← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 28 maart 1996, houdende wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering, houdende aanpassing van de collegegeldbepalingen en de afschaffing van verblijfsduurbeperkingen

Geldende tekst a fecha 1997-03-19

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat van het stelsel van de studiefinanciering een regulerende werking uitgaat op de verblijfsduur van studerenden in het hoger onderwijs, dat als gevolg daarvan niet langer de behoefte bestaat aan afzonderlijke wettelijke bepalingen die die verblijfsduur regelen of beïnvloeden, en dat het gewenst is de mogelijkheid voor instellingen om zelf de hoogte van de onderwijsbijdrage te bepalen te verruimen;

dat het voorts, gelet op de beperkte overheidsmiddelen, noodzakelijk is het wettelijk voltijds collegegeld te verhogen, welke verhoging in drie fasen zal worden ingevoerd en wel zodanig dat de volledige verhoging in het studiejaar 1998–1999 zal worden bereikt;

dat in verband daarmee wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede de Wet op de studiefinanciering, noodzakelijk is;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel II

Wijzigt de Wet op de studiefinanciering.

Artikel III

De Wet van 7 juli 1988 (Stb. 334) wordt ingetrokken.

Artikel IV

In afwijking van artikel 7.43, eerste lid en vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is het bedrag van het collegegeld onderscheidenlijk het minimumbedrag van het collegegeld:

Artikel V

Artikel 7.43 , vierde lid, onder **c**, is niet van toepassing ten aanzien van de studerende die valt onder artikel V van de Wet van 29 mei 1991, **Stb**. 281 (Heroriëntering WSF I).

ARTIKEL VI
1.

De studerende die valt onder artikel V van de Wet van 29 mei 1991, Stb. 281 (Heroriëntering WSF I), voldoet niet aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, indien deze gedurende 6 jaren als studerende in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs studiefinanciering op grond van die wet heeft genoten, met dien verstande dat dit aantal jaren wordt verlengd op de voet van het tweede en derde lid.

2.

De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd voor de studerende:

3.

Ten aanzien van de studerende die als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen binnen de voor hem volgens het eerste en tweede lid geldende periode met goed gevolg af te ronden, vindt een verlenging van die periode plaats met overeenkomstige toepassing van artikel 17a, zevende lid, van de Wet op de studiefinanciering.

4.

Het tweede lid onderdeel a is niet van toepassing ten aanzien van de belanghebbende die zich na 21 november 1995 heeft ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.4, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

ARTIKEL VIA

Artikel II onderdeel C aanhef en onder 1 geldt niet ten aanzien van de studerenden die vóór 1 september 1996 voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering. Ten aanzien van deze studerenden zijn de beperking van het recht op studiefinanciering tot 6 jaren, bedoeld in artikel VI, eerste lid, en de verlenging van die termijn, bedoeld in artikel VI, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel VII

Vervallen

ARTIKEL VIII

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 september 1996.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.