← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 24 april 1997, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

Geldende tekst a fecha 2009-12-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Algemene begrippen
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

3.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

4.

Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.

Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

6.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

Artikel 2. Begrip arbeidsongeschiktheid
1.

Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

2.

De persoon die op de dag dat hij ingezetene wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

3.

Indien de op de in het tweede lid bedoelde dag aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de dag waarop de betrokkene ingezetene wordt in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.

4.

Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de betrokkene op het moment dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt ingezetene is geweest.

5.

Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

6.

Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

7.

Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten, hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zevende lid nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.

9.

De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers van de Staten-Generaal overgelegd.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.

11.

Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in deze wet maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.

Artikel 3. Ingezetene
1.

Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip «ingezetene».

3.

Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.

Artikel 4. Woonplaats
1.

Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

2.

De persoon die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen een jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse Antillen, Aruba of op het grondgebied van een andere Mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.

Artikel 5. Jonggehandicapte
1.

Jonggehandicapte is de ingezetene die:

2.

Als studerende wordt aangemerkt de persoon:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het tweede lid bedoelde personen als studerende worden aangemerkt.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid, onderdeel e.

Hoofdstuk 2. De uitkeringen

Afdeling 1. Het recht op en de hoogte van de uitkering

§ 1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering

Artikel 6. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

De jonggehandicapte heeft recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.

2.

Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

3.

Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte die na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.

4.

Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke de jonggehandicapte recht zou hebben gehad op ziekengeld op grond van de Ziektewet, indien hij op grond van die wet zou zijn verzekerd.

5.

Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is alsmede de jonggehandicapte die een uitkering geniet als bedoeld in het tweede lid.

6.

Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats met ingang van een dag, gelegen vóór die, waarop betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt.

7.

Toekenning ten aanzien van de in artikel 3, derde lid, bedoelde persoon, vindt niet eerder plaats dan met ingang van de dag dat hij in Nederland woont.

Artikel 6a. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 6b. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens vrijheidsontneming
1.

De jonggehandicapte, bedoeld in artikel 6, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

2.

De jonggehandicapte, die op grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

4.

Met inachtneming van de bepalingen van deze wet heeft eveneens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering de jonggehandicapte, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag. Artikel 6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.

Artikel 7. Grondslag van de uitkering
1.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon.

2.

Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, gedeeld door 21,75.

3.

Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

4.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de grondslag van het minimumloon is herzien.

Artikel 8. Percentage arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:

25-35%: 21% van de grondslag;
35-45%: 28% van de grondslag;
45-55%: 35% van de grondslag;
55-65%: 42% van de grondslag;
65-80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 75% van de grondslag.
2.

Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.

Artikel 9. Verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de jonggehandicapte verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd. De eerste zin vindt geen toepassing, indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.

Artikel 10. Buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking laten:

2.

De in het eerste lid, onderdeel b en d, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot de toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voorzover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die binnen een half jaar na aanvang van het ingezetenschap danwel na aanvang van de studie is ingetreden.

3.

Het eerste en tweede lid blijven buiten toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte indien hij op de dag dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt ingezetene is geweest.

4.

Zolang het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van het eerste of tweede lid arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel 2, tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de jonggehandicapte aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande, dat voor de in het eerste lid bedoelde dag of tijdstip in de plaats treedt de dag met ingang waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.

Artikel 11. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer de jonggehandicapte, aan wie zij is toegekend, op grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

2.

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van de artikelen 12 tot en met 15.

3.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12. Herziening bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
1.

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 14 en 15, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.

2.

De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats, indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op de persoon die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag van het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid zes of meer maanden studerende was als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b.

4.

Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van 52 weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

5.

Perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 13. Herziening bij 45% arbeidsongeschiktheid of meer
1.

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd artikel 14, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

2.

Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, doch minder dan 80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering is herzien, de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder afwijking van artikel 12.

3.

Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

4.

Perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 14. Herziening uitkering zonder wachttijd
1.

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:

2.

Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien dan wel is herleefd, met toepassing van artikel 29, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, geldt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b, als dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk werd herzien dan wel is herleefd, de dag, met ingang waarvan die uitkering zou zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien dan wel zou zijn herleefd, indien artikel 29, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.

3.

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 28, zesde lid, plaats met ingang van 22 februari 2007.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Op grond van deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van de jonggehandicapte die bij hervatting van de arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven inkomsten geniet, die minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.

5.

Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen mede in aanmerking genomen.

Artikel 15. Herziening bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
1.

Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

2.

Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

3.

Dit artikel vindt geen toepassing, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 13 of 14, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid.

4.

Perioden van wonen buiten Nederland, waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 16. Overige gronden voor herziening of intrekking
1.

Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake van een weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt het deze in:

2.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.

3.

Een besluit tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 59b, een besluit tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 59f en van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 59g wordt ingetrokken of herzien indien die voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

Artikel 17. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:

2.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet eerder in dan een jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de jonggehandicapte eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.

4.

Het eerste lid, onderdeel c, is tevens van toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en op wie artikel 3, derde lid, van toepassing is.

5.

Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

6.

Voor de toepassing van het vierde lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

7.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan het eerste lid, onderdeel c, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 18. Herleving van het recht op uitkering

Indien het recht op uitkering op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel c, is geëindigd en de jonggehandicapte vervolgens weer in Nederland woont, herleeft het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij weer in Nederland is gaan wonen.

Artikel 19. Toekenning uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
1.

Indien de jonggehandicapte:

2.

Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

3.

Dit artikel vindt geen toepassing:

4.

Artikel 6b en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20. Heropening van de uitkering
1.

De jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2.

Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45% in verband met artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.

3.

De jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken met ingang van een dag, gelegen binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

5.

Ten aanzien van de jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, en die weer arbeidsongeschikt is geworden op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 28, zesde lid, vindt heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met ingang van 22 februari 2007.

6.

De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de dag, waarop de heropening ingaat.

7.

Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

8.

Artikel 6b en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20a. Heropening van de uitkering na afloop vrijheidsontneming
1.

De jonggehandicapte, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 17, vijfde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.

3.

De artikelen 6, vijfde lid, 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.

4.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.

§ 2. Vakantie-uitkering

Artikel 21. Recht op vakantie-uitkering

De jonggehandicapte die over een maand recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.

Artikel 22. Hoogte van de vakantie-uitkering
1.

De vakantie-uitkering bedraagt acht procent van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.

2.

Indien artikel 50, 51 of 51a is toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, verstaan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat dat artikel toepassing heeft gevonden.

3.

Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.

4.

De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Artikel 23. Recht op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering

De artikelen 21 en 22, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53.

§ 3

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Afdeling 2. Het geldend maken van het recht op uitkering

§ 1. Melding

Artikel 27. Melding gedurende wachttijd
1.

Ten einde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken meldt de jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheid binnen dertien weken na de dag waarop hij 17 jaar is geworden dan wel binnen dertien weken na de in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde dag aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2.

Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van dertien weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, 3:10, eerste lid, 3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

§ 1. Melding

Artikel 28. Toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag toegekend.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de jonggehandicapte schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag uiterlijk vier maanden voor de datum waarop het in artikel 6, eerste lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing, indien de jonggehandicapte de melding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet of niet tijdig heeft gedaan. Indien de jonggehandicapte deze melding niet tijdig heeft gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde verplichting voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk drie maanden nadat de jonggehandicapte de melding heeft gedaan.

4.

De jonggehandicapte die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de uitkering, doet zijn aanvraag binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.

5.

Onverminderd hetgeen in deze wet terzake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen.

6.

Ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn geboren en die voor 22 februari 2007 op grond van het vijfde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.

7.

Op grond van de beoordeling, bedoeld in het zesde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon, bedoeld in het zesde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe medische beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.

8.

Een aanvraag is tijdig ingediend, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.

9.

Indien de toepassing van het vierde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.

Artikel 29. Ingangsdatum uitkering
1.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

3.

Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien deze zou ingaan op of na de in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.

Artikel 30. Herziening, heropening dan wel herleving op aanvraag of ambtshalve

Herziening, heropening dan wel herleving van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.

Artikel 31. Ingangsdatum herziening, heropening en herleving uitkering
1.

De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, waarop de jonggehandicapte op grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

2.

Met betrekking tot de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening of herleving van de uitkering is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag, aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

4.

Indien de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan een jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de jonggehandicapte eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 50, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.

5.

De herleving van de uitkering, bedoeld in artikel 18, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij weer in Nederland is gaan wonen.

6.

De heropening van de uitkering, bedoeld in artikel 20, gaat in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte weer arbeidsongeschikt is geworden.

7.

Heropening of herleving van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien deze zou ingaan op of na de in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.

Artikel 32. Toekenning vakantie-uitkering op aanvraag of ambtshalve

De vakantie-uitkering wordt ambtshalve of, ingeval artikel 52, eerste lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekend.

Artikel 33. Oproep en onderzoek door of namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, telkens wanneer het dat nodig oordeelt, oproepen of doen oproepen en op een door of namens hem te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of namens hem te bepalen plaats door een of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.

3.

De daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken door een of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.

Artikel 34. Vergoeding kosten en tijdverlies

Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden vastgesteld.

Artikel 35. Voorschriften van medische of administratieve aard
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen de personen, bedoeld in artikel 33, eerste lid, voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing of tot behoud, herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voorschrijven dat personen, bedoeld in artikel 33, eerste lid, zich laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening.

Artikel 36. Controlevoorschriften

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

§ 3. Maatregelen en boeten

Artikel 37. Gevolgen weigeren onderzoek
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien een persoon als bedoeld in artikel 33, eerste lid, na tijdig te zijn opgeroepen niet is verschenen of heeft geweigerd:

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.

Artikel 38. Gevolgen niet-naleving voorschriften
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig artikel 37, indien de jonggehandicapte:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening.

3.

Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de Wet sociale werkvoorziening.

Artikel 39. Afstemming maatregel op ernst gedraging
1.

Een maatregel als bedoeld in artikel 37 of 38 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de jonggehandicapte de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 62, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel 28, vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte een zodanige waarschuwing is gegeven.

3.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.

Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 40 wordt opgelegd.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 40. Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 2 269 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger of de werkgever van de verplichting, bedoeld in artikel 62.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijk vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 62, indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.

3.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.

De persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Artikel 41. Voorschriften rond voorgenomen boete-oplegging

Vervallen

Artikel 42. Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.

Artikel 43. Niet-oplegging van boete

Vervallen

Artikel 44. Termijnstelling van boete

Vervallen

Artikel 45. Afwijking 8:69 Awb

In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.

Artikel 46. Invordering bestuurlijke boete
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd ontvangt.

2.

De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars.

3.

De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.

4.

Zolang de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 40, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:

Afdeling 3. De betaling van de uitkering

Artikel 47. Betaalbaarstelling
1.

De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van een maand.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:

3.

Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald:

4.

Wanneer de jonggehandicapte, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstijdvak, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk de mededeling.

5.

Indien een reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een uitkering is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.

6.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 48. Inhouding vereveningsbijdrage

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de vakantie-uitkering en op de toeslag op de uitkering op grond van de Toeslagenwet een bedrag in, dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is op grond van de Werkloosheidswet, inhoudt.

Artikel 49. Betaling aan instellingen
1.

Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

2.

Indien de jonggehandicapte, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden inwilligen.

3.

Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat niet aan het College voor zorgverzekeringen wordt betaald.

4.

Een herziening van de betaling van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

Artikel 50. Inkomsten uit arbeid tijdens uitkering
1.

Indien de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid worden genoten, niet aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:

Na afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vijfde lid.

2.

Het in het eerste lid genoemde tijdvak van vijf jaar:

3.

Indien de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening, is het eerste lid voor onbeperkte duur van toepassing.

4.

Maandelijks wordt, wat betreft onderdeel b in afwijking van paragraaf 5.3 van de Zorgverzekeringswet, aan ’s Rijks Kas afgedragen het geraamde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid niet worden uitbetaald wegens het genieten van dat loon, alsmede van de dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met:

De afdracht geschiedt door middel van gelijktijdige verrekening met het aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende voorschot ten behoeve van uitkeringen, sociale lasten en uitkeringskosten voor hetzelfde tijdvak.

5.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:

6.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van andere vormen van arbeid die de jonggehandicapte gaat verrichten.

Artikel 51. Samenloop met Wet WIA-uitkering en andere uitkeringen
1.

Indien zowel recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, voorzover deze de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in verband daarmee geen herziening op grond van artikel 12 plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3.

Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht ontstaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 11 tot en met 16 als op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voorzover deze de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.

4.

Indien na toepassing van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien als de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wijzigt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voorzover deze het bedrag van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening als bedoeld in het derde lid.

5.

Indien terzake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op wijziging van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voorzover deze de gewijzigde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft.

6.

Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die uitkering recht bestaat, voorzover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.

7.

Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld:

9.

Voor de toepassing van het eerste en derde tot en met vijfde lid wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte op wie artikel 50 van toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag van die uitkering nadat bedoeld artikel toepassing heeft gevonden.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of een andere Mogendheid.

Artikel 52. Betaling van vakantie-uitkering
1.

De betaling van de vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan die maand voorafgaande 12 maanden, of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip betalen, mits die betaling plaatsvindt over een of meer voorliggende maanden waarover reeds recht op vakantie-uitkering bestaat.

2.

De artikelen 47, 49 en 53 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.

Artikel 53. Overlijdensuitkering
1.

Na het overlijden van de jonggehandicapte, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, de uitkering in de vorm van een overlijdensuitkering betaald:

2.

Met de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld, de jonggehandicapte wiens overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, doch voor het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die uitsluitend op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel a, over de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had.

3.

De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van de jonggehandicapte.

4.

In verband met het overlijden van de jonggehandicapte aan wie een uitkering is toegekend, is artikel 17, eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.

5.

De overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaald.

6.

De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.

7.

Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is betaald.

Artikel 54. Verjaringstermijn

Uitkeringen op grond van deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.

Artikel 55. Terugvordering
1.

De uitkering de loonsuppletie, bedoeld in artikel 59f, de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 59g en de voorziening of de kosten van de voorziening, bedoeld in artikel 59b, die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 16 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:

3.

De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:

4.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5.

De persoon van wie of de instelling waarvan wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.

6.

In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Artikel 56. Invordering bij dwangbevel
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 36, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

2.

Artikel 46 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.

Artikel 57. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.

Artikel 58. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
1.

Onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding en belening zijn:

2.

Volmacht tot ontvangst van een uitkering onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

3.

Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

Artikel 59. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen

Niet vatbaar voor beslag zijn:

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Artikel 60. Samenloop aanspraken

Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de jonggehandicapte naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij op grond van deze wet heeft.

Artikel 61. Regresrecht
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de op grond van deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht is gehouden.

2.

Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.

3.

De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke en de aansprakelijke jegens de ingezetene die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt zijn eveneens verplicht tot vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de jonggehandicapte, die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de jonggehandicapte ten dienste zou hebben gestaan.

Hoofdstuk 2A. Reïntegratie-instrumenten

Artikel 62. Verplichting tot verstrekken van inlichtingen
1.

De jonggehandicapte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling bedoeld in artikel 49, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

2.

Op de jonggehandicapte die aanspraak maakt op of recht heeft op een vakantie-uitkering dan wel een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9a, en diens wettelijke vertegenwoordiger rusten overeenkomstige verplichtingen als omschreven in het eerste lid.

3.

De jonggehandicapte aan wie een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk 2A is verstrekt of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan wordt overwogen, alsmede diens wettelijk vertegenwoordiger, en de werkgever ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid, op grond van artikel 59a, heeft verminderd, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het reïntegratie-instrument.

Hoofdstuk 2A. Reïntegratie-instrumenten

Artikel 63. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 64 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in artikel 65, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten dat deel uitmaakt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 64. Middelen tot dekking van de uitgaven

In de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt voorzien door:

Artikel 65. Uitgaven ten laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
1.

Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten komen:

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Hoofdstuk 5. Financiering

Artikel 66a. Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij herziening

Vervallen

Artikel 66b. Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij heropening en herleving

Vervallen

Artikel 66c. Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij toekenning binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning

Vervallen

Artikel 67. Verlening subsidies

Vervallen

Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

Artikel 68. Begrip belanghebbende

Vervallen

Artikel 69. Beslistermijnen
1.

Beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2.

De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.

3.

Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.

4.

Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

5.

Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 69a. Bijzondere beslistermijnen

Vervallen

Artikel 70. Beslistermijn Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij bezwaarschrift
1.

In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

2.

Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen een en twintig weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

3.

Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 71. Medische bezwaarschriftprocedure

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.

Artikel 72. Beroep in cassatie
1.

Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, en 3 en de op die artikelen berustende bepalingen.

2.

Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Artikel 73. Strafbepaling

Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 73a. Strafbepaling inzake artikel 62

Vervallen

Artikel 73b. Strafbepaling inzake valse opgave/opzettelijke verzwijging

Vervallen

Artikel 73c. Strafbepaling inzake opzettelijke opgave in strijd met waarheid

Vervallen

Artikel 74. Verval van recht tot strafvordering

Vervallen

Artikel 75. Overtredingen

De in artikel 73 bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen beschouwd.

Hoofdstuk 6. Vervallen

Artikel 76. Overgangsbepaling in verband met artikel 61, derde lid

In gedingen aangevangen voor het van toepassing worden van artikel 61, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van een van de partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan artikel 61, derde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.

Artikel 77. Buiten toepassingverklaring van Algemene termijnenwet

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de artikelen 6, tweede en derde lid, 12, derde lid, 13, 14, eerste lid, 15, 19 en 20.

Artikel 78. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 79. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 76a. Overgangsbepaling in verband met de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend voor de inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten worden geacht te zijn toegekend voor onbepaalde tijd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 50a. Scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen
1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot door het UWV te verstrekken subsidie aan een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf door scholing de inschakeling van jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen in de arbeid bevordert.

2.

Bij de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, kunnen aan de subsidie-ontvanger verplichtingen worden opgelegd omtrent het hanteren van een registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening.

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Hoofdstuk 2A. Reïntegratie-instrumenten

Hoofdstuk 6. Vervallen

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 46a. In kennisstellen reïntegratiebedrijf van sanctie-oplegging

Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de jonggehandicapte de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die jonggehandicapte werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die beschikking in kennis voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.

Afdeling 3. De betaling van de uitkering

Artikel 51a. Samenloop met WAO-uitkering en andere uitkeringen
1.

Indien zowel recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en in verband daarmee geen herziening op grond van artikel 12 plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3.

Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 11 tot en met 16 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.

4.

Indien na toepassing van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen als gevolg van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voor zover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening als bedoeld in het derde lid.

5.

Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van die wet of op herziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in verband met de artikelen 12 tot en met 16 van die wet als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.

6.

Voor de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.

7.

Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing op degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering als bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

8.

Voor de toepassing van het eerste en derde tot en met vijfde lid wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onderscheidenlijk uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van de jonggehandicapte op wie artikel 50, onderscheidenlijk artikel 44 of 65 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onderscheidenlijk artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag van die uitkeringen nadat bedoelde artikelen toepassing hebben gevonden.

9.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld:

met betrekking tot het eerste lid.

Hoofdstuk 4. Het verstrekken van inlichtingen

Hoofdstuk 6. Vervallen

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Artikel 69b. Afzien van horen belanghebbende

In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gestelde redelijke termijn, verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

Artikel 72a. Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht

Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken op grond van artikel 59b.

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 76b. Overgangsbepaling in verband met intrekken Wet REA
1.

Een beschikking tot vermindering van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid op grond van artikel 7 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vervalt, de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet wordt voor de duur van het tijdvak waarvoor die aanspraak op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is verminderd aangemerkt als een beschikking tot vermindering van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid als bedoeld in artikel 59a.

2.

Een beschikking tot toekenning van een voorziening op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vervalt, dag de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voor de duur van het tijdvak waarvoor die voorziening op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 35, eerste lid juncto tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

3.

Een beschikking tot toekenning van loonsuppletie op grond van artikel 32 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vervalt, de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voor de duur waarvoor die loonsuppletie was toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 59f.

4.

Een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie op grond van artikel 29 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, vervalt, de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voor de duur waarvoor die inkomenssuppletie was toegekend aangemerkt als inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 59g.

Artikel 76c. Overgangsbepaling subsidiëring REA-scholingsinstituten
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt tot en met het jaar 2008 jaarlijks ten laste van het Reïntegratiefonds, genoemd in artikel 2.8 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, aan door Onze Minister aan te wijzen scholingsinstituten die ten doel hebben de arbeidsintegratie van arbeidsgehandicapten te bevorderen, een subsidie ter hoogte van een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag waarbij regels kunnen worden gesteld omtrent de wijze van berekening van dat bedrag.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan bij de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, aan de subsidie-ontvanger verplichtingen opleggen omtrent vermogensvorming, het hanteren van een registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt en de vergoeding van met subsidie behaald vermogensvoordeel.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9a. Tegemoetkoming in aanvulling op arbeidsongeschiktheidsuitkering
1.

De jonggehandicapte die behoort tot een bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft recht op een tegemoetkoming.

2.

De tegemoetkoming wordt verstrekt in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3.

Bij ministeriële regeling worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de tegemoetkoming en de betaling van de tegemoetkoming.

4.

De tegemoetkoming wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

5.

De betaling van de tegemoetkoming vindt plaats binnen een maand nadat het recht op de tegemoetkoming is vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde termijnen als die waarin de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt.

§ 2. Vakantie-uitkering

§ 3

Afdeling 2. Het geldend maken van het recht op uitkering

§ 1. Melding

§ 2. Toekenning

§ 3. Maatregelen en boeten

Afdeling 3. De betaling van de uitkering

Artikel 52a. Betaling van de tegemoetkoming

De artikelen 32, 47, 49, 55, 56 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 9a, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.

Artikel 59a. Loondispensatie
1.

Indien de arbeidsprestatie van een werknemer die:

in een bepaalde functie, maar geen functie waarin hij werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van die wet, ten gevolge van ziekte of gebrek duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van het voor hem geldende wettelijk minimumloon rechtvaardigt, vermindert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.

2.

Elk beding waarbij een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid wordt overeengekomen die lager is dan de beloning, vastgesteld op grond van het eerste lid is nietig.

3.

Vanaf de dag waarop de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de leeftijd van achttien jaar bereikt en recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de op grond van onderdeel b verstrekte vermindering van de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning, geacht te zijn gebaseerd op het eerste lid, onderdeel a, tenzij de werknemer niet aan de overige voorwaarden van het eerste lid voldoet.

Artikel 59b. Voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld op grond waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag van de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in het kader van de bevordering en ondersteuning bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige aan die jonggehandicapte voorzieningen kan verstrekken.

Artikel 59c. Experimenteerartikel
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de inschakeling in de arbeid van jonggehandicapten die recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben, doeltreffender uit te voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen van deze wet. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld op welke wijze van welke artikelen wordt afgeweken.

2.

Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste vier jaar. Indien, voor een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het voorstel van wet in werking treedt. Het eerste lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van een experiment en voorzieningen worden getroffen voor zich gedurende een experiment voordoende onvoorziene gevallen.

4.

Onze Minister meldt aan de Staten-Generaal hoe het experiment in de praktijk is verlopen, alsmede zijn standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment.

5.

De voordracht voor krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregelen van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 59d. Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV
1.

De jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van die wet.

Artikel 59e

Vervallen

Artikel 59f. Loonsuppletie
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt of verricht op aanvraag loonsuppletie toekennen, indien het loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.

2.

De loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is toegekend.

3.

Als perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid worden eveneens aangemerkt, perioden waarin een uitkering op grond van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.

4.

De loonsuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de loonsuppletie.

Artikel 59g. Inkomenssuppletie
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten op aanvraag inkomenssuppletie toekennen, indien zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.

2.

De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal inkomenssuppletie is toegekend.

3.

De inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de inkomenssuppletie.

Artikel 59h. Proefplaatsing
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de jonggehandicapte, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.

2.

Tijdens het verrichten van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien.

3.

De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:

4.

Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.

Artikel 59i

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 59f, van inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 59g, de termijn waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede omtrent de rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn verbonden, en met betrekking tot de aanvraag van voorzieningen, bedoeld in artikel 59b en van toestemming als bedoeld in artikel 59h.

Hoofdstuk 5. Financiering

Hoofdstuk 4. Het verstrekken van inlichtingen

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 66. Beschikking over financiële middelen

Artikel 120 van de Wet financiering sociale verzekeringen is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Vervallen

Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 10a. Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op uitkering

Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering op grond van deze wet, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op een uitkering op grond van deze wet buiten beschouwing, voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

§ 2. Vakantie-uitkering

§ 3

Afdeling 2. Het geldend maken van het recht op uitkering

§ 2. Toekenning

§ 3. Maatregelen en bestuurlijke boeten

Afdeling 3. De betaling van de uitkering

Hoofdstuk 3. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht

Hoofdstuk 4. Het verstrekken van inlichtingen

Hoofdstuk 5. Financiering

Hoofdstuk 6. Vervallen

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 57a. Schuldregeling
1.

In afwijking van artikel 55, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op verzoek van de jonggehandicapte, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de jonggehandicapte van de verplichting, bedoeld in artikel 62, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 40 is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de jonggehandicapte gewijzigd indien:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.

Artikel 57b. Preferentie

Een vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 55 en 57a van deze wet is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Hoofdstuk 2A. Reïntegratie-instrumenten

Hoofdstuk 5. Financiering

Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 59j. Loonkostensubsidie
1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met een jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de inwerkingtreding van de Wet stimulering arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de dienstbetrekking een overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden heeft. De subsidie kan slechts worden verstrekt indien de jonggehandicapte op de eerste dag van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt.

2.

Indien de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien de derde, in wiens opdracht de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter beschikking wordt gesteld om arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht die jonggehandicapte tenminste twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Indien de uitzendovereenkomst binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd door een dienstbetrekking bij de derde, voor ten minste de resterende duur van de twaalf maanden, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag aan die derde loonkostensubsidie verstrekken voor maximaal de resterende duur van de twaalf maanden.

3.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan van de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering vaststellen dat hij in aanmerking komt voor toepassing van het eerste lid, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij indicatiebeschikking.

4.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts:

5.

Onder additionele arbeid als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

6.

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van deze wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt naar evenredigheid verminderd, indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde wet. Indien ten behoeve van de betrokken werknemer artikel 59a van deze wet toepassing vindt, bedraagt de subsidie, zo nodig in afwijking van de eerste zin, ten hoogste de aanspraak op een geldelijke beloning voor verrichte arbeid die krachtens dat artikel 59a is vastgesteld.

7.

De subsidie kan voor maximaal twaalf maanden worden verstrekt.

8.

Indien de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met dit ziekengeld.

9.

Indien de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.

10.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel, welke regels betrekking kunnen hebben op:

Artikel 59k. Loonkostensubsidie niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden
2.

De leeftijdsgrens, bedoeld in artikel 59j, eerste lid, is niet van toepassing op deze persoon.

Artikel 59l

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de jonggehandicapte, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de Wet werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 7. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 76d. Mogelijkheid vervallen loonkostensubsidie
1.

Artikel 59j vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2.

Artikel 59k vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 76e. Overgangsrecht Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden

De loonkostensubsidie die voor de dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden, is verstrekt aan een werkgever ten behoeve van een persoon die op de dag voor aanvang van die gesubsidieerde dienstbetrekking recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangemerkt als loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 59j.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.