, over het tweede kalenderjaar voorafgaand aan genoemde datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer over het jaar daaraan voorafgaand.

5.

De prijs per kilometer wordt berekend aan de hand van de formule

(((n / (l/12)) + o + f + g + h + p) / m) + i,

waarin:

n = (((a-c)/1,19) + (b/1,19) + c) – (d/1,19)

afschrijving over looptijd (inclusief belasting van personenauto's en motorrijwielen en exclusief belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting));

o = ((d/1,19) x e) + ((n/2) x e)

rente per jaar;

p = ((k/1,19) x (m/100) x j)

brandstofkosten per jaar;

en:

a = consumentenprijs inclusief accessoires af fabriek (inclusief belasting van personenauto's en motorrijwielen en belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting));

b = consumentenprijs van accessoires achteraf en/of door derden (inclusief belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting));

c = totale belasting van personenauto's en motorrijwielen;

d = totale marktconforme restwaarde inclusief belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting) en belasting van personenauto's en motorrijwielen;

e = rentetarief in procenten;

f = administratiekosten inclusief management fee per jaar doch exclusief belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting) (of interne kosten ingeval niet wordt uitbesteed);

g = houderschapsbelasting per jaar;

h = het in het kader van het omslagstelsel door het Bureau Schade Afwikkeling vastgestelde bedrag;

i = prijs van reparatie, onderhoud en banden exclusief belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting);

j = brandstofverbruik in liters per 100 kilometer;

k = tarief bij brandstofsoort inclusief belasting over de toegevoegde waarde (omzetbelasting);

l = looptijd in maanden;

m = jaarkilometrage.

6.

De dienstauto, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt slechts in gebruik genomen nadat is vastgesteld dat aan de voorschriften van het tweede tot en met vierde lid is voldaan, tenzij afwijking van deze voorschriften noodzakelijk is om redenen van veiligheid of wegens een individuele werkplekanalyse, verricht of getoetst door een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Artikel 14, tweede lid, onderdelen b en c, van de Arbeidsomstandighedenwet is in het tweede geval van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15
1.

In dit artikel wordt onder wet verstaan: Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers.

2.

De wet is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter met inachtneming van het derde tot en met het zesde lid.

3.

De voorzitter wordt voor de overeenkomstige toepassing van de wet gelijkgesteld met een lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

4.

In afwijking van het derde lid vindt verrekening van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met de uitkering als afgetreden voorzitter plaats overeenkomstig artikel 134 van de wet.

5.

In afwijking van het derde lid geldt ten aanzien van de voorzitter een deeltijdfactor als bedoeld in artikel 130, derde lid, van de wet van één tweede.

6.

Op de toelage, bedoeld in artikel 11, eerste lid, en op de uitkering overeenkomstig de wet als afgetreden voorzitter worden bedragen ingehouden overeenkomstig de regelen, te stellen bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 160 van de wet.

Hoofdstuk V. Kostenvergoedingen

Artikel 16
1.

De kamerleden ontvangen een vergoeding voor aan de uitoefening van het kamerlidmaatschap verbonden kosten die € 3.364,33 per jaar bedraagt.

2.

Het kamerlid aan wie ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt een onkostenvergoeding ter hoogte van de helft van het in het eerste lid genoemde bedrag.

3.

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande jaar.

Artikel 17
1.

De kamerleden ontvangen ter vergoeding van reiskosten een bedrag van € 3640 per jaar.

2.

Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt aangepast bij ministeriële regeling overeenkomstig de wijziging in de vergoeding die voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor dienstreizen in een collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomen voor het gebruik van een eigen motorvoertuig indien openbaar vervoer niet mogelijk of niet doelmatig is.

3.

De griffier stelt ten laste van de Eerste Kamer op aanvraag de noodzakelijke faciliteiten ten behoeve van vervoer en verblijf ter beschikking in verband met buitenlandse dienstreizen die een kamerlid in het kader van de uitoefening van het kamerlidmaatschap maakt.

Artikel 18
1.

De kamerleden ontvangen ter vergoeding van verblijfkosten een bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de afstand van de woonplaats van het kamerlid of het door het kamerlid bewoonde deel van de woonplaats tot het gebouw van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

2.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag bedraagt bij:

0 km: € 565,01 per jaar;

10 km: € 5.625,74 per jaar;

75 km: € 11.253,74 per jaar;

150 km en meer: € 18.287,61 per jaar.

Het bedrag behorende bij de afstanden, afgerond op hele kilometers, tussen de in bovenstaand schema genoemde afstanden, wordt berekend naar evenredigheid met het verschil tussen de in het schema aangegeven bedragen bij de naasthogere en naastlagere afstand.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.