← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997

Geldende tekst a fecha 2025-01-23

Gelet op artikel 3a, eerste en vierde lid, van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze regeling wordt begrepen onder:

personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de krijgsmacht:

Artikel 2
1.

De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder a, is gerechtigd tot:

2.

Ten aanzien van niet-Nederlandse militairen in werkelijke dienst deel uitmakend van een krijgsmacht van een land dat niet is aangesloten bij de Noord-Atlantische verdragsorganisatie of het Partnerschap voor de Vrede geldt het eerste lid slechts indien de desbetreffende krijgsmacht beschikt over een schriftelijke uitnodiging van de Minister van Defensie en is voldaan aan de door de Minister van Defensie bij de uitnodiging gestelde voorwaarden.

3.

De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b, is voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist en zij in het bezit zijn van een door de Minister van Defensie afgegeven vergunning gerechtigd tot:

4.

De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder c, is voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist en zij in het bezit zijn van een door de Minister van Defensie afgegeven vergunning gerechtigd tot:

5.

De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder d, is voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist en zij in het bezit zijn van een door de Minister van Defensie afgegeven vergunning in het kader van trainingsdoeleinden gerechtigd tot:

Het gestelde in dit lid geldt voor zover de wapens, munitie en voorwerpen op defensieterrein blijven.

6.

De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder e, is uitsluitend gerechtigd tot het vervoeren, voorhanden hebben, doen binnenkomen of uitgaan van wapens of munitie van de categorieën I, onder 3°, voor zover het betreft een geluidsdemper, I, onder 7°, voor zover het betreft voorwerpen die een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen, II en III. Het gestelde in dit lid geldt voor zover de opdracht daartoe door de Minister van Defensie blijkt uit door hen mee te voeren documenten.

7.

De categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder f, is voor zover zij in het bezit zijn van een door de Minister van Defensie afgegeven vergunning in het kader van trainingsdoeleinden gerechtigd tot:

Het gestelde in dit lid geldt voor zover de wapens, munitie en voorwerpen op defensieterrein blijven.

8.

De in artikel 1, onderdeel g, genoemde personen zijn voor zover zij in het bezit zijn van een door de Minister van Defensie afgegeven vergunning gerechtigd tot:

Het in dit lid gestelde geldt voor zover het een bij Defensie opgeslagen wapen betreft welke is geregistreerd in de database historisch defensiematerieel, en indien het gaat om een wapen met een kaliber van 12.7 mm of kleiner, het wapen gebruiksongereed is.

9.

Onverminderd het bepaalde in dit artikel is voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist de militair van de Koninklijke marechaussee gerechtigd tot het transformeren, herstellen, beproeven, voorhanden hebben, dragen, vervoeren en doen binnenkomen en uitgaan van een wapen van categorie I indien dit nodig is in het kader van training voor herkenning en opsporing van genoemde wapens.

Artikel 3
1.

Aan de vergunning bedoeld in artikel 2, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking tot:

2.

De plaatsvervangend commandant defensie ondersteuningscommando is namens de Minister van Defensie bevoegd tot het verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, derde lid, ten aanzien van het personeel behorende tot de categorie van personen, genoemd in artikel 1, onder b, alsmede tot het verlenen van de opdracht, bedoeld in artikel 2, zesde lid.

3.

Bevoegd tot het namens de Minister verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vierde lid, is:

4.

De functionaris, bedoeld in het tweede en derde lid, kan de bevoegdheid, bedoeld in respectievelijk het tweede en derde lid, geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.

5.

Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten, de commandant Koninklijke marechaussee, de commandant materieel en IT of de commandant defensie ondersteuningscommando ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel. De functionarissen, bedoeld in de vorige volzin, kunnen de bevoegdheid tot het verstrekken van de vergunning geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.

6.

Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, zevende lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten, de commandant Koninklijke marechaussee, de commandant materieel en IT of de commandant defensie ondersteuningscommando ten aanzien van het ten behoeve van hun defensieonderdeel ingehuurde personeel. De functionarissen, bedoeld in de vorige volzin, kunnen de bevoegdheid tot het verstrekken van de vergunning geheel of gedeeltelijk schriftelijk doormandateren aan een onder hem ressorterende functionaris.

7.

Bevoegd tot het namens de Minister van Defensie verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, achtste lid, is de commandant zeestrijdkrachten, de commandant landstrijdkrachten, de commandant luchtstrijdkrachten of de commandant Koninklijke marechaussee ten aanzien van het onder hen ressorterende personeel.

Artikel 4

Met ingang van inwerkingtreding van deze regeling berusten vergunningen, afgegeven op grond van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel van 19 september 1994 (Stcrt. 185), voor de duur van hun geldigheid of op artikel 2, derde lid, of op artikel 2, vierde lid, van deze regeling.

Artikel 5

De Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel van 19 september 1994 (Stcrt. 185) wordt ingetrokken.

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 1996 treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 1997.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.