Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en van de Staatssecretaris van Defensie van 6 februari 1997, DGRLD/VI/L 97.710034, inzake het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen binnen geluidszones rond luchtvaartterreinen
handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op artikel 26b van de Luchtvaartwet;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. minister: wat de burgerluchtvaart betreft: de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; wat de militaire luchtvaart betreft: de Minister van Defensie;
- b. gebouw: gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- c. woning: woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- d. geluidsgevoelige ruimten van woningen: ruimten binnen woningen voor zover die kennelijk duurzaam als slaap-, woon- of eetkamer worden gebruikt of voor een zodanig gebruik zijn bestemd;
- e. ander geluidsgevoelig gebouw: gebouw met een onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- f. geluidsgevoelige ruimten van andere geluidsgevoelige gebouwen: les-, theorie- en studielokalen van gebouwen met een onderwijsfunctie, alsmede onderzoeks- en behandelings-, recreatie- en conversatieruimten en woon- en slaapruimten van gebouwen met een gezondheidszorgfunctie;
- g. geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie: grootheid die het verschil tussen het niveau van het invallende geluid aan de buitenzijde van een uitwendige scheidingsconstructie en het geluidsniveau in een ruimte achter deze constructie in een getal weergeeft;
- h. kostenbegrenzingswaarde: maximaal door de minister ter beschikking te stellen bedrag voor de geluidwerende voorzieningen en het aanbrengen daarvan, dat de uitkomst is van de berekening volgens bijlage I bij deze regeling;
- i. geluidscontour Rotterdam: desbetreffende geluidscontour van de luchthaven Rotterdam, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;
- j. geluidscontour Lelystad: desbetreffende geluidscontour van de luchthaven Lelystad, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b;
- k. geluidsbelasting in Ke: geluidsbelasting als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit militaire luchthavens;
- l. omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit of omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet;
- m. onderzoek: akoestisch en bouwtechnisch onderzoek van geluidsgevoelige gebouwen;
- n. NEN-5077: NEN 5077 als bedoeld in bijlage II bij de Omgevingsregeling;
- o. NEN-EN-ISO 12354-3: NEN-EN-ISO 12354-3 als bedoeld in bijlage II bij de Omgevingsregeling;
- p. NPR-5079: door het Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven Nederlandse praktijkrichtlijn ‘Geluidwering in gebouwen – Het bepalen en hanteren van ééngetalsaanduidingen voor de geluidwering in gebouwen en van bouwelementen’, publicatiejaar 1999;
- q. NPR-5272: door het Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven Nederlandse praktijkrichtlijn ‘Geluidwering in gebouwen – Aanwijzingen voor de toepassing van het rekenvoorschrift voor de geluidwering van gevels op basis van NEN-EN 12354-3’, publicatiejaar 2003.
Voor de toepassing van deze regeling zijn:
- a. voor de luchthaven Rotterdam de geluidscontouren, behorende bij de maximale waarden 40, 50 en 55 Ke, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;
- b. voor de luchthaven Lelystad de geluidscontouren, behorende bij de maximale waarden 40, 50, 55 en 65 Ke, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.
Hoofdstuk 2. Reikwijdte
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2
Tenzij in deze regeling anders is bepaald, worden op ’s rijks kosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidsgevoelige ruimten van:
- a. een woning die:
- 1º. op het tijdstip van vaststelling van de geluidscontour Rotterdam of de geluidscontour Lelystad daarbinnen reeds aanwezig is, of nog niet aanwezig is maar waarvoor de omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, en
- 2°. volgens de geluidscontour Rotterdam of de geluidscontour Lelystad een geluidsbelasting van 40 Ke of hoger ondervindt;
- b. een ander geluidsgevoelig gebouw dat:
- 1º. op het tijdstip van vaststelling van de geluidscontour Rotterdam of de geluidscontour Lelystad daarbinnen reeds aanwezig is, of nog niet aanwezig is maar waarvoor de omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend, en
- 2°. voor de luchthaven Rotterdam of voor de luchthaven Lelystad een geluidsbelasting van 40 Ke of hoger ondervindt.
Onverminderd het eerste lid, worden op ’s rijks kosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidsgevoelige ruimten van woningen die direct grenzen aan en een ononderbroken gebouweenheid vormen met een of meer woningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, mits eerstbedoelde woningen een geluidbelasting van niet minder dan 39 Ke ondervinden.
Afdeling 2. Situaties waarin geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht
§ 1. Ke-isolatie aan geluidsgevoelige ruimten van woningen
Artikel 3
Geluidwerende voorzieningen worden niet aangebracht aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen, wanneer ten tijde van de bekendmaking van het isolatieprogramma, bedoeld in artikel 12, eerste lid:
- a. vast staat dat de geluidsgevoelige ruimten van de betreffende woningen reeds voldoen aan artikel 19, dan wel aan overeenkomstige eisen hadden moeten voldoen op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge de Woningwet 1962 of de Woningwet;
- b. vaststaat dat zij onteigend maar nog bewoond zijn, dan wel de verwachting bestaat dat zij binnen vijf jaar na de bekendmaking van het isolatieprogramma zullen worden of zijn onteigend of dat de bewoning om andere redenen binnen die termijn zal worden gestaakt;
- c. vast staat dat zij onbewoonbaar zijn verklaard, dan wel een procedure tot onbewoonbaarverklaring, bedoeld in hoofdstuk III, afdeling 3, van de Woningwet, aanhangig is gemaakt;
- d. vervallen;
- e. vast staat dat zij niet voor permanente bewoning geschikt of bedoeld zijn of daar niet voor worden gebruikt;
- f. vast staat dat zij behoren tot de categorieën woonschepen of woonwagens;
- g. de verwachting bestaat dat zij binnen twee jaar na bekendmaking van het isolatieprogramma of na bekendmaking van een deelproject, door het wijzigen of het vervallen van de geluidscontour Rotterdam of van de geluidscontour Lelystad, niet meer binnen de geluidscontour die behoort bij de waarde van 40 Ke, als bedoeld in bijlage 3 respectievelijk bijlage 4, aanwezig zullen zijn;
- h. vaststaat dat aan de desbetreffende woningen met toepassing van deze regeling reeds van rijkswege geluidwerende voorzieningen zijn aangebracht, en de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie ter bescherming van de geluidsgevoelige ruimte, bepaald volgens bijlage 2 bij deze regeling zoals die gold op het moment waarop bedoelde geluidwerende voorzieningen werden aangebracht, 3 dB(A) of minder lager is dan de in artikel 19, eerste lid, bedoelde waarde;
- i. vaststaat dat de desbetreffende woningen reeds in beschouwing voor toepassing van deze regeling zijn genomen en op grond van de volgende situaties besloten is om niet over te gaan tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen:
- 1°. er was sprake van constructieve gebreken of achterstallig onderhoud als bedoeld in artikel 6, derde lid, en
- 2°. de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, is minder dan 5 dB(A) lager dan de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie op het moment waarop de woning eerder in beschouwing is genomen.
§ 2. LAeq-isolatie aan slaapkamers van woningen
Artikel 4
Vervallen
Afdeling 3. Situaties waarin onder bepaalde voorwaarden geluidwerende voorzieningen worden aangebracht
§ 1. Ke-isolatie aan geluidsgevoelige ruimten van woningen
Artikel 5
Indien uit het onderzoek blijkt dat:
- a. de waarde van de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de geluidsgevoelige ruimten van een woning, bedoeld in artikel 2, eerste lid, meer dan 2 dB(A) lager is dan de waarde die bereikt had moeten worden op grond van de geluidweringsvoorschriften ingevolge de Woningwet 1962 of de Woningwet, en
- b. de geluidsbelasting in Ke hoger is dan op de datum waarop de omgevingsvergunning voor het bouwen krachtens welke de woning is gebouwd, is verleend, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan voordat bedoelde uitwendige scheidingsconstructie, binnen een door de Minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning in overeenstemming is gebracht met de onder a, bedoelde geluidweringsvoorschriften.
Indien het eerste lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de geluidweringsvoorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, en het van rijkswege aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
Indien uit het onderzoek blijkt dat:
- a. de eigenaar van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde woningen is aangeschreven tot het op zijn kosten treffen van voorzieningen als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet;
- b. die voorzieningen verband houden met het kunnen aanbrengen van geluidwerende voorzieningen krachtens deze regeling, en
- c. die voorzieningen nog niet zijn aangebracht, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan, tenzij burgemeester en wethouders op verzoek van de eigenaar ermee hebben ingestemd, dat het treffen van de onder a, bedoelde voorzieningen en het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig plaatsvindt.
Artikel 6
Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de geluidsgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, of de bereikbaarheid van die ruimten, niet is voldaan aan de technische voorschriften voor bestaande bouw als opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan voordat bedoelde ruimten en bereikbaarheid, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning in overeenstemming zijn gebracht met de die technische voorschriften.
De minister kan het eerste lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Indien uit het onderzoek blijkt dat met betrekking tot de geluidsgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, sprake is van zichtbare of aantoonbare constructieve gebreken of van achterstallig onderhoud, waaronder niet wordt verstaan aanpassingen die rechtstreeks voortvloeien uit het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan voordat bedoelde gebreken en achterstallig onderhoud, binnen een door de minister gestelde redelijke termijn, door en op kosten van de eigenaar van de woning zijn opgeheven.
Indien het eerste of het derde lid van toepassing is, vinden de werkzaamheden tot het in overeenstemming brengen met de eisen, bedoeld in het eerste lid, alsmede het opheffen van constructieve gebreken en van achterstallig onderhoud, bedoeld in het derde lid, en het van rijkswege aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig plaats, indien de eigenaar daarom verzoekt.
Indien uit het onderzoek blijkt dat de kosten van de geluidwerende voorzieningen en het aanbrengen daarvan hoger zijn dan de kostenbegrenzingswaarde, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan, tenzij de eigenaar van de woning het verschil voor zijn rekening neemt.
Indien zich gedurende de uitvoering van de werkzaamheden in verband met het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen aan de woning constructieve gebreken openbaren die tot gevolg hebben dat de geluidwerende voorzieningen niet doelmatig kunnen worden aangebracht, en het Rijk die gebreken redelijkerwijs niet had behoeven te voorzien, worden de kosten in verband met het opheffen van die gebreken in overleg met de eigenaar op billijke wijze verdeeld tussen de eigenaar en het Rijk.
Artikel 6a
Indien de kosten van het aanbod, bedoeld in artikel 12, derde lid, hoger zijn dan de kosten bedoeld in artikel 11, vierde lid, onder d, wordt niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen overgegaan, tenzij de eigenaar van de woning het verschil voor zijn rekening neemt.
§ 2. LAeq-isolatie aan slaapkamers van woningen
Artikel 7
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.