Circulaire Overheidswerknemers onder de werknemersverzekeringen (OOW-operatie)
Circulaire aan de Ministers
Inleiding/managementinformatie
Deze circulaire heeft tot doel informatie te verschaffen over de operatie ’Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen’ (OOW). Deze circulaire is een aanvulling op mijn vorige circulaire over dit onderwerp, gedateerd 19 juni 1997, nr. AD97/U521.
Het wetsvoorstel OOW (Kamerstukken II 1996/97, 25 282, nrs 1-2) is 11 november jl. aanvaard door de Tweede Kamer en zal zo spoedig mogelijk worden doorgezonden naar de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel is op een aantal onderdelen gewijzigd ten opzichte van het voorstel waarover ik u bij mijn vorige circulaire berichtte. Hiertoe is op 29 augustus 1997 een nota van wijziging bij de Tweede Kamer ingediend (vindplaats: Kamerstukken II 1996/1997, 25 282, nr. 7). Van de bij nader inzien benodigde wijzigingen wil ik u bij deze op de hoogte brengen.
Deze wijzigingen zijn voorgesteld met het oog op met name de uitvoerbaarheid van het overgangsrecht t.a.v. lopende uitkeringen. Verder kwam naar voren dat aanvullende regels nodig zijn om de WAO goed te kunnen uitvoeren gedurende de periode dat de Ziektewet (ZW) respectievelijk de Werkloosheidswet (WW) nog niet geldt voor het overheidspersoneel.
Deze wijzigingen dragen een in hoge mate technisch karakter en zijn hoofdzakelijk van belang voor de uitvoeringsinstelling USZO. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal redactionele verbeteringen aan te brengen in het wetsvoorstel.
Met nadruk wijs ik u erop dat de nota van wijziging geen wijziging heeft aangebracht in het invoeringstraject OOW. Alles blijft er op gericht de eerste fase van OOW, te weten de invoering van de WAO voor het overheidspersoneel, te laten plaatsvinden per
1 januari 1998. Ook het kabinetsstandpunt ten aanzien van de in het wetsvoorstel opgenomen fasering van de invoering van de ZW en de WW voor nieuwe en oude gevallen, blijft ongewijzigd.
De nota van wijziging met betrekking tot het wetsvoorstel OOW verandert niets aan de in mijn vorige circulaire vermelde, door u te ondernemen activiteiten en de data waarop die activiteiten afgerond dienen te zijn (zie mijn circulaire van 19 juni 1997 blz. 10/11).
De veranderingen in het wetsvoorstel gaan om de volgende onderwerpen:
Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om u te informeren over een voor overheidswerkgevers relevante wijziging van de wet Pemba. Overheidswerkgevers hoeven, indien zij eigen risicodrager willen worden, geen bankgarantie te overleggen. (zie hiervoor hoofdstuk 10).
Tenslotte heb ik in hoofdstuk 11 nogmaals het ongewijzigde invoeringstraject OOW aangegeven.
2. Dertiendeweeksmelding
Met betrekking tot de melding bij de uitvoeringsinstelling door de werkgever van een geval van arbeidsongeschiktheid, geldt op dit moment voor de sector Rijk de op de AAW gebaseerde regeling.
Op grond van deze regeling wordt een geval van arbeidsongeschiktheid ten aanzien van een werknemer bij de uitvoeringsinstelling gemeld zodra die arbeidsongeschiktheid zes maanden (26 weken) heeft geduurd.
In het wetsvoorstel OOW is opgenomen dat deze regeling met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van de voorgestelde Wet OOW (1 januari 1998) komt te vervallen. Met ingang van 1 januari 1998 wordt in de plaats daarvan de in artikel 71a, eerste lid, van de WAO juncto artikel 38, eerste lid, van de ZW opgenomen 13e-weeksmelding aan de uitvoeringsinstelling ingevoerd voor de overheid. Dit, vooruitlopende op de toepassing van de ZW.
Die 13e-weeksmelding zal gelden voor de nieuwe gevallen van arbeidsongeschiktheid. Voor de op 1 januari 1998 bestaande gevallen wordt het volgende van toepassing. Gevallen die op 1 januari 1998 korter dan 13 weken arbeidsongeschikt zijn, dienen binnen 13 weken vanaf de eerste ziektedag te worden gemeld. Gevallen die op 1 januari 1998 langer dan 13 weken arbeidsongeschikt zijn, dienen vóór 1 februari 1998 te worden gemeld.
Voor de duidelijkheid wordt nog het volgende opgemerkt.
De melding zal in alle gevallen met toepassing van de regels van de WAO dienen plaats te vinden. Dat betekent onder meer dat ook voor de oude gevallen een reïntegratieplan als bedoeld in de WAO moet worden opgesteld. De enige afwijking bestaat daaruit dat voor de bedoelde oude gevallen een afwijkende termijn zal gelden. Zij houdt niet in dat het bestaande regime van de zesdemaandsmelding onder toepassing van de AAW blijft gelden.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) heeft op 18 juni 1997 het Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997 (Stcrt. 1997, 140, blz. 4-5) tot stand gebracht. De in dat besluit opgenomen voorschriften, onder andere betreffende de omstandigheden waaronder met een voorlopig reïntegratieplan in plaats van een volledig reïntegratieplan kan worden volstaan, gelden onverkort ten aanzien van de reïntegratieplannen die in de onderhavige overgangsgevallen moeten worden opgesteld.
3. Werkgeversbetalingen per 1-1-1998
De WAO kent een ander systeem van betaling van de uitkering dan de WAO-conforme regeling. De invoering van de WAO voor het rijkspersoneel heeft tot gevolg dat het WAO-conforme systeem van betaling van de uitkering vervangen wordt door dat van de WAO. Dit betekent het volgende.
Onder de WAO-conforme regeling is de hoofdregel dat de USZO de WAO-conforme uitkering aan de werkgever van de betrokkene uitbetaalt (artikel 47 van de Wet privatisering ABP (WPA)). Dit ten einde die uitkering door tussenkomst van die werkgever te laten uitbetalen aan de betrokkene. De betrokkene heeft hierin geen keuze, de WPA legt dit systeem op. De betaling aan de werkgever eindigt en de betaling door de USZO rechtstreeks aan de betrokkene vangt aan op het moment dat het dienstverband tussen de overheidswerkgever en de betrokkene wordt beëindigd, of op het moment dat de betrokkene voor zijn resterend verdienvermogen volledig wordt herplaatst met recht op een herplaatsingstoelage op grond van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
Bij samenloop van dienstverbanden als overheidswerknemer bij verschillende overheidswerkgevers, wordt de WAO-conforme uitkering thans naar rato van de loonsommen gesplitst uitbetaald aan de betrokken werkgevers.
De hoofdregel van de WAO houdt echter in dat de uitvoeringsinstelling de uitkering op grond van die wet rechtstreeks aan de betrokkene betaalt. De betrokkene kan de uitvoeringsinstelling machtigen de uitkering aan een derde, waaronder zijn werkgever, te betalen. Dat zal de praktijk zijn in de sector rijk. Er kan slechts aan één derde worden betaald.
Op de regel van betaling door de uitvoeringsinstelling geldt met ingang van de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) de volgende uitzondering. Ingeval van een werkgever die eigen risicodrager voor de WAO is, geschiedt de betaling van de WAO-uitkering niet door de uitvoeringsinstelling, maar door de betreffende werkgever (artikel 75a, vierde lid, van de WAO). Indien de betrokkene echter meer dan één werkgever heeft, is in artikel 71 van de WAO opgenomen dat de WAO-uitkering dan door de uitvoeringsinstelling wordt betaald, ook ingeval één of meer van die werkgevers eigen risicodrager voor de WAO zijn.
Met ingang van 1 januari 1998 gaat het systeem van uitbetaling van de uitkering op grond van de WAO eveneens gelden voor het overheidspersoneel. Dit, in ieder geval voor de op of na 1 januari 1998 nieuw toegekende uitkeringen. In het belang van de continuïteit van de uitbetaling aan de betrokkene geldt voor de lopende gevallen de volgende wijze van overgang naar het WAO-systeem van uitbetaling.
Voor de per 31 december 1997 bestaande uitkeringen die op grond van artikel 47 van de WPA aan de werkgever worden betaald, zal de lopende betaling van de uitkering aan de werkgever op en na 1 januari 1998 worden voortgezet. Dit voor zover sprake is van een werknemer met één (overheids)werkgever.
Indien de werknemer echter meer dan één werkgever heeft, staat de WAO niet toe dat de huidige WAO-conforme praktijk van gesplitste uitbetaling aan meer dan één werkgever, wordt voortgezet. In dat geval betaalt de uitvoeringsinstelling de WAO-uitkering aan de werknemer.
Evenals nu eindigt de betaling van de WAO-uitkering aan de werkgever op of na 1 januari 1998:
Laatstgenoemde beëindigingsgrond komt materieel overeen met de bestaande beëindigingsgrond ’herplaatsing met recht op herplaatsingstoelage’.
Aan de bestaande beëindigingsgronden is een nieuwe toegevoegd met het oog op het systeem van de WAO. Het systeem van de WAO houdt in dat de werknemer de uitvoeringsinstelling kan machtigen tot betaling aan een derde. De beslissing tot machtiging is zijn keuze. Om administratief-technische redenen is wat betreft de lopende gevallen gekozen voor voortzetting van de betaling aan de werkgever. Dit mag er echter niet toe leiden dat de werknemer, in afwijking van het systeem van de WAO, geen keuze in dezen heeft. Daarom heeft de betrokken werknemer de mogelijkheid om de uitvoeringsinstelling te verzoeken de WAO-uitkering rechtstreeks aan hemzelf of een andere derde dan zijn werkgever te betalen. De betaling via de werkgever eindigt in dat geval. In de sector Rijk wordt er overigens vanuit gegaan dat de ambtenaar in alle gevallen meewerkt aan de doelmatige en efficiënte uitvoering van de WAO en in dat verband de gevraagde machtiging aan de werkgever verstrekt. Indien de ambtenaar een arbeidsverhouding heeft met meerdere werkgevers is het overigens niet mogelijk om bedoelde machtiging te verstrekken. De uitbetaling van de WAO-uitkering zal in het laatste geval altijd door de uitvoeringsinstelling worden verricht.
4. Aanscherping begrip overheidswerkgever
Voor een goede toepassing van het werkgeversbegrip van de werknemersverzekeringen diende het begrip overheidswerkgever in de zin van de OOW te worden aangescherpt. Het is namelijk gebleken dat er situaties zijn waarin het orgaan of lichaam dat beslist over de aanstelling van de werknemer niet altijd hetzelfde is als het orgaan of het lichaam dat die werknemer bezoldigt of beloont. Voorbeelden hiervan zijn de burgemeester en de Commissaris van de Koningin. Beide functionarissen worden benoemd bij koninklijk besluit. Zij worden bezoldigd ten laste van de betreffende gemeente respectievelijk provincie. Voor deze en soortgelijke functionarissen treedt niet het benoemende orgaan (de Kroon of een minister) op als werkgever in de zin van de werknemersverzekeringen, maar het orgaan van het lichaam dat hen bezoldigt. Uitsluitend het laatstbedoelde orgaan is in de gelegenheid en positie om de in de werknemersverzekeringen opgenomen verplichtingen van een werkgever jegens de bedoelde functionaris te vervullen. Voor het merendeel van de werknemers heeft dit overigens geen betekenis, omdat het benoemend orgaan en het bezoldigend orgaan voor hen hetzelfde zijn.
5. Indeling van de overheid wat betreft de uitvoering
In het kader van de normalisering van de uitvoering van de sociale zekerheid voor het overheidspersoneel dient de overheid door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te worden ingedeeld in sectoren in de zin van artikel 51, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekering 1997 (Osv 1997). Het Lisv kan de betreffende sectoren indelen in sectoronderdelen (artikel 51, tweede lid, van de Osv 1997). Het Lisv kan per sector waartoe overheidswerkgevers behoren, een rechtspersoon erkennen als sectorraad (artikel 56, eerste lid, van de Osv 1997). Het Lisv laat per sector of sectoronderdeel waartoe overheidswerkgevers behoren, de uitvoerende werkzaamheden verrichten door een uitvoeringsinstelling in de zin van artikel 59 van de Osv 1997 op basis van schriftelijke overeenkomsten in de zin van artikel 43 van die wet. Deze werkzaamheden omvatten, behalve de reguliere werkzaamheden op grond van de wettelijke werknemers-verzekeringen, ook de werkzaamheden in verband met de toepassing van hoofdstuk 1 van de Wet OOW ten aanzien van de (gewezen) overheidswerknemers (het overgangsrecht).
Er zijn bij de indeling van de overheid twee vraagstukken aan de orde. Het eerste vraagstuk betreft de aansluiting van de overheidswerkgevers bij een sector. Het tweede betreft de aansluiting van die werkgevers bij een uitvoeringsinstelling.
Met ingang van het tijdstip waarop de WAO wordt opengesteld voor het overheidspersoneel (1 januari 1998), valt de overheid voor de uitvoering van de WAO volledig onder het systeem van de Osv 1997 en dus onder de verantwoordelijkheid van het Lisv. De overheid zal naar verwachting in ten minste vijf sectoren worden ingedeeld.
De bedoeling was dat iedere overheidswerkgever bij één sector (of één sectoronderdeel) zou worden ingedeeld. Dit dient, achteraf gezien, te worden genuanceerd. Er moet namelijk rekening worden gehouden met de overgang van de bestaande indeling van overheidswerkgevers naar een nieuwe indeling op basis van de Osv 1997. Tot nu toe zijn de overheidswerkgevers langs in hoofdzaak bestuurlijk/ arbeidsvoorwaardelijke lijnen ingedeeld en niet, zoals in de marktsector, op basis van de aard van de werkzaamheden. Het is dan ook niet uit te sluiten dat bij de sectorindeling van de overheidswerkgevers op basis van de Osv 1997 situaties naar voren komen waarin een overheidswerkgever niet volgens de hoofdregel van de Osv 1997 bij één sector kan worden ingedeeld. Alsdan moet een afwijkende sectorindeling mogelijk zijn. De Osv 1997 biedt daarvoor een basis. Op grond van artikel 53 van die wet kan het Lisv op verzoek dan wel uit eigen beweging een werkgever bij meer dan één sector indelen, waarbij een indeling gemaakt wordt naar de aard van de werkzaamheden.
Wat betreft het vraagstuk betreffende de aansluiting bij een uitvoeringsinstelling geldt het volgende.
Momenteel kunnen overheidswerkgevers twee categorieën werknemers in dienst hebben:
Voor beide categorieën werknemers geldt een eigen systeem van sociale zekerheid met eigen uitvoeringsorganen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering is als volgt geregeld.
Ad a. Voor de werknemers die overheidswerknemer in de zin van de WPA zijn, vallen de overheidswerkgevers onder de verantwoordelijkheid van het FAOP wat de WAO-conforme regeling betreft. Het FAOP heeft de uitvoering van de WAO-conforme regeling uitbesteed aan de USZO. Voor deze werknemers geldt daarnaast bij werkloosheid de wachtgeldregeling zoals die bij de sector rijk van toepassing is.
Ad b. Voor de werknemers die werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen zijn, vallen de overheidswerkgevers onder de verantwoordelijkheid van het Lisv en onder de uitvoeringsinstelling van de sector of het sectoronderdeel waarbij zij voor de werknemersverzekeringen zijn aangesloten.
Opgemerkt wordt dat op dit moment alle overheidswerkgevers (inclusief de onderwijsinstellingen) formeel aangesloten zijn bij de sector van de voormalige BVO, de sector overheidsdiensten. Vanwege het eigen systeem van sociale zekerheid voor overheidswerknemers heeft deze aansluiting voor de meeste overheidswerkgevers geen betekenis. De dubbele aansluiting van werkgevers bij twee verschillende sectoren en dus verschillende uitvoeringsinstellingen doet zich op dit moment uitsluitend voor bij onderwijsinstellingen en gemeenten.
Per sector of sectoronderdeel zal het Lisv een overeenkomst met een uitvoeringsinstelling moeten sluiten voor de uitvoering van de WAO ten aanzien van de werknemers van de overheidswerkgevers. Er kan op grond van de Osv 1997 eigenlijk maximaal één uitvoeringsinstelling per sector of sectoronderdeel worden ingeschakeld. Gedurende een overgangsperiode wordt aan het Lisv de mogelijkheid geboden om voor de betreffende sectoren te contracteren met meerdere uitvoeringsinstellingen. Die uitvoeringsinstellingen kunnen dan bij voorbeeld de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO) zijn wat betreft de overheidswerknemers in de zin van de WPA en de beroepsmilitairen, en het GAK of Cadans wat betreft de werknemers van de voormalige BVO- onderscheidenlijk BVG-sector. Uiteindelijk zal echter één uitvoeringsinstelling per sector of sectoronderdeel moeten worden aangewezen.
6. Ww-premies over wao-uitkeringen van (gewezen) werknemers
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.