Wet van 21 december 1995, tot regeling van een verzekering voor nabestaanden
- a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering;
- b. indien de nabestaande van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de nabestaande.
De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat.
Artikel 47
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze wet.
Artikel 48
Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
Artikel 49
De Sociale verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de wezenuitkering betaalbaar te stellen aan een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind.
Indien de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger nalaat een aanvraag om wezenuitkering in te dienen, kan deze aanvraag geschieden door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de wezenuitkering betaalbaar kan worden gesteld.
Artikel 50
De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de betaling van de vakantie-uitkering.
Artikel 51
Na het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na overlijden nabestaandenuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
- a. aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
- b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde kinderen aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.
De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkering in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend.
De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald.
De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan nabestaandenuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
De overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.
Artikel 52
Een uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald.
Artikel 53
De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd.
In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald:
- a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
- b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
- c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
- d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35.
De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
- a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
- b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Artikel 54
De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 53, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Artikel 55
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 53, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, en 54.
Artikel 56
Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Sociale verzekeringsbank verzet tegen betaling aan de minderjarige wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald.
Artikel 57
Indien degene, aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
Indien degene aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Indien aan degene aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en hij op grond van die wet hiervoor een bijdrage is verschuldigd, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, dat voor de gemeente de bijdrage int.
Indien het tweede of derde lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan de in het tweede of derde lid genoemde instantie wordt uitbetaald.
Een herziening van een uitkering op grond van het tweede en derde lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Artikel 58
Vervallen
Artikel 59
De uitkering is
- a. onvervreemdbaar,
- b. niet vatbaar voor verpanding of belening.
Volmacht tot ontvangst van uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Artikel 60
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening met de aanspraken op uitkeringen, die de nabestaande en het ouderloos kind op grond van deze wet hebben.
Artikel 61
De Sociale verzekeringsbank heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van het overlijden van de verzekerde, jegens diens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken op grond van deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijk persoon jegens de nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht is gehouden.
De Sociale verzekeringsbank kan in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen in de vorm van een jaarlijks vast te stellen afkoopsom die aan de Sociale verzekeringsbank wordt vergoed voor de totale schadelast ten gevolge van het veroorzaken van overlijden.
Artikel 33a
Vervallen
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Artikel 63
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde: degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd.
Artikel 63a
De gewezen verzekerde kan zich vrijwillig verzekeren over een periode van tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest.
De gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid, kan zich, indien de periode van vrijwillige verzekering is onderbroken door een periode van verplichte verzekering korter dan een jaar, opnieuw vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar, bedoeld in dat lid.
De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
- a. de gewezen verzekerde die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;
- b. de gewezen verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking;
- c. de gewezen verzekerde die werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie;
- d. de gewezen verzekerde die werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
- e. de gewezen verzekerde, die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht heeft op een:
- 1°. uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
- 2°. uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- 3°. uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
- 4°. uitkering of op recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
- 5°. uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
- 6°. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds;
- 7°. pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die luidde voor 1 januari 1998;
- 8°. ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet; of
- 9°. nabestaandenuitkering op grond van deze wet, mits die uitkering of dat pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; of
- f. de gewezen verzekerde wiens recht op een uitkering als bedoeld in onderdeel e uitsluitend als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is geëindigd;
- g. de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 63d, tweede lid.
De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 63b
De gewezen verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk een jaar na de dag, waarop de verzekering is geëindigd, een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.
De aanvraag wordt afgewezen indien de gewezen verzekerde niet voldoet aan de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Artikel 63c
De vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, eindigt:
- a. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de Sociale verzekeringsbank een schriftelijke opzegging van de gewezen verzekerde heeft ontvangen;
- b. met ingang van de dag, waarop de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, is verstreken;
- c. met ingang van de dag, waarop de gewezen verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van deze wet;
- d. met ingang van de eerste dag van de vierde maand volgend op de laatste dag van de door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene nabestaandenverzekering, bedoeld in artikel 71 van de Wet financiering sociale verzekeringen, dient te worden betaald, indien die betaling niet of niet geheel heeft plaatsgevonden;
- e. met ingang van de dag volgend op de laatste dag van een door de Sociale verzekeringsbank gestelde termijn waarbinnen de gewezen verzekerde de van hem, in verband met de toepassing van dit hoofdstuk, verlangde inlichtingen dient te verstrekken, indien de gewezen verzekerde die gegevens niet heeft verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde aannemelijk maakt dat dat hem niet in overwegende mate kan worden verweten.
Artikel 63d
De artikelen 63 tot en met 63c zijn van overeenkomstige toepassing op:
- a. de gewezen verzekerde die op 31 december 1999 verplicht verzekerd was op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en die op of na 1 januari 2000, maar voor de dag van inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
- b. de gewezen verzekerde die op 31 december 1999 vrijwillig verzekerd was op grond van artikel 63 van deze wet, zoals dat artikel luidde tot en met de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW en wiens vrijwillige verzekering tussen 31 december 1999 en de dag van inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW uitsluitend als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is geëindigd;
met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 63b, eerste lid, de verzekering geacht wordt geëindigd te zijn, op de dag voor inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW.
De artikelen 63 tot en met 63c zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen verzekerde die op 31 december 2005 vrijwillig verzekerd was op grond van een algemene maatregel van bestuur die gebaseerd was op artikel 63, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde deze in overeenstemming te brengen met de motie van het lid Jurgens c.s.
Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Artikel 64
Vervallen
Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
Artikel 64a
Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan.
Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 65
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Artikel 66
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen terzake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 3, tweede tot en met zesde lid, 6, 7 en 13 en de op die artikelen berustende bepalingen.
Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Hoofdstuk 6. Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
Artikel 66a
Een persoon, wiens echtgenoot overlijdt binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon uitsluitend als nabestaande aangemerkt, indien hij:
- a. is geboren op of na 1 januari 1950 en voor 1 juli 1956;
- b. op de dag van overlijden was gehuwd met de persoon die nadien is overleden, waarbij artikel 3, buiten toepassing blijft; en
- c. overigens ter zake van het overlijden van zijn echtgenoot, indien dat overlijden zou hebben plaatsgevonden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, recht zou hebben gehad op een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de persoon die op grond van het eerste lid is aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in afwijking van het eerste lid regels gesteld waarbij een persoon die voldoet aan die regels alsmede aan het tweede lid, doch wiens echtgenoot overlijdt op of na de dag gelegen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet, wordt aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de periode waarbinnen en de voorwaarden waaronder een aanvraag om als zodanig te worden aangemerkt bij de Sociale verzekeringsbank moet worden ingediend en op de hoogte van een daartoe verschuldigde bijdrage. Daarnaast hebben deze regels betrekking op de door de Sociale verzekeringsbank verschuldigde vergoeding aan derden in verband met door hen gemaakte kosten ten behoeve van de uitvoering van de in de eerste zin bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Artikel 67
Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een uitkering op grond van artikel 8 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een nabestaandenuitkering, met dien verstande dat:
- a. het recht op nabestaandenuitkering niet eindigt, wanneer de nabestaande niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij:
- 1°. 40 jaar of ouder is op de laatste dag van de maand, waarin de dag gelegen is met ingang waarvan hij niet aan de bedoelde voorwaarden voldoet, of
- 2°. 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is op de laatste dag van de maand, waarin de dag gelegen is, met ingang waarvan hij niet meer voldoet aan de voorwaarde voor het recht op uitkering overeenkomstig artikel 14, eerste lid, onderdeel a;
- b. inkomen, bestaande uit een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten op de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht; en
- c. met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het overig inkomen in mindering wordt gebracht overeenkomstig het tweede lid, waarbij van de nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van het bruto-minimumloon buiten aanmerking blijft.
Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, buiten aanmerking gelaten een bedrag gelijk aan 70% van het bruto-minimumloon. Indien het inkomen geheel of mede bestaat uit inkomen uit arbeid en dat inkomen meer bedraagt dan 70% van het bruto-minimumloon, wordt naast het bedrag, bedoeld in de eerste zin, een derde gedeelte van dat meerdere buiten aanmerking gelaten.
Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, wordt de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 30% van het bruto-minimumloon, waarop in mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Deze nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het netto-minimumloon met ingang van de eerste dag van de maand dat de nabestaande voor 1 juli 1998 geen gezamenlijke huishouding meer voert. De Sociale verzekeringsbank kan indien de toepassing van de tweede zin wat de datum 1 juli 1998 betreft, tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, een latere datum vaststellen.
Voor de toepassing van de Wet beperking samenloop van uitkeringen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet met uitkeringen en renten op grond van de Ongevallenwet 1921 wordt een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet als een uitkering op grond van deze wet in aanmerking genomen, met dien verstande, dat voor het bepalen van de rente op grond van de Ongevallenwet 1921 die tot uitbetaling komt, artikel 18 buiten aanmerking blijft.
Bij ministeriële regeling kunnen voor situaties waarin dit artikel niet of onvoldoende voorziet dan wel toepassing van dit artikel tot onredelijke resultaten leidt nadere regels worden gesteld.
In afwijking van het derde lid wordt de nabestaandenuitkering van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een bedrag van 50% van het netto minimumloon, waarop in mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Op het deel van de nabestaandenuitkering dat meer bedraagt dan 30% van het bruto-minimumloon, wordt het overig inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, in mindering gebracht. De in de eerste zin bedoelde nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het netto-minimumloon met ingang van de eerste dag van de maand waarin geen gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende meer wordt gevoerd.
Indien de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het zesde lid, eindigt door het overlijden van de hulpbehoevende die niet tevens nabestaande is, ontstaat geen nieuw recht op nabestaandenuitkering.
In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:
- –. X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en
- –. Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
De nabestaandenuitkering bedraagt voor de nabestaande een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en met het achtste lid vastgestelde bedrag indien de nabestaande woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. Bij de toepassing van de eerste zin blijft artikel 17, derde lid, buiten toepassing.
Artikel 68
Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, is niet van toepassing op de persoon die:
- a). op 31 december 1999 op grond van artikel 14 dan wel 26, recht heeft op een nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering en op die dag niet in Nederland woont, en
- b). op 19 december 2005 dit recht op nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de wet van 9 december 2004, houdende goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid (Verdrag Nr. 118 aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122 en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).
Het eerste lid blijft van toepassing zolang deze persoon blijft wonen in hetzelfde land als het land waar hij op 19 december 2005 woonde en blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering.
Artikel 69
Vervallen
Artikel 70
Vervallen
Artikel 71
Degene, die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet recht had op een wezenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, heeft overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op een wezenuitkering.
In afwijking van het eerste lid wordt ten aanzien van het kind dat op de dag van de inwerkingtreding van deze wet 16 jaar of ouder is en recht had op uitkering op grond van artikel 17 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet bij de toepassing van artikel 26, tweede lid, onderdelen a en c en artikel 29, tweede lid, onderdeel c in plaats van 21 jaar gelezen: 27 jaar.
Van de persoon, bedoeld in dit artikel, die recht heeft op uitkering op grond van artikel 26, tweede lid, onderdeel c, en die op de dag van inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert, en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, eindigt de wezenuitkering met ingang van 1 januari 1998.
Vervallen.
In afwijking van het derde lid eindigt de wezenuitkering van de aldaar bedoelde persoon niet zolang de persoon die gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende en indien de persoon of de overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen.
Artikel 72
De artikelen 5, derde lid, en 9, zoals deze luidden, op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel XII, onderdelen A en B, van de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014, 131, blijven van toepassing op de personen op wie deze artikelen werden toegepast op de dag voor inwerkingtreding van die wet.
Artikel 73
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een tijdvak van verzekering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet mede aangemerkt als een tijdvak van verzekering op grond van deze wet.
Artikel 74
Vervallen
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Artikel 75
Vervallen
Artikel 76
Vervallen
Artikel 77
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel 78
Vervallen
Artikel 79
Vervallen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Artikel 80
Wijzigt de Organisatiewet sociale verzekeringen.
Artikel 81
Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen.
Artikel 82
Wijzigt de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies.
Artikel 83
Wijzigt de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies.
Artikel 84
Wijzigt de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.
Artikel 85
Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 .
Artikel 86
Wijzigt de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Artikel 87
Wijzigt de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers 1940-1945.
Artikel 88
Wijzigt de Wet buitengewoon pensoen Indisch verzet.
Artikel 89
Wijzigt de Ziekenfondswet.
Artikel 90
Wijzigt de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen.
Artikel 91
Wijzigt het Wetboek van Koophandel.
Artikel 92
Wijzigt de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Artikel 93
Wijzigt de Successiewet 1956.
Artikel 94
Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 95
Wijzigt de Werkloosheidswet, Ziektewet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, Toeslagenwet, Algemene Kinderbijslagwet, Algemene bijstandswet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Artikel 96
Wijzigt deze wet, de Wet financiering volksverzekeringen.
Artikel 97
Wijzigt deze wet.
Artikel 98
Wijzigt de Algemene bijstandswet.
Artikel 99
Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Artikel 100
Wijzigt de Beroepswet.
Artikel 101
Wijzigt deze wet.
Artikel 102
Wijzigt deze wet.
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Artikel 103
De inwerkingtreding van deze wet leidt tot 1 januari 2000 niet tot wijziging van de in guldens uitgedrukte aanspraken, rechten en verplichtingen zoals die voor degenen die betrokken zijn bij een pensioenregeling van een pensioenfonds of van een werkgever luidden op de dag voor de datum van die inwerkingtreding.
Indien voor 1 januari 2000 een herziening van de pensioenregeling in verband met deze wet wordt overeengekomen of overeenstemming wordt bereikt over de handhaving van de voor de datum van inwerkingtreding van deze wet geldende regeling van het nabestaandenpensioen, kan de inwerkingtreding van deze wet vanaf dat tijdstip wel tot wijziging leiden van de in het eerste lid genoemde aanspraken, rechten en verplichtingen.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de pensioenaanspraken van de nabestaanden van de militair, gewezen militair of gepensioneerde militair die is overleden tengevolge van verwonding, ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel E11 van de Algemene militaire pensioenwet. Onze Minister van Defensie stelt in verband daarmee voor de in het eerste lid bedoelde periode en met inachtneming van het tweede lid bij ministeriële regeling nadere regels overeenkomstig de inbouw- en franchise bepalingen van die wet.
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Artikel 104
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 105
De Algemene Weduwen- en Wezenwet wordt ingetrokken.
De Algemene Weduwen- en Wezenwet en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor de dag waarop deze wet in werking treedt, voor zover in deze wet niet anders is bepaald.
Artikel 106
Na de inwerkingtreding van deze wet berust de ministeriële regeling op grond van artikel 4 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet op artikel 8 van deze wet.
Artikel 107
Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 108
Deze wet wordt aangehaald als: Algemene nabestaandenwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 64b
Vervallen
Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 63e
Vervallen
Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
§ 6a. Tegemoetkoming in aanvulling op de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering
§ 7. De vakantie-uitkering
§ 9. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering buiten Nederland
§ 10. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming
Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 56
Voor het in ontvangst nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
Indien de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij de Sociale verzekeringsbank verzet tegen betaling aan de minderjarige wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger betaald.
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
Hoofdstuk 6. Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 29a
Degene die een nabestaandenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming.
Degene die een wezenuitkering ontvangt, heeft tevens recht op een tegemoetkoming.
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet beschouwd als een nabestaandenuitkering of wezenuitkering op grond van deze wet, behoudens voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, en afdeling II van hoofdstuk 3.
Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming.
De tegemoetkoming bedraagt indien de nabestaande of de wees woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het eerste tot en met vijfde lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar de nabestaande of wees woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.
De tegemoetkoming is niet vatbaar voor beslag.
§ 8. De hoogte van de vakantie-uitkering
§ 9. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering buiten Nederland
§ 10. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming
Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 57
Indien degene, aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
Indien degene aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Indien het tweede lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
Op de herziening van een beschikking op grond van het tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage, zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Hoofdstuk 5. De vrijwillige verzekering
Hoofdstuk 5a. Vrijwillige verzekering voor in de Europese Unie wonende postactieven
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 55a
In afwijking van artikel 53, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
- a. redelijkerwijs te voorzien is dat de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
- b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
- c. een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
- d. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
- e. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld niet nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 35, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 39 is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
- a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
- b. de nabestaande, het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, respectievelijk de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald zijn schuld aan het de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
- c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Artikel 55b
Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in de artikelen 53 en 55a is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 57
Indien degene, aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en de Sociale verzekeringsbank van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
Indien degene aan wie uitkering op grond van deze wet is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene, aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Indien het tweede lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de uitkering, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
Een herziening van een uitkering op grond van het tweede lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Hoofdstuk 6. Vrijstelling wegens gemoedsbezwaren
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 26a. Overgangsbepaling wezenuitkering kind van 16 jaar en ouder
Vervallen
§ 6. De hoogte van de wezenuitkering
§ 10. Geen recht op nabestaandenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming, onttrekking aan vrijheidsontneming en deelname aan een terroristische organisatie in het buitenland
Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 58
Vervallen
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 32e
Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien en voor zolang hij zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien en voor zolang het zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Artikel 32f
Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 27 of 32d, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat:
- a. de nabestaande zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
- b. het kind zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.
Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Artikel 60
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening met de aanspraken op uitkeringen, die de nabestaande en het ouderloos kind op grond van deze wet hebben.
Artikel 74*
De artikelen 10, 18, eerste lid, en 20 en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing op de persoon op wie deze artikelen en de daarop berustende bepalingen werden toegepast op de dag voor inwerkingtreding van die wet, voor zolang de toepassing duurt, doch ten hoogste gedurende twee jaar na de dag waarop die wet in werking is getreden.
Dit artikel vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 68a
Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, is niet van toepassing op de persoon op wie die paragraaf als gevolg van de opzegging van een verdrag, beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie van toepassing zou worden, zolang deze persoon blijft wonen in hetzelfde land als het land waar hij op de dag voor buitenwerkingtreding als gevolg van die opzegging respectievelijk op de dag voor de beëindiging woonde en blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering dan wel wezenuitkering.
Artikel 74*
De artikelen 10, 18, eerste lid, en 20 en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing op de persoon op wie deze artikelen en de daarop berustende bepalingen werden toegepast op de dag voor inwerkingtreding van die wet, voor zolang de toepassing duurt, doch ten hoogste gedurende twee jaar na de dag waarop die wet in werking is getreden.
Dit artikel vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 35a
In aanvulling op artikel 35 kan de Sociale verzekeringsbank de nabestaande dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger respectievelijk het ouderloos kind dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen dat:
- a. de nabestaande geen gezamenlijke huishouding voert anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende;
- b. het kind, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel d, ongehuwd is en dat tot zijn huishouden ten minste een ander kind behoort dat recht heeft op een wezenuitkering;
- c. de feitelijke woonsituatie van de nabestaande of van een ouderloos kind in overeenstemming is met het verstrekte adres van die nabestaande of van dat ouderloos kind.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan de Sociale verzekeringsbank bij die verzoeken aanbieden met de toestemming van de nabestaande, het ouderloos kind dan wel de wettelijke vertegenwoordiger de woning van de nabestaande respectievelijk het ouderloos kind binnen te treden.
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 60
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening met de aanspraken op uitkeringen, die de nabestaande en het ouderloos kind op grond van deze wet hebben.
Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Artikel 74*
Vervallen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 45a
Vervallen
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 60
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de nabestaande en ouderloos geworden kinderen van de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kunnen maken ter zake van het overlijden van de verzekerde, houdt de rechter rekening met de aanspraken op uitkeringen, die de nabestaande en het ouderloos kind op grond van deze wet hebben.
Artikel 74*
Vervallen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 11. Paraplubepaling voor de aanvullende pensioenen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 32g
Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde een uitreiziger is.
Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel 15, 27, 32d of 32h, recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering vanaf de dag dat:
- a. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
- b. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in het eerste lid, eerste zin, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.
Voor het tweede lid is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 32h
Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande, nadat het recht op nabestaandenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind, nadat het recht op wezenuitkering is ingegaan, een uitreiziger is.
Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 27, 32d of 32f, het recht op nabestaandenuitkering of wezenuitkering op de dag dat:
- a. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat de nabestaande zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
- b. niet langer het gegronde vermoeden bestaat dat het kind zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid.
Voor het tweede lid is artikel 33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering
Afdeling III. De betaling van de uitkering
Artikel 62
Indien de verzekerde bij zijn overlijden in dienstbetrekking werkzaam was, geldt artikel 61, ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte persoon, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wiens nabestaande en ouderloos geworden kinderen naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien het overlijden van de verzekerde is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk persoon.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.
Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Artikel 74*
Vervallen
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Hoofdstuk 10. Wijziging van andere wetten
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)