← Geldende tekst · Geschiedenis

Warenwetregeling kaaskorstbedekkingsmiddelen

Geldende tekst a fecha 2026-01-01

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 12a, derde lid, van het Warenwetbesluit Zuivel;

Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 19 juni 1995 met nummer 14886/(21)5;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Warenwetbesluit Zuivel en van het Algemeen Aanduidingenbesluit in werking treedt.

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Op de korst van kaas, bedoeld in artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel, mogen kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van kunststofdispersies worden aangebracht.

2.

Voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen worden uitsluitend homo- of copolymeren gebruikt van de volgende monomeren:

3.

Voor de vervaardiging van de in het tweede lid bedoelde polymeren mogen uitsluitend katalysatoren, polymerisatieregelaars, zuurteregelaars en oplosmiddelen worden gebruikt die voor het desbetreffende polymeer zijn toegelaten bij of krachtens het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen.

4.

Voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen uitsluitend de volgende hulpstoffen worden gebruikt:

5.

Voor de vervaardiging van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen uitsluitend de volgende pH-regulerende stoffen worden gebruikt:

Artikel 2a
1.

Kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van mono- en diglyceriden van eetbare vetzuren, veresterd met azijnzuur, die zijn aangebracht op de korst van schapenkaas, geitenkaas of kaas als bedoeld in artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel, mogen uitsluitend worden vervaardigd uit:

2.

Bij de bereiding van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen:

Artikel 3
1.

Op de korst van kaas, bedoeld in artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel, mogen kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van minerale was worden aangebracht.

2.

De in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen worden vervaardigd uit:

3.

De paraffine en kristallijne was, bedoeld in het tweede lid, onder a en c, voldoen aan de bij of krachtens het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen gestelde zuiverheidseisen.

4.

Bij de bereiding van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen, tot een gehalte van ten hoogste 50%, worden toegevoegd:

alsmede butylhydroxyanisol (BHA), tot ten hoogste 0,02%.

Artikel 4
1.

Op de korst van kaas, bedoeld in artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel, mogen kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van alginaten, celluloses, of mono- en diglyceriden van eetbare vetzuren, welke veresterd mogen zijn met azijnzuur, worden aangebracht.

2.

Kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van mono- en diglyceriden van eetbare vetzuren, veresterd met azijnzuur, worden vervaardigd uit:

3.

Bij de bereiding van de in het tweede lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen worden toegevoegd:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5
1.

Op de korst van kaas, bedoeld in artikel 9 van het Warenwetbesluit Zuivel, mogen kaaskorstbedekkingsmiddelen op basis van ingrediënten van eet- en drinkwaren worden aangebracht.

2.

Bij de bereiding van de in het eerste lid bedoelde kaaskorstbedekkingsmiddelen mogen additieven worden toegevoegd:

Artikel 6
1.

Onze Minister kan stoffen goedkeuren ten behoeve van de vervaardiging van kaaskorstbedekkingsmiddelen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, en 4, eerste lid.

2.

De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend als aan de hand van een erkende wetenschappelijke beoordeling getoetst is dat deze stoffen veilig zijn voor toepassing in kaaskorstbedekkingsmiddelen.

Artikel 7

Voor de vervaardiging van kaaskorstbedekkingsmiddelen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, en 5, eerste lid, mogen kleurstoffen worden gebruikt die ingevolge Verordening (EG) 1333/2008 zijn toegestaan voor toevoeging aan eetbare kaaskorsten dan wel aan gerijpte kaas onder de voorwaarden gesteld bij of krachtens die verordening.

Artikel 8

Voor de vervaardiging van kaaskorstbedekkingsmiddelen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, en 5, eerste lid, mogen additieven, genoemd in Groep I van deel C van bijlage II van Verordening (EG) 1333/2008, worden gebruikt onder de voorwaarden gesteld bij of krachtens die verordening. Deze additieven mogen geen functie hebben in de kaas.

Artikel 9

Voor de vervaardiging van kaaskorstbedekkingsmiddelen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, en 5, eerste lid, mogen sorbinezuur – kaliumsorbaat (E 200 – E 202), natamycine (E 235) en propionzuur – propionaten (E 280 – E283) worden gebruikt onder de voorwaarden die bij of krachtens verordening (EG) 1333/2008 zijn gesteld aan het gebruik ervan in gerijpte kaas.

Artikel 10

Voor de vervaardiging van kaaskorstbedekkingsmiddelen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, en 4, eerste lid, mogen ingrediënten van eet- en drinkwaren worden gebruikt.

Artikel 11

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit tot wijziging van het Warenwetbesluit Zuivel en van het Algemeen Aanduidingenbesluit in werking treedt.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling kaaskorstbedekkingsmiddelen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.