Regeling wapens en munitie
Gelet op de artikelen 2, eerste lid, categorie I, onder 7° en categorie IV, onder 6°, 2, derde lid, 3a, derde lid, 4, 5, 7, eerste lid, onder a, 8, achtste en negende lid, 9, vijfde lid, 10, eerste en tweede lid, 14, vierde lid, 15, 22, tweede lid, 26, derde, vierde en zesde lid, 27 derde en vierde lid, 28a, tweede lid, 31, vijfde lid, 33, eerste en tweede lid, 38, eerste lid, 39, 40, 41, 42, eerste en tweede lid, 45, eerste lid, onder 2° en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie;
Besluit:
1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. de wet:de Wet wapens en munitie;
- b. de Minister: de minister van Justitie en Veiligheid;
- c. de korpschef:de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;
- d. jachtakte:een jachtakte als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven;
- e. de bedrijfsruimte van de erkende: de ruimte waarin de erkende de handelingen, waarop zijn erkenning betrekking heeft, verricht of doet verrichten;
- f. buitengewoon opsporingsambtenaar:de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;
- g. schietvereniging: de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen;
- h. airsoftapparaat: lucht-, gas-, of veerdrukwapen met een maximum schotkracht van 3,5 joules, welk wapen voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis toont met vuurwapens;
- i. airsoftvereniging: de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden de gelegenheid te bieden de airsoftsport te beoefenen;
- j. de kleine erkenninghouder: de beheerder van een erkenning voor een bedrijf als bedoeld in artikel 10 van deze regeling, die met het oog op de aard van zijn werkzaamheden niet met gunstig gevolg het verplichte examen, bedoeld in artikel 9 van deze regeling, hoeft te hebben afgelegd.
Overige in deze regeling voorkomende begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wet.
2. Nadere omschrijving van wapens
Artikel 2
In de wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. stiletto: een opvouwbaar mes waarvan het lemmet door een druk- of vergelijkbaar ontgrendelingsmechanisme zijdelings scharnierend uit het heft wordt gebracht;
- b. valmes: een mes waarvan het lemmet door een druk- of vergelijkbaar ontgrendelingsmechanisme, dan wel door een zwaaibeweging of door zwaartekracht rechtstandig uit het heft wordt gebracht;
- c. vlindermes: een mes waarvan het heft in de lengterichting in tweeën is gedeeld en waarvan het lemmet naar buiten wordt gebracht door elk van de delen van het heft in tegenovergestelde richting zijdelings open te vouwen;
- d. vilmes: een mes waarvan het heft haaks op het lemmet staat of geplaatst kan worden en dat bestemd is om bij gebruik in de palm van de hand te worden gehouden, terwijl het lemmet tussen de vingers door naar buiten steekt;
- e. ballistisch mes: een mes waarvan het lemmet, al dan niet tezamen met het heft, door middel van lucht-, gas- of veerdruk rechtstandig uit een geleidingscilinder wordt gedreven;
- f. geluiddemper: een niet in het vuurwapen geïntegreerd, doorgaans aan de loopmond daarvan bevestigd voorwerp dat bestemd of geschikt is om te bewerkstelligen dat het geluid van het schot wordt gedempt;
- g. ploertendoder: een verende of uitschuifbare staaf met een verzwaard uiteinde.
Geen wurgstokken in de zin van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn voorwerpen die bestemd zijn voor de serieuze beoefening van vechtsporten in verenigingsverband en die gelet op hun constructie of het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd niet bestemd zijn om ernstig letsel aan personen toe te brengen.
3. Aanwijzing voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen
Artikel 3
Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:
- a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG;
- b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG;
- c. lucht-, gas- en veerdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is;
- d. stiletto's, valmessen en vlindermessen waarvan het heft van een stootplaat is voorzien;
- e. laserwapens die specifiek zijn ontworpen om permanente blindheid te veroorzaken;
- f. werppennen;
- g. alle voorwerpen die een sprekende gelijkenis vertonen met wapens, niet zijnde vuurwapens, en die door de aard en de samenstelling van het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd, niet dan wel slecht detecteerbaar zijn door metaaldetectoren of andere electronische detectieapparatuur, met uitzondering van voorwerpen die specifiek zijn vervaardigd voor reguliere maatschappelijk aanvaarde gebruiksdoeleinden en met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.
3a. Opsporingsambtenaren
Artikel 4
Het bepaalde in artikel 13, eerste lid en 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover hun het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen en munitie voorhanden te hebben.
Het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt gegeven door de Minister.
Het eerste lid geldt uitsluitend gedurende de periode dat opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de buitengewoon opsporingsambtenaar beschikken over een titel van opsporingsbevoegdheid.
Artikel 5
Een voorschrift, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt slechts gegeven indien en voorzolang de noodzaak tot bewapening aannemelijk is en de bekwaamheid van opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de buitengewoon opsporingsambtenaar in de omgang met het wapen en de munitie is aangetoond.
Aan een voorschrift kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden die betrekking hebben op de veiligheid, de bekwaamheid in de omgang met wapens en munitie, alsmede op de opslag en het vervoer daarvan.
Indien aan het voorschrift een beperking is verbonden, geldt de vrijstelling in artikel 4, eerste lid, slechts voorzover het voorschrift reikt.
Artikel 6
Het voorschrift, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan uitsluitend betrekking hebben op:
- a. een korte wapenstok als bedoeld in artikel 12 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;
- b. een pistool als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;
- c. de munitie als bedoeld in artikel 3 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;
- d. pepperspray als bedoeld in artikel 6 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;
- e. andere wapens en munitie dan genoemd onder a tot en met d.
Indien het voorschrift betrekking heeft op een pistool als bedoeld in het eerste lid, onder b, of pepperspray als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt als voorwaarde dat het pistool wordt gedragen in een daarbij horend holster als bedoeld in artikel 7 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013 onderscheidenlijk dat pepperspray wordt gedragen in een draagmiddel als bedoeld in artikel 6a van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013.
5. Overige openbare dienst
Artikel 7
Van het verbod van artikel 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, en 26, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend aan personen die werkzaam zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover het vervaardigen, transformeren, overdragen, overdragen, doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren of het voorhanden hebben geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.
Het verbod van artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de Unit Bijstand en Ondersteuning en de Unit Vervoer van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de landelijke dienst Dienst Vervoer en Ondersteuning voor zover het doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren, het voorhanden hebben of het dragen geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.
Het verbod van artikel 27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op personen, aangewezen door de directeur van een justitiële inrichting en die een toezichthoudende taak vervullen in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, voor zover het betreft wapens van de categorie IV, onder 3, en het dragen geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.
5. Overige openbare dienst
Artikel 8
De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet is niet jonger dat achttien jaar.
De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet mag niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst, dan wel met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking zijn gesteld.
De aanvrager, of de beheerder bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet mag niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens:
- a. de Wet van 9 mei 1890 (Stb. 81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen;
- b. de Vuurwapenwet 1919;
- c. de Wet tot wering van ongewenste handwapenen;
- d. de Wet wapens en munitie;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.