Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers

Type Ministeriële regeling
Publication 2015-06-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 21 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen;

Besluit:

Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Voorzieningenpakket

Artikel 2

Voorzieningen worden verleend in de vorm van:

Artikel 3

Een voorziening als bedoeld in artikel 2 wordt slechts verleend indien:

Hoofdstuk 3. Leefvoorzieningen

Artikel 4

Onder leefvoorzieningen die betrekking hebben op verplaatsing per taxi of auto worden verstaan:

Artikel 5
1.

De in artikel 4, onderdeel a, , en onderdeel f, bedoelde voorzieningen worden toegekend tot maximaal 10.000 kilometers.

2.

Bij het vaststellen van de in het eerste lid bedoelde voorzieningen wordt geen rekening gehouden met bespaarde kosten op het openbaar vervoer.

3.

De in artikel 4, onderdeel a b, c en f, onder 1 tot en met 3, bedoelde voorzieningen worden toegekend voor een periode van vijf jaren. Deze periode kan worden verlengd met maximaal twee jaren.

4.

Indien de medische dan wel sociaal-medische redenen voor deze voorzieningen vervallen kunnen deze voorzieningen voor elke toegekende periode van vijf jaren gedurende een termijn van één jaar worden voortgezet doch ten hoogste voor de duur van drie jaar.

5.

De in artikel 4 onderdeel b, bedoelde voorzieningen worden toegekend indien op grond van psychische klachten invaliditeit is aangenomen en het niet toekennen van die voorziening medisch aantoonbaar zou leiden tot mobiliteitsbeperkingen met dreigende psychische decompensatie tot gevolg, dan wel tot een ernstige bestaansverschraling met een verstoring van het psychische evenwicht. Voor toekenning is een medische onderbouwing met medewerking van psychiatrische expertise noodzakelijk.

Artikel 6
1.

Voor de vaststelling van het recht op een voorziening als bedoeld in artikel 4, onderdeel a tot en met c, en onderdeel f, is de hoogte van het inkomen van de betrokkene bepalend.

2.

Bij de vaststelling van het inkomen van de betrokkene wordt een pensioen ter zake van invaliditeit in aanmerking genomen, met dien verstande dat de toegekende bijzondere invaliditeitsverhoging ingevolge artikel 8 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen dan wel artikel 3 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen buiten beschouwing blijft.

3.

Bij de vaststelling van het overige inkomen van de betrokkene zijn de Regeling inkomenstoets vervoersvoorzieningen REA, zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de dag waarop de regeling vervalt als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of paragraaf 2 van de Reïntegratieregeling, voorzover daarvan in het navolgende niet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing.

4.

De in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden toegekend indien het inkomen van de betrokkene in het kalenderjaar waarin het verzoek tot toekenning van de voorziening is gedaan niet meer bedraagt dan 261 x 80% van het bedrag, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, en 18, vierde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

5.

Indien het inkomen van de betrokkene in een kalenderjaar meer bedraagt dan 261 x 80% van het bedrag, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, en 18, vierde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, vervallen de in artikel 4, onderdeel b, c en e, onder 2 tot en met 4, bedoelde voorzieningen.

6.

Indien het inkomen van de betrokkene meer bedraagt dan het op grond van het in het vierde lid vastgestelde bedrag worden de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, onderdeel a en e, onder 1, gedeeltelijk toegekend overeenkomstig het hierna bepaalde:

7.

Een algehele beëindiging van een in het eerste lid bedoelde voorziening vindt niet eerder plaats dan zes maanden nadat de betrokkene van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.

8.

Een tussentijdse verhoging van een in het zesde lid bedoelde voorziening als gevolg van verlaging van het inkomen van de betrokkene vindt met onmiddellijke ingang plaats. Een tussentijdse verlaging van een in het zesde lid bedoelde voorziening als gevolg van een verhoging van het inkomen van de betrokkene vindt niet eerder plaats dan na verloop van een maand na kennisneming van de voorgenomen wijziging.

9.

De betrokkene, die voldoet aan het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid, is verplicht om zodra zich een wijziging voordoet in zijn inkomen met onmiddellijke ingang hiervan melding te doen aan de uitvoerende dienst.

10.

In afwijking van het achtste lid kan de tussentijdse verlaging op een vroeger tijdstip ingaan indien de betrokkene zijn informatieplicht, bedoeld in het negende lid niet is nagekomen.

Artikel 7

Onder leefvoorzieningen die betrekking hebben op verplaatsing binnenshuis en buitenshuis per rolstoel worden verstaan:

Artikel 8

Onder leefvoorzieningen die betrekking hebben op wonen wordt verstaan:

Artikel 9

Onder leefvoorzieningen die betrekking hebben op de kosten verbonden aan op zich normale huishoudelijke uitgaven worden verstaan:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.