Besluit van 22 mei 1997, houdende regels omtrent de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van ter beschikking gestelden en overige verpleegden strafrechtstoepassing (Reglement verpleging ter beschikking gestelden)
Op de voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 21 november 1996, nr. 591920/96/6;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet en de artikelen 37c , eerste lid, 38, eerste lid, en 38a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 5, tweede lid, 6, tweede lid, 8, derde lid, 10, vijfde lid, 15, eerste en tweede lid, 16, tweede lid, 18, vierde lid, 19, tweede lid, 26, derde lid, 40, vierde lid, 45, 51, tweede en vierde lid, 70, derde lid, en 75 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
Gezien het advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 oktober 1996, nr. RA 88/96;
De Raad van State gehoord (advies van 17 maart 1997, No.W03.96.0563);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 13 mei 1997, nr. 626752/97/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. de wet: de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
- b. de reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995.
HOOFDSTUK 2. AANWIJZING VAN PARTICULIERE INRICHTINGEN
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
HOOFDSTUK 3. RIJKSINRICHTINGEN
Artikel 4
Vervallen
HOOFDSTUK 4. AANTEKENINGEN
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
Vervallen
HOOFDSTUK 5. COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE
Artikel 7
Bij elke inrichting is een commissie van toezicht waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.
De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door Onze Minister vast te stellen aantal leden.
De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van elke commissie maken in elk geval deel uit:
- a. een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;
- b. een psychiater;
- c. een gedragsdeskundige met kennis van de intramurale zorg voor geestelijk gestoorden;
- d. een advocaat.
Artikel 8
De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister benoemd. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.
Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens secretaris van de beklagcommissie.
De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van toezicht een of meerdere plaatsvervangende secretarissen toevoegen die geen lid zijn van de commissie.
Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot benoeming.
Artikel 9
De benoeming van de leden en de secretaris alsmede de aanwijzing van de voorzitter van de commissie van toezicht bij een justitiële particuliere inrichting geschiedt op voordracht van het bestuur dan wel de Raad van Toezicht indien die de taken van het bestuur vervult.
Een lid van het bestuur of de Raad van Toezicht indien die de taken van het bestuur vervult, kan niet worden benoemd tot lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris van de commissie van toezicht.
Artikel 10
Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris komen niet in aanmerking:
- a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie;
- b. personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden;
- c. personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen indien zij in het kader van de uitoefening van hun functie te maken hebben met de personen ingesloten in de inrichting waarbij de commissie van toezicht is ingesteld;
- d. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het geding zou kunnen komen;
- e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als bedoeld in het Besluit justitiële gegevens of de politiegegevens, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet politiegegevens. De bezwaren dienen betrekking te hebben op het vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegheden.
Artikel 11
Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister tussentijds ontslagen:
- a. op eigen verzoek;
- b. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking dat onverenigbaar is verklaard met het lidmaatschap van een commissie van toezicht;
- c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
- d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen.
Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de ambts- of beroepsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft plaatsgevonden.
Artikel 12
De leden van de commissie van toezicht hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar de verpleegden verblijven.
De leden van de commissie van toezicht ontvangen van het hoofd van de inrichting en de personeelsleden of medewerkers in de inrichting alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van de verpleegden en kunnen alle op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen betrekking hebbende stukken inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Dossiers die verpleegden betreffen kunnen worden ingezien, tenzij de verpleegde bezwaar maakt.
Het hoofd van de inrichting brengt alle voor de uitoefening van de taak der commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie.
Artikel 13
De commissie van toezicht vergadert, zo mogelijk, eenmaal in de maand.
Het hoofd van de inrichting woont de vergaderingen van de commissie van toezicht bij. Hij brengt op iedere vergadering een algemeen verslag uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in de inrichting is geschied.
De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van het hoofd van de inrichting te vergaderen.
Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie te doen bijwonen.
In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de door de beklagcommissie behandelde klaagschriften, en de bijzondere opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.
Artikel 14
De maandcommissaris, bedoeld in artikel 10, vierde lid, tweede volzin, van de wet, houdt ten minste tweemaal per maand in de inrichting spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig bekend gemaakt en kan worden bezocht door elke verpleegde die de wens daartoe te kennen geeft.
De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de commissie van toezicht.
Artikel 15
De beklagcommissie, of, indien artikel 59, derde lid, van de wet wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen persoon, houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling en afdoening van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze wordt bijgestaan door een secretaris.
Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur als voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht.
Artikel 16
De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister en aan de sectie terbeschikkingstelling en, voor zover het een justitiële particuliere inrichting betreft, tevens aan het bestuur, verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar.
Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht zowel aan de door haar ingevolge artikel 55 van de wet verrichte bemiddeling en de uitkomsten daarvan als aan de werkzaamheden van de beklagcommissie, onder meer door een overzicht van de klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister kan een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.
Artikel 17
De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat gedragen.
De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van reis- en verblijfskosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun werkzaamheden overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde vergoeding.
Hoofdstuk 5a. Commissie van toezicht en beklagcommissie voor het vervoer
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
Vervallen
Artikel 20
Vervallen
Artikel 21
Vervallen
Artikel 22
Vervallen
HOOFDSTUK 7. Ongeoorloofde afwezigheid, bijzondere voorvallen en toelating bezoek en personeel
Artikel 23
Ongeoorloofde afwezigheid vangt aan op de dag dat de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde zich aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft onttrokken.
Ongeoorloofde afwezigheid eindigt op de dag dat de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde zich meldt, hij wordt aangehouden, of door intrekking van het verzoek om signalering. Deze dag wordt niet meegerekend in de duur van de ongeoorloofde afwezigheid, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden verzoekt de politie de ongeoorloofd afwezig ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde te signaleren. Onze Minister kan aanwijzingen geven ten aanzien van dit verzoek alsmede de intrekking daarvan.
Van het verzoek om signalering en van de intrekking van een verzoek om signalering wordt aantekening gehouden in een daartoe bestemd register dat volgens een door Onze Minister vastgesteld model is ingericht.
Onze Minister wordt onverwijld in kennis gesteld van elk verzoek om signalering of een intrekking van een verzoek om signalering.
Artikel 24
Het hoofd van de inrichting meldt onverwijld andere bijzondere voorvallen aan Onze Minister. Hij verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud en de wijze van melding.
HOOFDSTUK 7. Ongeoorloofde afwezigheid, bijzondere voorvallen en toelating bezoek en personeel
Artikel 25
In het verplegings- en behandelingsplan worden ten minste opgenomen:
- a. de diagnose van de stoornis van de verpleegde;
- b. de therapeutische middelen die zullen worden toegepast, zo mogelijk gerelateerd aan de verschillende aspecten die in de stoornis te onderscheiden zijn;
- c. of er overeenstemming over het verplegings- en behandelingsplan is;
- d. de vrijheden die de verpleegde zijn toegekend boven de hem bij of krachtens de wet toekomende rechten, alsmede de voorwaarden die daaraan verbonden zijn en de consequenties van het niet opvolgen van die voorwaarden.
In geval van een behandeling overeenkomstig artikel 16b, onder a of b, van de wet wordt in het verplegings- en behandelingsplan eveneens opgenomen:
- a. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde doet veroorzaken weg te nemen dan wel af te wenden; en
- b. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de verpleegde ten aanzien van de behandeling.
Het deel van het verplegings- en behandelingsplan waarover geen overeenstemming kan worden bereikt met de verpleegde dan wel diens curator of mentor, wordt slechts vastgesteld door een psychiater nadat een multidisciplinair overleg heeft plaatsgehad waaraan in ieder geval een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige hebben deelgenomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.