Wet van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van artikel 117, vierde lid, van de Grondwet, wenselijk is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren uit te breiden met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof, en dat het in verband daarmee gewenst is deze wet opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit:

Hoofdstuk 1A. Benoeming, beëdiging, installatie en ambtskostuum

§ 1A.1. Benoeming

Artikel 1a

Het in deze wet bepaalde ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal is niet van toepassing op de procureur-generaal, bedoeld in artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 1b

Vervallen

Artikel 1c

Vervallen

Artikel 1d

Vervallen

Artikel 1e

Vervallen

Artikel 1f

Vervallen

§ 1A.2. Beëdiging en installatie

Artikel 1g

Vervallen

Hoofdstuk 2. Volledige taak en deeltaak

Artikel 2
1.

De benoeming in het ambt van president van, vice-president van, raadsheer in of raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, senior raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, senior rechter A, senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger in een rechtbank, of procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal, advocaat-generaal of advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister voor het leven.

2.

De benoeming in het ambt van procureur-generaal, deel uitmakend van het College van procureurs-generaal, landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal of advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, dan wel hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie of substituut-officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

3.

De benoeming in het ambt van plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, plaatsvervangend officier van justitie, officier enkelvoudige zittingen dan wel plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen geschiedt bij besluit van Onze Minister.

4.

In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal de landelijk hoofdadvocaat-generaal of een hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal.

5.

In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal een hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officieren van justitie of plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal.

6.

De benoeming in het ambt van senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur geschiedt bij besluit van Onze Minister, indien het een benoeming in tijdelijke dienst betreft, onderscheidenlijk bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, indien het een benoeming in vaste dienst betreft. Onze Minister benoemt niet onderscheidenlijk doet geen voordracht voor benoeming dan op voorstel van de betrokken functionele autoriteit.

7.

De benoeming in het ambt van griffier dan wel substituut-griffier van de Hoge Raad geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

8.

De benoeming in het ambt van rechter in opleiding en officier in opleiding geschiedt bij besluit van Onze Minister.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Tot rechterlijk ambtenaar kan alleen een Nederlander worden benoemd.

Artikel 5
1.

Tot rechterlijk ambtenaar kan worden benoemd degene:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten voor de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, 9° en 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 3. Bezoldiging en andere financiële arbeidsvoorwaarden

Artikel 7

De rechterlijke ambtenaren die hun ambt op basis van een aanstelling vervullen, ontvangen een salaris.

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9
1.

De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 5f, tweede en derde lid, die een ambt op basis van een aanwijzing vervullen en niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar salaris genieten, ontvangen over de periode van hun aanwijzing een salaris overeenkomstig het bij en krachtens de artikelen 1ab en 7 bepaalde.

2.

De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 5f, tweede lid, die werkzaamheden verrichten na daartoe door de functionele autoriteit te zijn opgeroepen en niet reeds uit anderen hoofde in een rechterlijke functie salaris genieten, ontvangen een vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid:

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17
1.

Het genot van het salaris vangt aan met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar in dienst treedt.

2.

Bij overgang naar een andere functie binnen de rijksoverheid wordt, indien deze functie wordt aanvaard met ingang van een dag waarop het einde van de benoeming in het rechterlijke ambt nog niet is ingegaan, het salaris in dit ambt niet langer uitbetaald dan tot de dag waarop het genot van het salaris in de nieuwe functie aanvangt.

3.

Het salaris wordt per maand genoten.

4.

Indien een aanspraak op een verhoging van het salaris ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van een kalendermaand, wordt het nieuwe salaris genoten vanaf de eerste dag van die kalendermaand.

5.

Indien het salaris moet worden berekend over een gedeelte van de kalendermaand, wordt het salaris per dag vastgesteld door het maandelijkse salaris te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.

6.

De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt over de tijd gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten geen salaris.

7.

Het tweede, derde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de toelagen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde tot de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar behoren.

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 4. Arbeidsduur, werktijd en werkverdeling

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

Paragraaf 5.1. Vakantie

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 27a

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Paragraaf 5.1. Vakantie

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Hoofdstuk 6. Overige rechten en plichten

Artikel 40

Vervallen

Artikel 41
1.

Het bestuur van de rechtbank onderscheidenlijk het gerechtshof verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat gerecht.

2.

Het hoofd van het parket verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat parket.

3.

De president van de Hoge Raad verdeelt de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad.

4.

Van de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verdeling van werkzaamheden kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het dienstbelang dit naar het oordeel van het bestuur van het gerecht, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk het hoofd van het parket onvermijdelijk maakt.

5.

Het hoofd van het parket waarbij rechterlijke ambtenaren werkzaam zijn die tevens zijn benoemd als gedelegeerd Europese aanklager als bedoeld in artikel 13 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), deelt aan deze rechterlijke ambtenaren slechts werkzaamheden toe als hen dat niet belet te voldoen aan de verplichtingen die krachtens de verordening op hen rusten.

Artikel 42
1.

Voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.