Regeling 'Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer'

Type Ministeriële regeling
Publication 2002-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Na overleg met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën;

Gezien het rapport van bevindingen van het Overlegorgaan Personenvervoer van 26 februari 1996, alsmede de adviezen en schriftelijke reacties van Provincies en regionaal openbare lichamen en gemeenten met lokaal openbaar vervoer;

Besluit:

I. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Deze regeling is van toepassing op te realiseren en gerealiseerde investeringen in o.v-infrastructuur, welke zijn gericht op dan wel samenhangen met snelheidsbevorderende maatregelen ten behoeve van het lokaal en interlokaal openbaar vervoer.

Artikel 3
1.

Ten behoeve van investeringen in de o.v-infrastructuur, als bedoeld in artikel 2, door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten wordt een totaalbedrag van ten hoogste 900 miljoen gulden (prijspeil 1995), zijnde 90% van de op grond van artikel 6 in aanmerking te nemen projectkosten, beschikbaar gesteld.

2.

Het in het eerste lid bedoelde totaalbedrag wordt als volgt verdeeld:

3.

Geen bijdragen worden verleend ten behoeve van:

II. Vaststelling en betaling van de bijdrage

Artikel 4
1.

Aan provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten wordt eenmalig een maximale bijdrage ten behoeve van de door hen te realiseren en gerealiseerde projecten beschikbaar gesteld.

2.

De maximale bijdrage per provincie wordt vastgesteld door het in artikel 3, tweede lid, onder a, bedoelde gedeelte tussen de provincies onderling te verdelen op basis van het aantal reizigers-kilometers in die provincies, uitgezonderd de in de provincies gelegen regionaal openbare lichamen en gemeenten.

3.

De maximale bijdrage per openbaar regionaal lichaam wordt vastgesteld door het in artikel 3, tweede lid, onder b, bedoelde gedeelte tussen de regionaal openbare lichamen te verdelen op basis van de percentages zoals deze door de gezamenlijke regionale openbare lichamen onderling zijn vastgesteld en vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

4.

De maximale bijdrage per gemeente wordt vastgesteld door het in artikel 3, tweede lid, onder c, bedoelde gedeelte tussen de gemeenten onderling te verdelen op basis van de normkosten die op grond van de Regeling kosten lokaal en interlokaal openbaar vervoer 1996 voor deze gemeenten zijn vastgesteld.

5.

De voor de vaststelling van de maximale bijdrage in aanmerking te nemen reizigerskilometers per provincie, als bedoeld in het tweede lid, vindt plaats op basis van de verkoop van vervoerbewijzen van het Nationaal Tariefsysteem in de periode 1 juli 1994 tot en met 30 juni 1995.

6.

De op grond van dit artikel vastgestelde maximale bijdragen worden in de bij deze regeling behorende bijlage 1 vermeld.

Artikel 5
1.

De maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt jaarlijks voor de ontwikkeling van kosten op basis van de IMOC aangepast. De aanpassing geschiedt over dat gedeelte van de maximale bijdrage dat nog niet op grond van artikel 7 betaalbaar zal worden gesteld. Bij de aanpassing zal rekening worden gehouden met de nog te verrichten betalingen tot en met 31 december van het lopende jaar.

2.

Uiterlijk 31 december van elk jaar stelt de Minister de provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten in kennis van de aanpassing van de maximale bijdrage.

3.

Provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten kunnen na onderling overleg voorstellen de maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderling her te verdelen. De minister kan op basis van dit voorstel de verleende maximale bijdrage wijzigen.

4.

Indien uit de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, voor het jaar 1997 kan worden afgeleid, dat, gelet op de verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onvoldoende projecten zijn aangemeld, dan kan de verleende maximale bijdrage met het niet aan te wenden deel worden verminderd.

5.

Indien uit de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, voor het jaar 2000 kan worden afgeleid, dat, gelet op de verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid en zonodig gewijzigd op basis van het derde lid, onvoldoende projecten in uitvoering zijn genomen, dan wordt de verleende maximale bijdrage met het niet aan te wenden deel verminderd.

6.

Ingeval toepassing wordt gegeven aan het vierde of het vijfde lid kan tevens de aan een provincie, regionaal openbaar lichaam of een gemeente verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, worden verhoogd.

Aan deze verhoging kunnen voorschriften worden verbonden.

7.

Alvorens toepassing te geven aan het vierde of vijfde lid stelt de minister gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur dan wel burgemeester en wethouders in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken.

Artikel 6
1.

Bij de betaling van de maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 7, worden onder kosten van een project verstaan de met een project samenhangende en zodanig opgevoerde kosten, waarvan uitsluitend als kosten van een project in aanmerking worden genomen de kosten van een onafhankelijke derde deskundige, als bedoeld in artikel 9, derde lid, alsmede de in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds genoemde kosten, met dien

verstande dat:

3.

De op grond van dit artikel in aanmerking te nemen kosten per project kunnen ten hoogste € 11.344.505,00 bedragen.

Artikel 7
1.

De betaling van de bijdrage aan provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten geschiedt per goedgekeurd programma op basis van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 10.

2.

De betaling van de bijdrage per project, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90% van de in aanmerking te nemen kosten, als bedoeld in artikel 6, met een maximum van € 10.210.055,00.

3.

De betaling van de bijdrage geschiedt jaarlijks voor 1 maart en bedraagt de som van de gerealiseerde kosten als bedoeld in artikel 6 van de in het voorafgaande kalenderjaar gereedgemelde projecten.

4.

Betaling van de bijdrage kan plaatsvinden tot en met 1 maart 2005.

Artikel 8

Vervallen

III. Wijze van indiening en te stellen eisen aan projecten

Artikel 9
1.

Gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders stellen conform de eisen, als bedoeld in artikel 11, een programma van projecten voor o.v-infrastructuur op en leggen dit programma van projecten ter goedkeuring aan de minister voor.

2.

Alvorens toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid plegen gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders overleg met de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen en wegbeheerders, alsmede met vervoerbedrijven die in het gebied openbaar vervoer verrichten, omtrent hun wensen over het programma van projecten.

3.

Om zich te overtuigen van de kwaliteit van de programma’s kunnen gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders een onafhankelijke derde deskundige zijn oordeel laten geven over de kwalitatieve aspecten van hun programma, waaronder in ieder geval de onderling meest effectieve samenhang van projecten en de afstemming met de doel-uitkering, als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds.

4.

Een programma kan direct na het inwerking treden van deze regeling worden ingediend, waarbij als uiterste termijn 1 oktober 1996 dient te worden aangehouden.

5.

Een beslissing over het programma van projecten vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 12 weken na ontvangst van het programma, plaats.

6.

De indiening dient te geschieden overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2.

Artikel 10
1.

Wijzigingen op het programma van projecten kunnen middels de jaarlijkse voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden ingediend.

2.

Wijzigingen, als bedoeld in het eerste lid, kunnen tot uiterlijk 1 oktober 2000 plaatsvinden.

3.
Artikel 11
1.

De ingediende programma’s van projecten, als bedoeld in artikel 9, worden goedgekeurd, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

2.

De minister kan een aanwijzing geven over de uiterste datum waarop het project in gebruik dient te zijn genomen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.