← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 24 april 1997, houdende nieuwe regels over het verstrekken van huursubsidies (Huursubsidiewet)

Geldende tekst a fecha 2024-12-21

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet individuele huursubsidie te herzien, ter matiging van de huurlasten van huishoudens met lagere inkomens, ter vereenvoudiging van de wettelijke bepalingen, alsmede ter vergroting van de doelmatigheid van de huursubsidieverstrekking;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1. Definities

Artikel 1

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:

Artikel 1a
1.

Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

2.

De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van een huurtoeslag is opgedragen aan de Dienst Toeslagen.

3.

In afwijking van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen de partner uitsluitend als partner aangemerkt indien deze in de basisregistratie personen op het adres van de huurder staat ingeschreven.

§ 2. In aanmerking te nemen bewoningssituatie en huur

Artikel 2

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Vervallen

Artikel 5
1.

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekenhuur: de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd, of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte daarover gestelde regels, vermeerderd met:

2.

Bij de toepassing van het eerste lid kan het in de aanhef van dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in plaats van de verschuldigde huurprijs in aanmerking worden genomen nadat, op verzoek van de Dienst Toeslagen, de huurcommissie, dan wel de voorzitter van de huurcommissie, aan de Dienst Toeslagen en aan de huurder advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent die verklaring nadere regels worden gesteld.

3.

Als servicekosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden uitsluitend in aanmerking genomen:

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 2. Het recht op huurtoeslag

§ 1. Algemeen

Artikel 7
1.

Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

2.

Ten aanzien van een bepaalde woning kan slechts aan één huurder een huurtoeslag worden toegekend.

§ 2. Eisen aan de huurder en de medebewoners

Artikel 8

Een huurtoeslag wordt slechts toegekend aan een huurder die meerderjarig is.

Artikel 9
1.

Een huurtoeslag wordt slechts toegekend:

2.

In afwijking van het eerste lid kan een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de basisregistratie personen niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Artikel 10

Vervallen

§ 3. Eisen aan de woning

Artikel 11
1.

Een huurtoeslag wordt slechts toegekend voor de huur van een woning die:

2.

Het eerste lid onder b vindt slechts toepassing als de onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning, die door de Dienst Toeslagen is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld, waarbij een lagere maximale rekenhuur kan worden vastgesteld dan uit artikel 13 voortvloeit.

3.

Voor de huur van een woonwagen zonder eigen aandrijving wordt slechts een huurtoeslag toegekend, indien deze:

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13
1.

Geen huurtoeslag wordt toegekend als de rekenhuur:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing:

3.

Als een huurtoeslag wordt toegekend met toepassing van het tweede lid, ontvangt de huurder geen huurtoeslag voor het deel van de rekenhuur dat ligt boven het maximum dat in het eerste lid is genoemd.

4.

De in het eerste lid, onder a en b, genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.

§ 4. Eisen aan de financiële positie

Artikel 14
1.

Het norminkomen bedraagt:

2.

Het norminkomen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt vermeerderd met het bedrag van de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, onderscheidenlijk twee maal dat bedrag, en verder vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462.

3.

De in het eerste lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.

Artikel 15

Vervallen

Hoofdstuk 3. De hoogte van de huursubsidie

§ 1. Normhuur

Artikel 16

De basishuur is het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurder blijft. De basishuur is het overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19 berekende bedrag van de normhuur verhoogd met € 12 per 1 januari 2023 bij Stb. 2022/528: € 0.In Stb. 2023/494 wordt de basishuur aangepast vanaf 1 januari 2024..

Artikel 17
1.

Het minimum-inkomensijkpunt wordt verkregen door:

2.

Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 226,67.

3.

De normhuur, bedoeld in het tweede lid, wordt verlaagd met:

4.

Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.

Artikel 18
1.

Het referentie-inkomensijkpunt bedraagt:

2.

Voor de toepassing van het derde lid en van artikel 19, tweede lid, worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462.

3.

Bij het referentie-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 460,74.

4.

De normhuur, bedoeld in het derde lid, wordt verlaagd met:

5.

De in het eerste en derde lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.

Artikel 19
1.

Voor elk rekeninkomen onder of gelijk aan het minimum-inkomensijkpunt, bedoeld in artikel 17, geldt de normhuur, bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid.

2.

Voor elk rekeninkomen boven het minimum-inkomensijkpunt is, per type huishouden als bedoeld in artikel 2, de hoogte van de normhuur de uitkomst van de formule:

(a x Y2) + (b x Y)

in welke formule voorstelt:

a en b: de factoren, vast te stellen bij ministeriële regeling, die, per type huishouden, worden afgeleid uit de lineaire relatie tussen de bij het minimum-inkomensijkpunt behorende normhuurquote en de bij het referentie-inkomensijkpunt behorende normhuurquote;

Y: het rekeninkomen.

3.

De overeenkomstig het tweede lid berekende normhuur wordt naar boven afgerond op hele eurocenten.

4.

Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van elk jaar de factoren, bedoeld in het tweede lid, gewijzigd.

§ 2. Kwaliteitskortings- en aftoppingsgrens

Artikel 20
1.

De kwaliteitskortingsgrens is € 454,47 per maand.

2.

De aftoppingsgrens is:

3.

De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.

§ 2. Kwaliteitskortings- en aftoppingsgrens

Artikel 21
1.

De hoogte van de huurtoeslag wordt als volgt bepaald:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, als de basishuur op of boven de kwaliteitskortingsgrens ligt, het deel van de rekenhuur boven de basishuur tot aan de aftoppingsgrens voor het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gesubsidieerd.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt, als de basishuur op of boven de aftoppingsgrens ligt, het deel van de rekenhuur boven de basishuur voor het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gesubsidieerd, in de gevallen, bedoeld in dat onderdeel.

Artikel 22

Vervallen

Artikel 22a

Vervallen

Hoofdstuk 4. Wijzigingen van omstandigheden, hardheidsbepaling

Artikel 23

Bij verhuizing van de huurder blijft het in artikel 7, eerste lid, bedoelde recht op huurtoeslag in stand, mits hij de woning naar welke hij verhuist huurt en vervolgens bewoont en ook overigens aan de voorwaarden voor verkrijging van huurtoeslag wordt voldaan. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Hoofdstuk 4A. Bijzondere bijdrage in de huurlasten

Artikel 26a

Vervallen

Artikel 26b

Vervallen

Artikel 26c

Vervallen

Artikel 26d

Vervallen

Artikel 26e

Vervallen

Artikel 26f

Vervallen

Artikel 26g

Vervallen

Hoofdstuk 5. Aanpassing van bedragen

Artikel 27
1.

Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van elk jaar de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel a (maximale huurgrens), en 14, eerste lid (norminkomen), gewijzigd met de factor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in het eerste en tweede lid van laatstgenoemd artikel voor «kalenderjaar» telkens wordt gelezen «berekeningsjaar» en dat in het tweede lid van dat artikel voor «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens afgeleid» wordt gelezen «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens».

2.

Naast de wijziging op grond van het eerste lid kan het bedrag, genoemd in artikel 14, eerste lid (norminkomen), bij ministeriële regeling worden gewijzigd ter voorkoming van onbedoelde gevolgen van maatregelen met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt.

3.

Bij ministeriële regeling worden, met ingang van 1 januari van elk jaar, de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel b (maximale huurgrens), 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), 18, derde lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 20, eerste en tweede lid (kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen), gewijzigd met het percentage van de huurprijsontwikkeling, zoals die naar redelijke verwachting in het tijdvak dat loopt van 1 juli van het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 juli van het berekeningsjaar zal plaatsvinden.

4.

Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de hoogte vastgesteld van de bedragen, zoals die met ingang van 1 januari krachtens artikel 17, eerste lid, als minimum-inkomensijkpunten gelden.

5.

Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van elk jaar de bedragen, genoemd in artikel 18, eerste lid (referentie-inkomensijkpunten), gewijzigd met het percentage, waarmee de in het berekeningsjaar verwachte corresponderende bedragen krachtens artikel 17, eerste lid, onderdelen a en b, en de in het berekeningsjaar verwachte corresponderende bedragen en tegemoetkomingen krachtens de onderdelen c en d van dat artikellid (minimum-inkomensijkpunten), afwijken van de corresponderende bedragen en tegemoetkomingen die in het daaraan voorafgaande berekeningsjaar gelden krachtens de in dat artikellid genoemde wetten. Van dit percentage kan worden afgeweken, voor zover de wijziging van de in artikel 17, eerste lid, bedoelde jaarinkomens onbedoeld afwijkt van de wijziging welke naar verwachting plaats zal vinden met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt.

6.

De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden naar boven afgerond op hele eurocenten, met uitzondering van de norminkomens, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b (maximum inkomen bij een- en meerpersoonshuishoudens), die naar boven worden afgerond op een veelvoud van € 25. De bedragen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, en de som van de bedragen, genoemd in artikel 14, eerste lid, onderdelen c of d, en bedoeld in artikel 14, tweede lid (maximum inkomen bij een- en meerpersoonsouderenhuishoudens), worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 25. Bij een volgende wijziging van de norminkomens en de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, wordt uitgegaan van de bedragen zoals die waren, voordat zij werden afgerond.

7.

De overeenkomstig het eerste tot en met zesde lid vastgestelde, vanaf 1 januari geldende minimum-inkomensijkpunten, referentie-inkomensijkpunten, maximale inkomensgrenzen, normhuren, de als gevolg daarvan voor de onderscheiden typen huishouden gewijzigde factoren, bedoeld in artikel 19, tweede lid, maximale huur-, kwaliteitskortings- en aftoppingsgrenzen, worden elk jaar uiterlijk op 1 november daaraan voorafgaand in de Staatscourant bekendgemaakt.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd in de artikelen 5, derde lid, onderdelen a, b, c, en d (maximum service-kosten), 16 (verhoging van de normhuur), 17, eerste lid, onderdelen c en d (ouderentoeslag bij minimum-inkomensijkpunt), en derde lid, onderdelen a en b (verlaging van de normhuur bij minimum-inkomensijkpunt), en 18, vierde lid, onderdelen a, b, c en d (verlaging van de normhuur bij referentie-inkomensijkpunt), hoger of lager worden gesteld.

Hoofdstuk 5. Aanpassing van bedragen

Artikel 28
1.

Burgemeester en wethouders bevorderen dat binnen hun gemeente een of meer voorzieningen tot stand komen die de dienstverlening, voortvloeiende uit de uitvoering van deze wet en van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, welke ten goede komt aan de huurders, verbeteren.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de taken en van de inrichting van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 30a

Vervallen

Artikel 30aa

Vervallen

Artikel 30ab

Vervallen

Artikel 30b

Vervallen

Artikel 30c

Vervallen

Artikel 30d

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Hoofdstuk 7. Informatieplicht, verificatie, opschorting, herziening en terugvordering

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 8. Beperking huursubsidietoekenning boven de aftoppingsgrens

§ 1. Beperking huursubsidietoekenning boven de aftoppingsgrens

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

Vervallen

§ 2. Normering van het huursubsidiebudget van het Rijk

Artikel 41

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Hoofdstuk 9. Gemeentelijk woonlastenfonds en experimenten

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48

Vervallen

Artikel 48a

Vervallen

Artikel 48b

Vervallen

Artikel 49
1.

De Dienst Toeslagen kan voor de huur van nader door Onze Minister aangewezen woningen of categorieën van woningen een huurtoeslag toekennen in afwijking van de artikelen 1, onder c en d, 11 en 13, ten behoeve van experimenten die naar het oordeel van Onze Minister in het belang van de volkshuisvesting zijn. Onze Minister bepaalt hierbij vooraf de duur van het experiment.

2.

De Dienst Toeslagen kan op verzoek van Onze Minister na afsluiting van het experiment af blijven wijken van de in het eerste lid genoemde artikelen, voor zover het de bewoners betreft die tijdens de duur van het experiment een huurtoeslag ontvingen met toepassing van het eerste lid en zolang een door Onze Minister op basis van het experiment noodzakelijk geoordeelde wijziging van deze wet nog niet van kracht is geworden en in werking is getreden.

Artikel 50

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 21, eerste lid, en 27, achtste lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging acht weken zijn verstreken.

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

Vervallen

Artikel 54

De Wet individuele huursubsidie wordt ingetrokken.

Artikel 55
1.

Op subsidietijdvakken die zijn aangevangen onder de werking van de Wet individuele huursubsidie blijven de daarop vóór de inwerkingtreding van de Huursubsidiewet geldende bepalingen van toepassing. Gedurende de eerste vijf subsidiejaren na de inwerkingtreding van artikel 44, wordt de huursubsidie-uitgavennorm zodanig lager vastgesteld dan uit artikel 41 voortvloeit, dat een eventuele overschrijding van de huursubsidie-uitgavennorm die is ontstaan gedurende het eerste subsidiejaar na inwerkingtreding van deze wet, wordt tenietgedaan.

2.

In het eerste subsidiejaar na inwerkingtreding van deze wet wordt in afwijking van artikel 4, eerste lid, verstaan onder rekenvermogen: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners op 0.00 uur op de datum van inwerkingtreding van artikel 4, eerste lid.

3.

Artikel 11 blijft buiten toepassing ten aanzien van een huurder van onzelfstandige woonruimte, anders dan bedoeld in dat artikel, indien die woonruimte onmiddellijk voorafgaand aan het moment dat de Wet individuele huursubsidie werd ingetrokken, was aangewezen als woonruimte aan de huurder waarvan een bijdrage op voet van die wet kon worden verstrekt.

4.

Artikel 13, eerste lid, is niet van toepassing op een huurder op wie artikel 41 van de Wet individuele huursubsidie of artikel II van de wet van 9 juni 1994 houdende wijziging van de Wet individuele huursubsidie (Stb. 439) van toepassing was over de aan de dag van inwerkingtreding van deze wet voorafgaande kalendermaand, zolang deze huurder het genot van de desbetreffende woning behoudt. Artikel 13, derde lid, is in deze gevallen van overeenkomstige toepassing.

5.

Bij de toepassing van artikel 2, en bij de toepassing van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen kan de Dienst Toeslagen op verzoek van de huurder het op 31 december 2005 van kracht zijnde beleid toepassen dat Onze Minister heeft getroffen op grond van artikel 9 en artikel 26, eerste lid, zoals die artikelen onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luidden.

6.

Het vijfde lid geldt uitsluitend in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.

7.

Een verrekening als bedoeld in artikel 36, derde lid, kan mede betrekking hebben op te veel betaalde bedragen en de daarop betrekking hebbende verhogingen op voet van de Wet individuele huursubsidie.

8.

Voor de toepassing van artikel 41 voor het eerste subsidiejaar na inwerkingtreding van deze wet, gelden de bijdragen op voet van de Wet individuele huursubsidie over het daaraan voorafgaande jaar als uitgaven aan huursubsidie.

Artikel 56

Indien artikel I, onder B en C, van het bij koninklijke boodschap van 26 juni 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (kamerstukken 24 233) tot wet wordt verheven en in werking treedt:

Artikel 56a

Vervallen

Artikel 57
1.

Onze Minister brengt jaarlijks verslag uit aan de Staten-Generaal over de werking van deze wet.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid zendt Onze Minister binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 58
1.

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar, met uitzondering van artikel 4, eerste lid, dat zes maanden later in werking treedt, en met uitzondering van artikel 10, dat in werking treedt op het tijdstip, bedoeld in artikel 56.

2.

In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 39, 40, 44 en 45 in werking met ingang van de 1 juli die volgt op het bij koninklijk besluit bepaalde jaar, bedoeld in het eerste lid.

3.

Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet worden de daarin voorkomende bedragen aangepast overeenkomstig artikel 27, met als uitgangspunt dat de laatste aanpassing daarvan per 1 juli 1997 heeft plaatsgevonden.

4.

Het derde lid blijft buiten toepassing als deze wet met ingang van 1 juli 1997 in werking treedt.

Artikel 59

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de huurtoeslag.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 48c

De Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek aan burgemeester en wethouders de voor de uitvoering ten behoeve van het doen van uitkeringen uit een bij verordening op basis van artikel 108 van de Gemeentewet ingesteld gemeentelijk woonlastenfonds benodigde gegevens behoudens het bepaalde in artikel 38a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, uitsluitend ten behoeve van dat woonlastenfonds.

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 56b

In afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, aanhef, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Huursubsidiewet, zoals die luidden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel EA, van de wet van 26 januari 2004 tot wijziging van de Huursubsidiewet en enkele andere wetten (introductie van een nieuwe procedure voor huurders die een aanvraag om toekenning van huursubsidie indienen) (Stb. 61), luiden de daarin genoemde bedragen voor het tijdvak dat loopt van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004: € 585,24 onderscheidenlijk € 317,03.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 9. Bestuurlijke informatievoorziening, administratie, toezicht op de naleving, gemeentelijk woonlastenfonds en experimenten

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7a

Vervallen

§ 2. Eisen aan de huurder, diens partner en de medebewoners

§ 3. Eisen aan de woning

§ 4. Eisen aan de financiële positie

Hoofdstuk 3. De hoogte van de huurtoeslag

§ 1. Basishuur en normhuur

§ 2. Kwaliteitskortings- en aftoppingsgrens

§ 3. Berekening van de huurtoeslag

Hoofdstuk 4. Wijzigingen van omstandigheden

Hoofdstuk 4A. Bijzondere bijdrage in de huurlasten

Hoofdstuk 5. Aanpassing van bedragen

Hoofdstuk 6. Hulp- en informatiepunten

Hoofdstuk 7. Informatieplicht, verificatie, opschorting, herziening en terugvordering

Hoofdstuk 8. Beperking huurtoeslagtoekenning boven de aftoppingsgrens

Hoofdstuk 9. Gemeentelijk woonlastenfonds en experimenten

Artikel 10

Vervallen

§ 3. Eisen aan de woning

§ 4. Eisen aan de financiële positie

Hoofdstuk 3. De hoogte van de huurtoeslag

§ 1. Basishuur en normhuur

§ 3. Berekening van de huurtoeslag

Hoofdstuk 4. Wijzigingen van omstandigheden

Hoofdstuk 4A. Bijzondere bijdrage in de huurlasten

Hoofdstuk 6. Hulp- en informatiepunten

Hoofdstuk 7. Informatieplicht, verificatie, opschorting, herziening en terugvordering

Hoofdstuk 8. Beperking huurtoeslagtoekenning boven de aftoppingsgrens