Besluit van 16 augustus 1995, houdende bepalingen met betrekking tot houders van een verklaring van vrijstelling van de loodsplicht

Type AMvB
Publication 2014-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 februari 1995, nr. J-10.971/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet;

De Raad van State gehoord (advies van 20 juni 1995, no. W09.95.0079); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 augustus 1995, nr. J-13.390/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De regionale autoriteit kan voor een of meer scheepvaartwegen of gedeelten daarvan, onverminderd het bepaalde in de tweede volzin van het tweede lid, in de regio of het gedeelte daarvan waarvoor hij aangewezen is, een verklaring van vrijstelling afgeven. Deze verklaring is geldig voor de vaart naar en van een of meer daarin aangegeven ligplaatsen of voor de vaart naar, van en in een of meer daarin aangegeven havenbekkens en voor een daarin aangegeven zeeschip, aan de kapitein en de stuurman van het zeeschip waarop deze persoon als verkeersdeelnemer optreedt, indien voldaan wordt aan de voor de afgifte van een verklaring gestelde eisen.

2.

Een persoon kan tegelijkertijd slechts in het bezit zijn van één verklaring. Indien een persoon die reeds in het bezit is van een verklaring, een getuigschrift als bedoeld in artikel 5 overlegt aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven, alsmede de andere bescheiden, bedoeld in artikel 3, zesde lid, betreffende een andere scheepvaartweg dan die welke in de verklaring is vermeld, wordt door deze autoriteit, ook indien het een scheepvaartweg of gedeelte daarvan betreft waarvoor een ander is aangewezen als regionale autoriteit, een gewijzigde verklaring afgegeven, waarin de betreffende scheepvaartweg of het gedeelte daarvan is toegevoegd. Indien deze toevoeging een scheepvaartweg of gedeelte daarvan betreft waarvoor een ander is aangewezen als regionale autoriteit, wordt aan deze regionale autoriteit onverwijld mededeling gedaan van de afgifte van de gewijzigde verklaring.

3.

Indien de regionale autoriteit een verklaring van vrijstelling afgeeft die geldig is voor de vaart naar en van een of meer daarin aangegeven ligplaatsen in een daarbij door hem aangewezen havengebied, kan hij bepalen dat de verklaring mede geldig is voor de vaart naar en van daarin aangegeven andere ligplaatsen in het desbetreffende havengebied. De regionale autoriteit kan daarbij de voorwaarde opleggen dat de verklaring van vrijstelling voor die andere ligplaatsen slechts geldig is indien eerst een of meer reizen met gebruikmaking van de diensten van een loods worden gemaakt.

4.

Een verklaring kan voor een of meer gelijksoortige zeeschepen worden afgegeven.

5.

Voor zeeschepen met gevaarlijke lading en voor samenstellen van zeeschepen geldt een afgegeven verklaring niet.

6.

Aan een verklaring kunnen beperkingen worden verbonden die verband houden met het schip, de scheepvaart of de weersomstandigheden. Indien de tweede volzin van het tweede lid wordt toegepast en de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven een andere is dan degene die bevoegd is voor de scheepvaartweg of het gedeelte daarvan waarvoor uitbreiding van de verklaring wordt verzocht, overlegt eerstgenoemde met de bevoegde regionale autoriteit en neemt de door de bevoegde regionale autoriteit noodzakelijk geachte beperkingen op in de verklaring.

7.

De afgifte van een verklaring geschiedt niet elektronisch.

Hoofdstuk II. Aanvraag en afgifte, verlies van geldigheid en intrekking van de verklaring

Artikel 3
1.

Bij de aanvraag van een verklaring worden de navolgende bescheiden of afschriften daarvan overgelegd:

2.

Indien de aanvraag een zeeschip betreft, dat in hoofdzaak binnen een bepaald binnengaats gelegen samenstel van scheepvaartwegen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet vaart, kan de regionale autoriteit ontheffing verlenen van de eisen gesteld in het eerste lid, onderdelen a, 2°, voor wat betreft de vaart van en naar zee, en c.

3.

Indien de aanvraag volgt binnen een jaar na verval van een verklaring, geldt voor belanghebbende in plaats van het eerste lid, onderdeel c, dat hij een verklaring van de betreffende regionale loodsencorporatie overlegt, dat hij met het zeeschip of de zeeschepen waarvoor de vervallen verklaring was afgegeven, op de desbetreffende scheepvaartweg een door de regionale autoriteit vast te stellen aantal reizen heeft gemaakt, waarbij gebruik werd gemaakt van de diensten van een loods, en het praktische gedeelte van het examen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, met goed gevolg heeft afgelegd.

4.

Indien de aanvrager reeds in het bezit is van een verklaring legt hij, in afwijking van het in dit artikel bepaalde, uitsluitend de bewijsstukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en e, over aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven.

Artikel 4
1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

2.

In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 2°, dient de aanvrager die optreedt als verkeersdeelnemer op een lage kruiplijn-coaster, Denemarkenvaarder of binnen/buiten-schip voldoende bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat hij de betreffende scheepvaartweg ten minste zes maal per jaar naar zee gaand of ten minste zes maal per jaar van zee komend zal bevaren.

3.

Op lage kruiplijn-coasters is artikel 6 van het Loodsplichtbesluit 1995, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5
1.

Het getuigschrift, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, wordt door de voorzitter van de examencommissie afgegeven, nadat met goed gevolg een uit een theoretisch en een praktisch gedeelte bestaand examen is afgelegd.

2.

Het examen bestaat uit de examenvakken genoemd in artikel 19.

3.

De opleiding en de examinering geschieden, naar keuze van de kandidaat, in de Nederlandse of Engelse taal, met uitzondering van de examinering van het vak "Voertaal".

Artikel 6
1.

De verklaring verliest zijn geldigheid van rechtswege, indien zich een van de navolgende omstandigheden voordoet:

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de regionale autoriteit een verklaring tijdelijk of permanent intrekken indien zich een van de navolgende omstandigheden voordoet:

3.

De houder van een verklaring is verplicht de verklaring na verlies van geldigheid of na intrekking onverwijld te doen toekomen aan de regionale autoriteit.

4.

Indien een andere regionale autoriteit dan degene die de verklaring heeft afgegeven kennis draagt van het feit dat zich een van de in het tweede lid genoemde omstandigheden voordoet, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven.

Hoofdstuk III. Verplichtingen van de verklaringhouder en controle

Artikel 7

De houder van een verklaring overlegt periodiek een verklaring van geschiktheid voor de zeevaart en een verklaring betreffende het gezichts- en gehoororgaan van kapiteins en stuurlieden, aan de regionale autoriteit, volgens het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 8
1.

De houder van een verklaring meldt zich voor het binnenkomen van de scheepvaartweg waarvoor de verklaring is afgegeven als zodanig op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal en verstrekt de door de bevoegde autoriteit verlangde gegevens.

2.

De houder van een verklaring heeft zijn verklaring bij zich tijdens de vaart als verkeersdeelnemer over de scheepvaartweg waarvoor deze is afgegeven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.