Regeling wapens en munitie

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, categorie I, onder 7° en categorie IV, onder 6°, 2, derde lid, 3a, derde lid, 4, 5, 7, eerste lid, onder a, 8, achtste en negende lid, 9, vijfde lid, 10, eerste en tweede lid, 14, vierde lid, 15, 22, tweede lid, 26, derde, vierde en zesde lid, 27 derde en vierde lid, 28a, tweede lid, 31, vijfde lid, 33, eerste en tweede lid, 38, eerste lid, 39, 40, 41, 42, eerste en tweede lid, 45, eerste lid, onder 2° en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

Overige in deze regeling voorkomende begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wet.

2. Nadere omschrijving van wapens

Artikel 2
1.

In de wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Geen wurgstokken in de zin van de wet en de daarop berustende bepalingen zijn voorwerpen die bestemd zijn voor de serieuze beoefening van vechtsporten in verenigingsverband en die gelet op hun constructie of het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd niet bestemd zijn om ernstig letsel aan personen toe te brengen.

3. Aanwijzing voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen

Artikel 3

Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

3a. Opsporingsambtenaren

Artikel 4
1.

Het bepaalde in artikel 13, eerste lid en 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover hun het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen en munitie voorhanden te hebben.

2.

Het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt gegeven door de Minister.

3.

Het eerste lid geldt uitsluitend gedurende de periode dat opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de buitengewoon opsporingsambtenaar beschikken over een titel van opsporingsbevoegdheid.

Artikel 5
1.

Een voorschrift, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt slechts gegeven indien en voorzolang de noodzaak tot bewapening aannemelijk is en de bekwaamheid van opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en de buitengewoon opsporingsambtenaar in de omgang met het wapen en de munitie is aangetoond.

2.

Aan een voorschrift kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden die betrekking hebben op de veiligheid, de bekwaamheid in de omgang met wapens en munitie, alsmede op de opslag en het vervoer daarvan.

3.

Indien aan het voorschrift een beperking is verbonden, geldt de vrijstelling in artikel 4, eerste lid, slechts voorzover het voorschrift reikt.

Artikel 6
1.

Het voorschrift, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan uitsluitend betrekking hebben op:

2.

Indien het voorschrift betrekking heeft op een pistool als bedoeld in het eerste lid, onder b, of pepperspray als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt als voorwaarde dat het pistool wordt gedragen in een daarbij horend holster als bedoeld in artikel 7 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013 onderscheidenlijk dat pepperspray wordt gedragen in een draagmiddel als bedoeld in artikel 6a van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013.

5. Overige openbare dienst

Artikel 7
1.

Van het verbod van artikel 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, en 26, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend aan personen die werkzaam zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover het vervaardigen, transformeren, overdragen, overdragen, doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren of het voorhanden hebben geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.

2.

Het verbod van artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn voor de Unit Bijstand en Ondersteuning en de Unit Vervoer van de Dienst Vervoer en Ondersteuning van de landelijke dienst Dienst Vervoer en Ondersteuning voor zover het doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren, het voorhanden hebben of het dragen geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.

3.

Het verbod van artikel 27, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op personen, aangewezen door de directeur van een justitiële inrichting en die een toezichthoudende taak vervullen in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, voor zover het betreft wapens van de categorie IV, onder 3, en het dragen geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.

5. Overige openbare dienst

Artikel 8
1.

De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet is niet jonger dat achttien jaar.

2.

De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet mag niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst, dan wel met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking zijn gesteld.

3.

De aanvrager, of de beheerder bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet mag niet binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens overtreding van één of meer bepalingen gesteld bij of krachtens:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.