Circulaire van de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de hoofdingenieur-directeuren in de regionale directies van de Rijkswaterstaat, met uitzondering van de directie Noordzee, alsmede de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, inzake de gewijzigde procedure ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht
Zoals u bekend is wordt de procedure ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht, welke leidt tot een door de Minister van Verkeer en Waterstaat op te leggen plicht tot het gedogen van de aanleg en/of instandhouding, dan wel verplaatsing van een openbaar werk, gevoerd vanuit de Hoofddirectie van de Waterstaat.
De praktijk ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht tot op heden
Sedert het verschijnen van het Rondschrijven van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 24 december 1971, no. HW/ROO 82 133, gericht aan de colleges van Gedeputeerde Staten in de provincies, betreffende de versnelling van de procedure bij toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht, worden de verzoeken om toepassing van deze wet rechtstreeks ingediend bij de dagelijkse besturen van de provincies. Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie vervullen vervolgens een coördinerende rol in de te doorlopen procedure en brengen uiteindelijk verslag en advies uit aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Nadat ook andere departementen (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel Economische Zaken), de hoofdingenieur-directeur in de betrokken regionale directie van de Rijkswaterstaat, alsmede in voorkomende gevallen de hoofdingenieur-directeur van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling van hun adviezen hebben doen blijken, kan vervolgens ter hoofddirectie na toetsing aan de wettelijke criteria de ministeriële beschikking, houdende oplegging van de gedoogplicht, worden voorbereid en genomen.
De taak van de regionale directie van de Rijkswaterstaat is derhalve tot op heden materieel beperkt tot het uitbrengen van advies aan de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat naar aanleiding van de ingevolge artikel 2, vierde lid, der wet gehouden zitting. Hierbij wordt aangetekend dat de Regeling Mandaat Rijkswaterstaat 1994, in tegenstelling tot de daaraan voorafgaande regeling, toepassing van deze wet niet meer uitzondert van mandaat.
Deconcentratie
Vanuit de Hoofddirectie van de Waterstaat (Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken) is in het kader van de herijking van taken binnen de Afdeling Infrastructuur en Algemeen Bestuurlijke Zaken de wens ontstaan de praktijk in overeenstemming te brengen met het per 1 januari 1994 verstrekte mandaat, in die zin dat de regionale directies van de Rijkswater-staat zonder tussenkomst van de hoofddirectie, namens de Minister van Verkeer en Waterstaat beslissingen in het kader van de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht kunnen nemen. In de praktijk wordt namelijk geen gebruik van het mandaat gemaakt. Het belangrijkste doel van deze circulaire, alsmede het tot stand gekomen ’Handboek Belemmeringenwet Privaatrecht c.a.’ is dan ook het overdragen van de bij de hoofddirectie aanwezige kennis op het terrein van de belemmeringenwetgeving, zodat de regionale directies van de Rijkswaterstaat het aan de hoofdingenieur-directeur in de regionale directies van de Rijkswaterstaat verleende mandaat kunnen waarmaken.
Gevolgen voor de praktijk
De als gevolg van voornoemde deconcentratie optredende wijzigingen in de ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht te doorlopen procedure zullen in deze circulaire uiteengezet worden. De voornaamste wijziging betreft het feit dat het verzoek c.a. om toepassing der wet ingediend dient te worden bij de hoofdingenieur-directeur in de betrokken regionale directie van de Rijkswaterstaat. Rechtstreekse indiening bij het provinciale bestuur behoort derhalve tot het verleden. Deze procedurewijziging beoogt een (voor)toetsing in bestuurlijk-juridische en meer technische zin van het verzoek c.a. mogelijk te maken door de Rijkswaterstaat. Deze toetsing vindt nu slechts incidenteel, dan wel in een te laat stadium van de procedure, door de hoofddirectie en de provincie plaats. Voor wat betreft de toetsing van een ingediend verzoek c.a., geldt in zijn algemeenheid dat deze het meest zinvol kan geschieden door het bestuursorgaan hetwelk bevoegd is in een later stadium inzake het verzoek te beschikken. Voorts bepaalt artikel 4:1, van de Algemene wet bestuursrecht, dat een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend dient te worden bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, zijnde na deconcentratie de hoofdingenieur-directeur in de regionale directie van de Rijkswaterstaat. Het dagelijks bestuur van de provincie voldoet niet aan deze kwalificatie, terwijl bovendien niet elk provinciebestuur het tot haar taak rekent deze toetsing uit te voeren alvorens het verzoek c.a. in verdere procedure wordt gebracht. Voor zover deze toetsing door de provinciale overheid werd verricht, leidt de gewijzigde procedure voor dit overheidsorgaan tot een beperking van bestuurlijke lasten, welke voortvloeien uit de uitvoering van de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Vroegtijdige toetsing als boven omschreven beoogt voorts een zekere uniformiteit op dat punt te bewerkstelligen, alsmede het creëren van vaste aanspreekpunten.
Toetsing in het beginstadium van de procedure ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht voorkomt tot slot kostbaar tijdverlies, in die zin dat een omissie tijdig wordt opgemerkt en hersteld door de verzoeker.
Als gevolg van de rechtstreekse indiening van het verzoek c.a. bij de Rijkswaterstaat komt de advisering door de regionale directie aan de hoofddirectie te vervallen.
Als laatste importante wijziging geldt dat de hoofdingenieur-directeur in de regionale directie van de Rijkswater-staat namens de minister in rechte optreedt in vernietigingsprocedures ten overstaan van het Gerechtshof, de administratieve kamer van de Arrondissementsrechtbank, alsmede de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De bezwaarschriftprocedure naar aanleiding van een door deze functionaris opgelegde gedoogplichtbeschikking, welke ingevolge artikel 4, zesde lid, der wet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, geschiedt in ’eigen beheer’ conform het daaromtrent bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht. Schorsingsverzoeken in dat kader worden eveneens zelfstandig behandeld. Voorheen werden de genoemde procedures vanuit de hoofddirectie gevoerd.
Meergenoemde circulaire daterend uit 1971 wordt op een nog nader te bepalen tijdstip ingetrokken. De daarin beschreven procedure heeft nog slechts betekenis ten aanzien van verzoeken om toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gedaan bij de dagelijkse besturen van provincies vóór inwerkingtreding van deze circulaire. Ten aanzien van dergelijke verzoeken wordt de sedert 1971 toegepaste procedure onverkort toegepast. De beslissing, houdende oplegging van de gedoogplicht zal in deze gevallen voorbereid en genomen worden ter hoofddirectie.
De procedure, welke op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat leidt tot de totstandkoming van een koninklijk besluit, houdende de erkenning van het openbaar belang van werken als bedoeld in artikel 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, zal tevens – zoals tot op heden gebruikelijk is – vanuit de hoofddirectie gevoerd worden.
De circulaires van de Ministers van Verkeer en Waterstaat van 17 november 1965, no. 63 856, afdeling Waterstaatsrecht, 13 januari 1967, no. 609, afdeling R, 4 november 1968, no. ROO 73 907, 6 augustus 1969, no. HW/ROO 47 290, alsmede 12 november 1979, no. HW/ROO 82 133, blijven ten aanzien van (toekomstige) verzoeken om toepassing der wet onverminderd van kracht.
Leidraad gewijzigde procedure ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht
De te volgen (gewijzigde) procedure ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht kan als volgt puntsgewijs weergegeven worden:
Ik verzoek u overeenkomstig de voorgestelde gedragslijn te handelen ten aanzien van die verzoeken om toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht, welke na bekendmaking van deze circulaire in de Staatscourant ingediend worden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.