Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs, de gewenste verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de gewenste verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en educatie, en voor een samenhangende besluitvorming op het gebied van de educatie, wenselijk is de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid, aan de gemeenten, aan de landelijke organen en aan de instellingen te herzien;
dat het daarvoor wenselijk is de regelingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs in de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, alsmede de regelingen met betrekking tot het middelbaar beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de Wet op het voortgezet onderwijs, in een samenhangend wettelijk kader neer te leggen met ingang van de expiratiedatum van deze regelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Titel 1. Definities, reikwijdte, aard bepalingen
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- beroepscollege: beroepscollege als bedoeld in artikel 1.3.2;
- beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid;
- beroepsopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid;
- beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid;
- beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid;
- beroepspraktijkvorming: onderricht in de praktijk van het beroep als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid;
- bestuursoverdracht: overdracht van een instelling aan een ander bevoegd gezag;
- bevoegd gezag:
- a. van een openbare instelling:
- 1°. college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de instelling in stand houdt, behoudens voor zover de raad anders bepaalt en met inachtneming van door hem te stellen regels;
- 2°. bevoegd orgaan krachtens de betrokken gemeenschappelijke regeling waarbij het openbaar lichaam dat de instelling in stand houdt, is opgericht;
- b. van een bijzondere instelling: rechtspersoon die de instelling in stand houdt als bedoeld in artikel 2.1.3, derde lid;
- c. van een instelling met diploma-erkenning als bedoeld in de artikelen 1.4.1 of 1.4a.1: rechtspersoon of natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt;
- d. van een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1: rechtspersoon die de exameninstelling in stand houdt;
- bijzondere instelling: instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
- burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;
- centraal examen: examen of examenonderdeel bestaande uit door het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens, vastgestelde toetsen die door of in opdracht van de instelling worden afgenomen;
- deelnemer: degene die een opleiding educatie volgt, met uitzondering van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;
- doorlopende leerroute vmbo-mbo: route als bedoeld in artikel 9.1.2, tweede lid;
- educatie: onderwijs bestemd voor volwassenen als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid;
- eindtermen: eindtermen als bedoeld in artikel 7.3.3;
- exameninstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.6.1;
- examinering: het nemen van een beslissing over de inhoud en het niveau van een examen, procedures en voorwaarden waaronder een examen wordt afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van een examen;
- fusie: institutionele fusie of bestuursoverdracht;
- ho-student: degene die hoger onderwijs volgt, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- inspectie: Inspectie van het onderwijs als bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
- instelling: regionaal opleidingencentrum of beroepscollege;
- instellingsexamen: examen of examenonderdeel, bestaande uit toetsen die zijn vastgesteld en worden afgenomen door of in opdracht van de instelling;
- institutionele fusie: samenvoeging van twee of meer instellingen tot een instelling;
- keuzedeel: keuzedeel als bedoeld in artikel 7.1.3, tweede lid;
- kwalificatie: kwalificatie als bedoeld in artikel 7.1.3, eerste lid;
- kwalificatiedossier: document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven;
- leerweg: leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, tenzij anders bepaald;
- ondernemingsraad: ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden;
- Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- openbare instelling: instelling in stand gehouden door een gemeente dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
- opleiding educatie: opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid;
- opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a;
- opleidingsdomein: samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken;
- ouders: met het gezag over de student of vavo-student belaste ouders, voogden of verzorgers;
- personeel:
- a. benoemde docenten en overig personeel dat is benoemd aan de instelling;
- b. onder a bedoeld personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 4.1.1, 4.1.2 en 4.1.3, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
- persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer dan wel door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer als bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid;
- regionaal opleidingencentrum: regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1;
- register onderwijsdeelnemers: register onderwijsdeelnemers als bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers;
- Registratie instellingen en opleidingen: Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid;
- samenwerkingscollege: samenwerkingsverband tussen instellingen dat ertoe strekt onder gezamenlijke verantwoordelijkheid een of meer beroepsopleidingen of opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs te verzorgen, niet zijnde een fusie als bedoeld in artikel 2.1.8;
- Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven: rechtspersoon, aangewezen op grond van artikel 1.5.1, eerste lid;
- scholengemeenschap: scholengemeenschap als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- school: school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- school voor mavo: school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- school voor praktijkonderwijs: school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- school voor vbo: school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- startkwalificatie: startkwalificatie als bedoeld in de Leerplichtwet 1969;
- student: degene die beroepsonderwijs volgt;
- studiejaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar;
- vavo-student: degene die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgt;
- verticale scholengemeenschap: verticale scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.1;
- volwassene: in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder;
- waarborgfonds: fonds als bedoeld in artikel 2.2.9.
Artikel 1.1.2. Aard bepalingen bekostigd onderwijs
De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen die zich rechtstreeks of naar hun aard richten tot het bevoegd gezag, zijn voor het bekostigd bijzonder onderwijs voorwaarden voor bekostiging.
Artikel 1.1.3. Aard bepalingen
Vervallen
Titel 2. Doelstellingen onderwijs
Artikel 1.2.1. Doelstellingen onderwijs
Educatie is gericht op bevordering van de zelfredzaamheid van volwassenen en sluit waar mogelijk aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Educatie omvat activiteiten op het niveau van het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs zijn gericht op het behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen, waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet het hoger onderwijs.
Titel 3. Bekostigde instellingen
§ 1. Instellingen
Artikel 1.3.1. Regionale opleidingencentra
Aan regionale opleidingencentra worden verzorgd:
- a. opleidingen beroepsonderwijs en
- b. indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde: een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
Aan regionale opleidingencentra kunnen een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs worden verzorgd, indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 geen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde.
Het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, in aanmerking komt, heeft aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas voor
- a. het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen en
- b. het verzorgen van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die op de voet van artikel 2.1.2 voor bekostiging in aanmerking komen.
Aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van opleidingen als bedoeld in het derde lid is een bewijsstuk als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, 7.4.11, vijfde lid, verbonden.
Artikel 1.3.2. Beroepscolleges
Aan een beroepscollege worden opleidingen beroepsonderwijs verzorgd. Voor andere dan entreeopleidingen zijn deze naar hun aard en onderlinge samenhang gericht op en van belang voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken.
Artikel 1.3.1, derde lid, aanhef en onder a, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.3. Agrarische opleidingscentra
Vervallen
Artikel 1.3.4. Agrarische innovatie- en praktijkcentra
Vervallen
§ 2. Taken
Artikel 1.3.5. Taken instellingen
Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen, onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor:
- a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen,
- b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het zorgdragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en beroepsopleidingen,
- c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie, en
- d. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en na diplomering.
§ 3. Kwaliteitszorg
Artikel 1.3.6. Kwaliteitszorg
Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. De beoordeling bij de instellingen geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten en vavo-studenten over de kwaliteit van het onderwijs aan de instelling. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.
Het bevoegd gezag maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent:
- a. de beoordeling, bedoeld in het eerste lid,
- b. de uitkomsten van die beoordeling, en
- c. het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten.
§ 4. Overige voorschriften
Artikel 1.3.7. Karakter openbaar onderwijs
Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten en vavo-studenten met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.
Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.
Artikel 1.3.8. Verplichting tot overleg en aangifte inzake seksuele misdrijven
Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student of vavo-student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Titel 4. Niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen werkzaam op het gebied van het beroepsonderwijs
Artikel 1.4.1. Andere instellingen voor beroepsonderwijs
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling of van een instelling dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of van een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 is verbonden, indien de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6,
- a1. de informatie aan aspirant-studenten, bedoeld in artikel 6.1.3a,
- b. het onderwijs, met uitzondering van de artikelen 7.1.1, 7.1.5 en 7.2.4a, derde lid, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde lid, de examens, de verklaring, bedoeld in artikel 7.4.6a, eerste lid, en in geval van een samenwerkingscollege de artikelen 8.6.1 en 8.6.3,
- c. de commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.3,
- d. vervallen,
- e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 8.2.1, en
- f. de opneming in de Registratie instellingen en opleidingen.
Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de beroepsopleiding waarop de aanvraag betrekking heeft.
1a. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in andere dan in het eerste lid genoemde leerwegen, met dien verstande dat voor die opleiding artikel 7.2.2, tweede lid, niet van toepassing is en ten aanzien van het onderwijs artikel 7.2.7, eerste lid, niet in acht behoeft te worden genomen voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming en artikel 7.2.7, tweede tot en met achtste lid, niet in acht behoeft te worden genomen. Het tweede tot en met tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1b. Een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a van een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling bevat geen keuzedelen die niet zijn gekoppeld aan een kwalificatie, behorend bij een beroepsopleiding waarvoor de instelling een diploma-erkenning heeft op grond van lid 1 of lid 1a.
1c. Het bevoegd gezag dat een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a verzorgt kan met een student overeenkomen dat de student slechts een onderdeel van de beroepsopleiding zal volgen.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister de aanvraag toewijzen voor anderhalf jaar, indien een aanvraag wordt gedaan door:
- a. een bevoegd gezag dat geen andere beroepsopleiding verzorgt waaraan een diploma of certificaat als bedoeld in het eerste lid is verbonden, of
- b. een bevoegd gezag dat drie jaren of minder voorafgaand aan de aanvraag voor een andere beroepsopleiding die het verzorgt, een waarschuwing als bedoeld in artikelen 6.1.5 of 6.2.3 heeft ontvangen, indien de inspectie uit een oogpunt van kwaliteitsbewaking hiertoe aanleiding ziet.
Bij toepassing van het derde lid wordt de toewijzing na de in het derde lid bedoelde periode van anderhalf jaar voor onbepaalde tijd van rechtswege verlengd, tenzij Onze Minister uiterlijk twee maanden voordat die periode van anderhalf jaar is verstreken, besluit om de desbetreffende beschikking in te trekken omdat:
- a. de opleiding in de praktijk van onvoldoende kwaliteit blijkt te zijn,
- b. het bevoegd gezag heeft aangegeven geen verlenging te wensen, of
- c. de opleiding niet binnen één jaar na de toewijzing is gestart.
Indien een beschikking op grond van het vierde lid, onderdeel a, is ingetrokken, brengt het bevoegd gezag, alvorens het een nieuwe aanvraag als bedoeld in het eerste lid of lid 1a indient, zodanige verbeteringen aan dat aannemelijk is dat de desbetreffende opleiding of opleidingen in de praktijk wel van voldoende kwaliteit zal respectievelijk zullen, zijn.
Indien een toewijzing als bedoeld in het derde lid wordt gedaan, informeert het bevoegd gezag de studenten en aspirant-studenten daarover en over de mogelijkheden om hun opleiding elders af te ronden in het geval dat de beschikking wordt ingetrokken.
Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister jaarlijks voor 1 maart een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op beroepsopleidingen.
Voor zover ten aanzien van een instelling toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling.
De artikelen 1.3.8 en 1.3.9 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.
Voor een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid van overeenkomstige toepassing:
- b. artikel 8.1.1a; en
- c. de artikelen 9.2.2, 9.2.3 en 9.2.6.
Titel 4. Niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen werkzaam op het gebied van het beroepsonderwijs
Artikel 1.4a.1. Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van de artikelen 7.1.1 en 7.1.5, titel 2, titel 4, voor zover het betreft de artikelen 7.4.4, 7.4.5, achtste lid en 7.4.7, en titel 5 voor zover het betreft de artikelen 7.5.1, 7.5.7, 7.5.8, 7.5.9 en 7.5.10, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1d, en in artikel 1.4a.2.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan voor een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling of voor een instelling. Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op een opleiding educatie waarvoor de instelling een rijksbijdrage als bedoeld in artikel 2.2a.1 ontvangt of op een opleiding educatie die daarmee overeenkomt.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft uitsluitend betrekking op opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, alsmede op andere in dat lid bedoelde opleidingen, voor zover daarvoor bij ministeriële regeling eindtermen zijn vastgesteld.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Een begunstigende beschikking is voor het eerst van kracht ten aanzien van een opleiding educatie die aanvangt nadat die beschikking is bekend gemaakt.
Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 15 oktober een opgave van de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, die de instelling verzorgt in het lopende studiejaar, alsmede van de opleidingen educatie die de instelling heeft verzorgd in het daaraan voorafgaande studiejaar.
Voor zover ten aanzien van een instelling die een opleiding educatie verzorgt, toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet wat deze opleiding betreft, aangemerkt als een andere instelling dan bedoeld in artikel 1.1.1.
Voor een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid van overeenkomstige toepassing:
- b. artikel 8.1.1a; en
- c. de artikelen 9.2.2, 9.2.3 en 9.2.6.
Artikel 1.3.9 is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.
Titel 4. Niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen werkzaam op het gebied van het beroepsonderwijs
Artikel 1.5.1. Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven
Bij ministeriële regeling wordt een rechtspersoon aangewezen die is belast met de volgende taken:
- a. het ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarkt voor afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen in internationaal verband, onder meer door het doen van voorstellen aan Onze Minister voor de kwalificatiedossiers, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede lid,
- b. het bijdragen aan een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen door het ontwikkelen van voorstellen, welke beroepsopleidingen voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen,
- c. het bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming,
- d. het ontwikkelen en vaststellen van kwaliteitscriteria voor beroepspraktijkvormingsplaatsen en het ten minste een maal per vier jaar beoordelen van bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen aan de hand van deze criteria en het openbaar maken van een overzicht van bedrijven en organisaties die voldoen aan deze criteria,
- e. het zoveel mogelijk zorg dragen voor de beschikbaarheid van een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende kwaliteit die de beroepspraktijkvorming verzorgen,
- f. het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de taken, genoemd in dit artikel, en
- g. het uitvoeren van aanvullende activiteiten ter bevordering van de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt.
Onze Minister verstrekt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met f.
Onze Minister kan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van taken als bedoeld in het eerste lid, onder g.
Het is de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven niet toegestaan andere activiteiten uit te voeren dan de aan haar door de wet opgedragen taken.
Artikel 1.5.2. Organisatie SBB
Als rechtspersoon in de zin van artikel 1.5.1, eerste lid, wordt aangewezen een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
In de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven participeren vertegenwoordigers van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.
Onze Minister benoemt de voorzitter van het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en diens plaatsvervanger op voordracht van vertegenwoordigers van het beroepsonderwijs en van het bedrijfsleven voor een periode van ten hoogste vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor eenzelfde periode. Artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van overeenkomstige toepassing.
De statuten van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven regelen in ieder geval de betrokkenheid van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven bij de uitvoering van haar wettelijke taken. Aanvullend kan een bestuursreglement worden vastgesteld.
De statuten en het bestuursreglement alsmede wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Titel 4a. Andere instellingen die een opleiding educatie verzorgen
Artikel 1.6.1. Exameninstellingen
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een exameninstelling, dat de exameninstelling het recht heeft tot examinering van een beroepsopleiding in opdracht van een instelling, indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, voorzover het betreft de examinering,
- b. de examens, en
- c. de rechtsbescherming, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Titel 5. Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 1.7.1. Contractactiviteiten
Aan een instelling kunnen contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden. Deze activiteiten kunnen worden verricht indien zij verband houden met werkzaamheden waarvoor de instelling uit de openbare kas bekostigd wordt en voor zover de uitvoering van die werkzaamheden hierdoor niet wordt geschaad.
Het bevoegd gezag van een instelling draagt er zorg voor dat artikel 2 van de Wet privatisering ABP van toepassing blijft op het personeel.
De vereisten voor benoembaarheid, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een docent voor zover deze is belast met het verrichten van contractactiviteiten.
Het bevoegd gezag voorziet in een regeling voor het verrichten van contractactiviteiten door het personeel van de instelling met het oog op het voorkomen van vermenging van belangen.
Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
Titel 7. Contractactiviteiten
Artikel 2.1.1. Bekostiging landelijk aanbod beroepsonderwijs
Onverminderd de artikelen 1.3.2 en 6.1.1, tweede lid komt een beroepsopleiding bij een instelling voor bekostiging in aanmerking indien zij is gericht op een kwalificatie of kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3°, alsmede op een keuzedeel of keuzedelen en de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding niet zijn ontnomen op grond van artikel 6.1.4.
Artikel 2.1.2. Bekostiging aanbod voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van een regionaal opleidingencentrum komt voor bekostiging in aanmerking indien
- a. de instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 zoals luidend op die datum, of
- b. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op aanvraag van de instelling heeft bepaald dat opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van de instelling voor bekostiging in aanmerking komen.
Onze Minister beoordeelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de hand van de maatschappelijke behoefte aan een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, in het licht van het onderwijsaanbod verzorgd door andere, al dan niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen.
Artikel 2.1.3. Vestiging en beëindiging bekostigingsaanspraak instellingen
Instellingen worden bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van instellingen.
De eerste volzin van het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
- a. instellingen die op grond van artikel 12.3.1 zoals dat luidde door de Wet van 11 april 2001, Stb. 207, of artikel 12.3.3 zoals dat luidde ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs (Stb. 1995, 501) door Onze Minister voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, en
- b. instellingen die zijn voortgekomen uit:
- 1°. een institutionele fusie of splitsing van bekostigde instellingen;
- 2°. een omzetting van een bijzondere instelling in een openbare of omgekeerd.
Een uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere instelling wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van beroepsonderwijs of opleidingen voortgezet algemeen volwassenonderwijs als bedoeld in artikel 2.1.2 ten doel stelt, zonder daarbij het maken van winst te beogen, en die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2.1.4. Fusie, splitsing en omzetting
Een fusie, splitsing of omzetting komt niet tot stand dan na goedkeuring van Onze Minister.
Onze Minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, welke termijn eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste dertien weken. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 2.1.5. Verplichtingen bij bestuursoverdracht instelling
Na een goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, geschiedt de overdracht van de instandhouding van een instelling bij notariële akte. Bij deze akte verbindt het bevoegd gezag zich om de rechten ten aanzien van de gebouwen en terreinen en roerende zaken met betrekking tot die instelling over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt bepaald dat het bevoegd gezag aan wie wordt overgedragen het personeel in gelijke betrekkingen in dienst neemt met ingang van de datum van overdracht.
Door overdracht met inachtneming van het eerste lid treedt het verkrijgende bevoegd gezag in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de instelling, onverminderd hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk recht is vereist.
Van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van onroerende en roerende zaken kan Onze Minister ontheffing verlenen in bijzondere omstandigheden. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een instelling in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat.
Artikel 2.1.6. Bestuursoverdracht openbare instelling
Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan de instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding ervan bevoegd is.
Artikel 2.1.5 is van toepassing.
Artikel 2.1.7. Aanvraag en fusie-effectrapportage
De aanvraag tot goedkeuring van een fusie gaat vergezeld van:
- a. een door het bevoegd gezag dan wel bevoegde gezagsorganen opgestelde fusie-effectrapportage; en
- b. de schriftelijke adviezen, instemmingsverklaringen over de fusie van de betrokken medezeggenschapsraden dan wel een uitspraak van de geschillencommissie of Ondernemingskamer als bedoeld in hoofdstuk 8a, titel 4.
De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
- a. de motieven voor de fusie;
- b. de alternatieven voor de fusie;
- c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd;
- d. de te bereiken doelen;
- e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder op de spreiding en omvang van de betrokken bevoegde gezagsorganen in de regio, en op de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in de regio;
- f. de kosten en baten van de fusie;
- g. de personele en financiële gevolgen van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de dienstverlening aan studenten en vavo-studenten en de eventuele gevolgen voor andere belanghebbende partijen;
- h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd; en
- i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd.
Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.
Titel 2. Bekostiging beroepsonderwijs
§ 1. Bekostiging
Artikel 2.2.1. Rijksbijdrage beroepsonderwijs
De rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.
De rijksbijdrage bestaat uit bijdragen ten behoeve van exploitatiekosten en huisvestingskosten.
De bijdrage in de exploitatiekosten heeft betrekking op:
- a. personeel,
- b. onderhoud en vervanging van inventaris,
- c. onderhoud van gebouwen en terreinen,
- d. energie,
- e. administratie, beheer en bestuur,
- f. schoonmaken,
- g. heffingen,
- h. inkoop van diensten,
- i. kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, waaronder mede begrepen gewezen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, zoals luidend op 31 december 2008,
- j. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,
- k. studenten met een handicap of chronische ziekte, en
- l. studenten die in aanmerking komen voor ondersteuning op grond van artikel 8.1.5.
De bijdrage in de huisvestingskosten heeft betrekking op:
- a. huur van gebouwen en terreinen,
- b. investeringen in gebouwen en terreinen, en
- c. eerste inrichting.
Op de rijksbijdrage wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in verband met cursusgelden zoals bedoeld in de Les- en cursusgeldwet.
Een in het eerste lid en in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
Artikel 2.2.2. Berekeningswijze
De in artikel 2.2.1 bedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven.
De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van:
- a. het aantal ingeschreven studenten, en
- b. het aantal studenten dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 heeft behaald, waaronder mede begrepen het aantal extraneï dat een dergelijk diploma bij een instelling heeft behaald binnen twee kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarin de inschrijving als student bij een instelling voor een beroepsopleiding waarvoor de instelling bekostiging heeft of zal ontvangen, zonder het behalen van een dergelijk diploma is geëindigd.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, geldt inschrijving van een student voor twee of meer beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één beroepsopleiding.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat indien in enig kalenderjaar door een student of extraneus een diploma wordt behaald van een beroepsopleiding die niet van een hoger niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, is dan de beroepsopleiding waarvan die student al eerder in dat kalenderjaar een diploma heeft behaald, uitsluitend het eerstbehaalde van die diploma’s wordt meegeteld.
Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, blijven de studenten aan de entreeopleiding buiten beschouwing.
In de maatstaven, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid gemaakt worden naar groepen van studenten, naar opleidingen, naar verblijfsduur van een student in één of meer opleidingen, naar soorten van instellingen en naar behaalde diploma’s.
Studenten die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen tellen alleen mee, indien:
- a. zij onderwijs, daaronder begrepen de beroepspraktijkvorming, in Nederland volgen, en
- b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.
Artikel 2.2.3. Aanvullende middelen
Onze Minister kan aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2.2, een bedrag toevoegen in verband met:
- a. bijzondere omstandigheden die betrekking hebben op een individuele instelling en die in redelijkheid niet door die instelling binnen de rijksbijdrage voor het betreffende bekostigingsjaar of binnen de normale bedrijfsvoering kunnen worden opgevangen; of
- b. de ontwikkelingen van het bestel van het beroepsonderwijs.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan op de rijksbijdrage van een later jaar geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht. Indien dat het geval is wordt dit vermeld in de beschikking en wordt in die beschikking tevens de hoogte vermeld van het bedrag dat in mindering zal worden gebracht of de criteria voor de bepaling van dat bedrag.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor de verstrekking bedoeld in het eerste lid en de vermindering bedoeld in het tweede lid.
Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 2.2.4. Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage beroepsonderwijs
Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend.
De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de studenten.
De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.
Artikel 2.2.4a. Rijksbijdrage en private activiteiten
Vervallen
§ 2. Fusietoetsprocedure
Artikel 2.2.5. Reallocatie
Het bevoegd gezag kan het deel van de rijksbijdrage dat overblijft na dekking van de exploitatie- en huisvestingskosten voor een instelling of de huisvestingskosten van een school binnen een verticale scholengemeenschap mede aanwenden ter dekking van de exploitatie- en huisvestingskosten van een door hem in stand gehouden:
- a. andere instelling; of
- b. school binnen een verticale scholengemeenschap.
Artikel 2.2.6. Rijksbijdrage en private activiteiten
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs.
Artikel 2.2.7. Beleggen en belenen
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.
Artikel 2.2.8. Financieel beheer
Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.
Artikel 2.2.9. Waarborgfonds instellingen
Elke instelling is aangesloten bij de door de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk, die zich ten doel stelt zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het bevoegd gezag van de instelling aangegane leningen, door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds met een onafhankelijk van de instellingen functionerend bestuur.
Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.
De gezamenlijke instellingen dragen er zorg voor dat in de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in elk geval is opgenomen:
- a. dat ingeval van door de rechtspersoon te stellen algemene voorwaarden aan het verlenen van borgstelling, deze uitsluitend van financiële aard zijn en uitsluitend betrekking hebben op de te waarborgen lening;
- b. dat ingeval de instelling aan de onder a bedoelde voorwaarden voldoet, borgstelling door de rechtspersoon niet kan worden geweigerd;
- c. dat als blijkt dat een instelling niet in staat is tot nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, de instelling verplicht is een saneringsplan aan het waarborgfonds over te leggen, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven van de instelling hersteld kan worden;
- d. dat de door de rechtspersoon te stellen voorwaarden in het kader van door hem te waarborgen leningen niet in strijd komen met de vrijheid van organisatie en inrichting van het onderwijs binnen de instellingen;
- e. dat een batig saldo van het fonds kan worden uitgekeerd aan de bevoegde gezagsorganen van de instellingen, onder de voorwaarde dat een uitkering door het bevoegd gezag van een instelling uitsluitend wordt besteed ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend; en
- f. een regeling omtrent de te volgen procedure en te treffen voorzieningen in geval van taakverwaarlozing door het bestuur van het fonds.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bedenkingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.
Artikel 2.2.10. Einde bekostigde instelling
Bij een beëindiging van de bekostiging van een instelling of de opheffing ervan stelt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk een eindafrekening vast.
Voorafgaand aan de situatie, bedoeld in het eerste lid, maakt het bevoegd gezag aan Onze Minister zijn plan bekend met daarin de reeds genomen of voorgenomen maatregelen, gericht op het kunnen voltooien van het onderwijs van de ingeschreven studenten.
De eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Het bevoegd gezag is een batig saldo verschuldigd aan de Staat. Onze Minister stelt het verschuldigde bedrag vast. Hierbij wordt rekening gehouden met door het bevoegd gezag uit eigen middelen aan investeringen bestede gelden.
Artikel 2.2.11. Geen vergoeding na schade door schuld of nalatigheid; subrogatie wegens schade aan gebouwen
Vervallen
§ 3. Bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra
Artikel 2.2.12. Bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra
Vervallen
Titel 3. Rijksbijdrage ten behoeve van de educatie en de huisvesting van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Artikel 2.3.1. Aanbod educatie
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor een aanbod van opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, met voldoende aandacht voor alle doelgroepen.
Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taak werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij ministeriële regeling vastgestelde regio’s. Bij ministeriële regeling wordt voor elke regio een contactgemeente aangewezen.
Het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente vervult coördinerende taken met het oog op het aanbod van opleidingen educatie als bedoeld in het eerste lid. In dat verband
- a. draagt het college in overleg met de colleges van burgemeester en wethouders in de overige gemeenten in de regio zorg voor de totstandkoming van een regionaal programma van educatievoorzieningen,
- b. maakt het college afspraken met aanbieders van opleidingen educatie, overeenkomstig het regionaal programma, bedoeld onder a, en
- c. coördineert het college de overige werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van het regionaal programma.
Het overleg, bedoeld in het derde lid, onder a, heeft in elk geval betrekking op de behoefte aan educatievoorzieningen in de gemeenten in de regio en de wijze waarop in deze behoefte zal worden voorzien.
Artikel 2.3.2. Uitkering educatie
Onze Minister verstrekt ten behoeve van de taak van de colleges van burgemeester en wethouders in de betreffende regio aan de contactgemeenten een uitkering. De uitkering wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, berekend aan de hand van voor elke gemeente gelijkelijk geldende maatstaven. Deze uitkering is bestemd voor een aanbod van opleidingen educatie aan een persoon als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, niet zijnde een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 3 van de Wet inburgering 2021.
De contactgemeente draagt er zorg voor dat de doelgroepen in alle gemeenten in de betreffende regio overeenkomstig het regionaal programma, bedoeld in het artikel 2.3.1, derde lid, onder a, gebruik kunnen maken van de educatievoorzieningen die met behulp van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, tot stand zijn gekomen.
De uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekeningswijze en de betaalbaarstelling van de uitkering.
Artikel 2.3.3. De voorziening
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente biedt aan personen uit de doelgroep opleidingen educatie aan overeenkomstig het regionaal programma. Daarbij geldt dat opleidingen educatie alleen kunnen worden aangeboden aan personen van achttien jaar of ouder die ingezetene zijn van een gemeente in de desbetreffende regio.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld waaronder de kosten van opleidingen educatie, niet zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, kunnen worden gebracht.
Artikel 2.3.4. Verantwoording en terugvordering uitkering
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente legt verantwoording af aan Onze Minister over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente.
Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet volledig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen binnen dertien maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, wordt de uitkering teruggevorderd. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast. Onze Minister doet binnen drie maanden na afloop van de dertien maanden, bedoeld in de eerste volzin, mededeling van terugvordering aan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de terugvordering, bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede over de verdeling van de teruggevorderde gelden. Daarbij kan worden bepaald dat een gedeelte van het niet bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd.
Artikel 2.3.5. Informatievoorziening
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens die betrekking hebben op het aanbod bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, teneinde deze in staat te stellen een zorgvuldig en samenhangend beleid met betrekking tot educatie te voeren en zijn stelselverantwoordelijkheid te waarborgen. De gegevens worden kosteloos verstrekt.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens en
- b. de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente de in het eerste lid bedoelde gegevens niet of niet tijdig verstrekt dan wel de kwaliteit van die gegevens te kort schiet.
Artikel 2.3.6. Informatie voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld over de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.
Titel 3. Uitkering ten behoeve van de educatie
§ 3. Bekostiging agrarische innovatie- en praktijkcentra
Artikel 2.4.1. Subsidieverlening per boekjaar
De subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid, onder a tot en met f, wordt per boekjaar verstrekt.
Artikel 2.4.2. Nadere regels
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)