Besluit van 19 juli 1997, houdende regels inzake de opleiding tot arts (Besluit opleidingseisen arts)

Type AMvB
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 5
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 1996, CSZ/Beno-9614443;

Gelet op artikel 18 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van februari 1996, B1/'96);

De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1997, no. W13.96.0562);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 1997, CSZ/BO-9710602;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Artikel 2

Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van artsen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een door een universiteit als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek uitgereikt getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot arts die voldoet aan artikel 3 van dit besluit.

Artikel 3

1.

De opleiding tot arts is erop gericht dat de betrokkene de competenties verwerft, bedoeld in bijlage 1 bij dit besluit en begrip heeft van de kennisaspecten, bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit, in samenhang met de lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit.

2.

De opleiding tot arts bestaat uit ten minste 5500 uren theoretisch en praktisch onderwijs.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidingseisen arts.

Bijlage 1. bij het Besluit opleidingseisen arts

Competenties

A. Medische deskundigheid

MEDISCHE ASPECTEN

De mens op somatisch, psychisch en sociaal gebied:

1.2

Probleemherkenning en -omschrijving:

1.3

De anamnese:

1.4

Het lichamelijk onderzoek:

1.5

De beheersing van het proces van het medisch probleemoplossen gedurende alle hierbovengenoemde stappen (probleemanalyse I):

1.6

Het aanvullende onderzoek:

1.7

De arts is in staat:

Lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte

Master

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

– het in overleg met de patiënt kiezen uit (en weet hebben van) de verschillende beleidsmogelijkheden, op basis van hulpvraag van de patiënt en de bevindingen van het diagnostisch proces. Bij deze keus wordt rekening gehouden met het verwachte effect vergeleken met het natuurlijk beloop, patiëntgebonden factoren (zoals leeftijd, voorkeur en wensen van de patiënt, persoonlijke en gezinsomstandigheden, therapie-trouw), mogelijke neveneffecten, complicaties, de continuïteit van de zorg, eventuele co-morbiditeit en kosten.

3. Pijn

De arts is in staat:

5. Afscheiding

bij alle vormen van therapie:

Bevindingen bij lichamelijk onderzoek

De arts beschikt over kennis met betrekking tot:

Zorgvraagstukken

De arts is in staat:

2. Vroege opsporing

De arts is in staat:

4. Gevolgen van chronisch ziek zijn

De arts is in staat:

De arts beschikt over kennis met betrekking tot:

7. Afwijkende zorgconsumptie

De arts is in staat:

verwijzen/consultatie

De arts is in staat:

Evaluatie van het ingestelde beleid/behandelingsresultaat

De arts is in staat:

1.9. Begeleiding

De arts is in staat:

1.10

Verslaglegging en registratie:

Kennisaspecten

De juist afgestudeerde arts heeft begrip van:

1. de filosofische, ethische en historische grondslagen van het geneeskundig handelen;

2.1

De arts kan moreel verantwoord handelen door de beleving van ziekte en gezondheid vanuit de context van het individu te (h)erkennen en respect te hebben voor diens autonomie. Dit gaat samen met het aangeven van grenzen van (het eigen) medisch handelen, middelen verantwoord kiezen, omgaan met (ethische) dilemma’s, en bescherming van de integriteit van de persoon.

KENNIS, VAARDIGHEDEN EN PROFESSIONEEL GEDRAG

De betekenis van het wetenschappelijk denken voor het handelen van de arts:

2.1. Grondbeginselen van wetenschappelijk onderzoek

Door begrip van de structurele en fysiologische basis van de diverse processen in het lichaam en de functionele samenhang daartussen, kunnen klachten worden herkend of juist worden voorkomen en kan adequate behandeling of preventie worden ingezet. Denk bij deze processen aan de opslag en overdracht van genetisch materiaal, de regulatie van chemische en/of metabole reacties, reparatiemechanismen bij optredende defecten of trauma, intra- en intercellulair transport en communicatie. Beeldvormende en andere technieken in relatie tot de bouw en functie van het menselijk lichaam ondersteunen hierbij.

3. het streven van het menselijk organisme naar homeostase op elk niveau, waarbij het zich aanpast aan omstandigheden en communiceert met de omgeving;

2.2. Betekenis van het wetenschappelijk denken voor het handelen van de arts

Een gezondheidsbehoefte kan betrekking hebben op bestrijding van ziekte en het herstel daarvan, maar ook op preventie of het behoud van een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven, ook in de laatste levensfase. Bij de interactie met de omgeving en het streven naar homeostase zijn de diverse fysiologische regelsystemen in het lichaam en hun onderlinge relaties betrokken. Deze regelsystemen worden beïnvloed door zowel interne als externe factoren en het individu reageert hierop vanuit de eigen biopsychosociale context. Leefstijl, voeding, bewegen, werk/arbeid en het concept van positieve gezondheid zijn belangrijke gereedschappen in het behoud en/of herstel van de diverse regelsystemen en daarmee van gezondheid en/of de ervaren kwaliteit van leven.

4. de reactie op beschadiging of bedreiging van de structurele of functionele integriteit, op moleculair, cellulair, weefsel-, orgaan- en organismeniveau;

Deze kennis staat ten dienste van het herkennen van lichamelijke reacties op schade of ziekte, en op het vaststellen van de geschiktste behandeling en/of (farmaco)therapie.

2.3. Bevorderen en onderhouden van de vakbekwaamheid

Met betrekking tot persoonlijke eigenschappen:

3.2.2

De levensloop van de mens begint in de pre-conceptuele fase, wordt gevolgd door bevruchting en loopt via de ontwikkeling van het embryo tijdens de zwangerschap, de geboorte en de groei en ontwikkeling in de daaropvolgende levensfasen door tot aan het sterven. In elk van deze fasen zijn specifieke moleculaire, celbiologische en (patho)fysiologische processen van invloed zijn op de ervaren gezondheid van een individu in diens context.

6. verbanden tussen genetische informatie en het daarmee samenhangende fenotype; de arts kent en begrijpt de invloed van niet-genetische factoren op dit fenotype;

Basale kennis van het humane genoom en overervingspatronen en genetische variatie is nodig om genetische aandoeningen te herkennen en waar mogelijk te behandelen, dan wel te voorkomen.

KENNIS, VAARDIGHEDEN EN PROFESSIONEEL GEDRAG:

Zich bewust zijn van de wederzijdse beïnvloeding van werk en privéleven en trachten tot een goede afstemming te komen.

3.1. Arts-patiënt relatie

4.1

De arts is in staat:

3.2. Persoonlijk functioneren

Kennis van medische ethiek:

4.3

Zowel ten aanzien van individuen als van groepen kunnen verschillende (zorg-gerelateerde) preventiemethodieken van voorlichting en informatieverschaffing worden ingezet. Wat betreft het individu wordt hierbij rekening gehouden met de mate van ziekte-inzicht, vormen van gedrag (o.a. therapietrouw) en de invloed van alternatieve informatiebronnen op diens autonomie/afwegingen.

10. de belangrijkste aspecten van etiologie, pathogenese en pathofysiologie van neoplasie op cel-, weefsel-, orgaan- en patiëntniveau, en op systemische effecten;

Deze kennis stelt de arts in staat om de juiste onderzoeken en therapieën in te zetten voor diagnostisch, preventief en/of therapeutisch beleid in zowel de curatieve als palliatieve setting bij (verdenking op) neoplasie – en dit begrijpelijk uit te leggen te geven aan de patiënt en diens naasten.

Bijlage 2. bij artikel 3 van het Besluit opleidingseisen arts

11. veelgebruikte onderzoeksmethoden en meetmethoden, betrekking hebbend op structuur en functie van moleculen, cellen, weefsels, organen en organismen;

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Bachelor

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

Master

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

B. Communicatie

De arts gaat een doeltreffende en empathische relatie aan en onderhoudt deze met patiënten, hun naasten en andere (zorg)professionals om essentiële informatie die nodig is voor goede (preventieve) zorg te verzamelen en te delen en om een goede begeleiding te kunnen geven.

Bachelor

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

Master

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

C. Samenwerking

De arts werkt effectief en doelmatig samen met andere (zorg)professionals en patiënten en hun naasten om veilige, hoogwaardige (preventieve) zorg te leveren waarbij de patiënt centraal staat.

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

D. Leiderschap

Master

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

1.10. Verslaglegging en registratie

De arts is in staat:

Deze kennis draagt bij aan een duurzame en levenslange reflectie op het eigen handelen in het medische proces en de veranderingen daarin, maar ook op het omgaan met taken/processen en het samenwerken met anderen.

2. de structurele en fysiologische eigenschappen, en de verbanden daartussen, van de belangrijkste biomoleculen en molecuulsystemen in de cellen, weefsels, organen en orgaansystemen in het menselijk lichaam;

De arts beschikt over kennis met betrekking tot:

De arts is in staat:

5. het ontstaan, de ontwikkeling, groei, geslachtsrijping, veroudering en sterven van een organisme;

Deze kennis is van nut bij het concretiseren van het gezondheidsbegrip in de verschillende fasen van de menselijke levensloop.

7. de fysiologische en pathologische relaties tussen gastheer en micro-organismen;

Het lichaam kent natuurlijke barrières tegen infectieuze agentia en eigen microbiota. Moleculaire en cellulaire mechanismen treden in werking bij besmetting/infectie met virulente micro-organismen. Kennis van het werkingsmechanisme van vaccinaties, de pathofysiologie rondom transplantatie en de farmacologische regulatie van afstoting geeft een dieper begrip van de pathofysiologie van het immuunsysteem. Adequaat medisch handelen wordt mogelijk door begrip van de maatschappelijke impact, etiologie, pathogenese en gevolgen van veel voorkomende infecties, alsmede van de achtergronden van aangeboren en verworven (auto-) immuundeficiënties.

9. mechanismen om gedrag te beïnvloeden ter bevordering van gezondheid;

Deze kennis wordt gebruikt om mensen te helpen weloverwogen beslissingen te nemen ten aanzien van hun gezondheid en hun behandelplan (ook preventief ), mede in samenhang met de bijdragen van andere zorgverleners dienaangaande.

met betrekking tot het medisch handelen

De arts geeft blijk van besef dat het voor het functioneren als arts vereist is, dat hij:

met betrekking tot het werken in teamverband:

Aspecten die hierbij aan de orde komen zijn o.a. de relatie tussen tumorgroei (invasie en metastasering) en immuunsysteem, systemische effecten van tumoren, erfelijkheid, definities en indeling van tumoren.

Deze kennis stelt de arts in staat om de juiste onderzoeks- of meetmethoden in te zetten ten behoeve van diagnose, preventie en/of therapie, maar ook om resulterende gegevens te kunnen duiden en naar waarde te schatten.

KENNIS, VAARDIGHEDEN EN PROFESSIONEEL GEDRAG:

12. natuurwetenschappelijke basis van therapeutisch handelen;

4.1. Volksgezondheid en gezondheidszorg

Hierbij ligt de nadruk op het op maat en in de juiste context voorschrijven van geneesmiddelen, met aandacht voor uitleg aan de patiënt en oog voor therapietrouw en haalbaarheid. Kennis over fysische therapie, radiotherapie, immunotherapie en chirurgische ingrepen geeft tevens richting aan het therapeutisch handelen.

De arts beschikt over kennis en inzicht met betrekking tot:

4.2. Medische ethiek

Mensen of groepen verschillen in onder meer levensfase, cognitieve ontwikkeling, sociale- en/of werkomgeving en persoonskenmerken en hun gezondheidsbehoeften worden mede bepaald door deze kenmerken. Adequate zorg of preventie voor individuen of groepen wordt mogelijk door deze aspecten te betrekken in het zorgtraject.

De arts is in staat:

Deze kennis is van belang bij het verzamelen, ordenen en integreren van relevante biopsychosociale informatie over een medisch probleem in overleg met de betrokkene(n), teneinde een bijdrage te leveren aan ziektepreventie en passende medische zorg afgestemd op de behoeften van de individuele patiënt in diens context. Het afzien van behandeling kan hierbij als reële optie kan worden gezien.

4.3. Juridische aspecten van de gezondheidszorg en van de medische beroepsuitoefening

De arts is in staat:

Begrip van deze mechanismen maakt het mogelijk om op basis van de informatie uit anamnese en onderzoek een diagnose te stellen, en indien noodzakelijk naar andere zorgprofessionals door te verwijzen.

Bijlage 2. bij artikel 3 van het Besluit opleidingseisen arts

16. de opbouw van de samenleving in een globaliserende wereld;

PROBLEMENLIJST

1. Algemeen

17. de organisatie, kwaliteit (juridische) regelgeving en financiering van de zorg in Nederland;

3. Hoofd

Algemeen

18. de praktijk van de wetenschapsbeoefening;

Oor

Neus en neusbijholten

19. de belangrijkste onderzoeksdesigns en statistische methoden en maten van gezondheid en ziekte;

5. Thorax

6. Mammae

20. de belangrijkste aspecten van kwaliteit van zorg en de verschillende perspectieven van waaruit deze benaderd kunnen worden (patiënt, arts, verzekeraar, overheden etc.);

Algemeen

Lies

21. de noodzaak van en mogelijkheden voor innovatie van de gezondheidszorg;

8. Urinewegen en geslachtsorganen

Algemeen

22. theoretische achtergronden van de arts-patiënt relatie, gezondheidsvaardigheden en communicatie;

Vrouw

9. Bewegingsapparaat

23. verschillende dimensies waaruit het begrip professioneel gedrag is opgebouwd;

11. Psychisch functioneren

12. Seksueel functioneren

24. de kern van medisch professioneel gedrag zoals verwoord in de Nederlandse artseneed en in de regels van het beroepsgeheim.

14. Het jonge kind

15. Sociaal-psychologische problemen (relevant voor het medisch handelen)

Lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De arts integreert medische deskundigheid met alle overige competenties uit de CanMEDS-competentiedomeinen. De arts past medische kennis en (klinische) vaardigheden toe en handelt op basis van professionele waarden om kwalitatief hoogstaande, doeltreffende, doelmatige en veilige patiënt- of populatiegerichte (preventieve) zorg te leveren.

Bijlage 2. bij het Besluit opleidingseisen arts

1. Algemeen

Bachelor

E. Maatschappelijk handelen

Bachelor

Master

F. Wetenschappelijk denken

Bachelor

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Bachelor

De arts handelt vanuit een visie op de zorg en neemt daarbij tevens verantwoordelijkheid voor enerzijds de eigen persoonlijke ontwikkeling en anderzijds de professionele ontwikkeling. De arts reflecteert en toont persoonlijk leiderschap ten aanzien van de eigen ontwikkeling. De arts werkt samen met anderen om zorg te dragen voor een hoogwaardig en doelmatig gezondheidszorgsysteem, optimale zorg en een continue professionele ontwikkeling van zichzelf en collega’s.

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

De arts zet diens kennis en expertise in om de gezondheid en het welzijn van de individuele burger, populatie en de volksgezondheid als geheel te verbeteren, rekening houdend met beschikbare middelen.

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

Master

De juist afgestudeerde arts is in staat om:

G. Professionaliteit

De arts zet zich in voor de gezondheid en het welzijn van zowel individuele patiënten als van (groepen van) de bevolking door ethisch verantwoorde praktijkvoering die voldoet aan de vigerende gedragsnormen en regelgeving, door zorg te dragen voor de eigen persoonlijke gezondheid en welbevinden en door goed samen te werken met andere zorgprofessionals.

Bachelor

De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:

Master

Bijlage 2. bij het Besluit opleidingseisen arts

De grondslagen van dit handelen zijn gelegen in de historische ontwikkeling van de geneeskunde en de zo ontstane manieren van denken over gezondheid en ziekte in de volle breedte van de maatschappij. De principes van evidence-based medicine en het kunnen vertalen hiervan naar de behandelcontext van de individuele patiënt of de populatie zijn hierbij belangrijk gereedschap.

Kennis van de structuur, functie en werking van de moleculen en de diverse onderdelen in (de cellen van) het menselijk lichaam is noodzakelijk om de (patho)fysiologische mechanismen van diverse vraagstukken over gezondheid en ziekte te begrijpen.

Het menselijk organisme past zich aan omstandigheden aan op de diverse niveaus in het continuüm van molecuul tot populatie. Inzicht in de homeostatische mechanismen draagt bij aan het identificeren van de gezondheidsbehoefte(n) van individuen of groepen.

Op het niveau van cellen, weefsels, organen en orgaansystemen treedt fysiologische aanpassing op aan omgevingsomstandigheden. In het geval van (dreigende) schade of verstoringen op molecuul-, cel- en/of weefselniveau kunnen celdood, acute en chronische ontsteking en (overgevoeligheids-)reacties van het immuunsysteem optreden. Na aanpassing, al dan niet door medische interventie, kan herstel of regeneratie optreden.

Genetische aandoeningen kennen een moleculaire en cellulaire basis en een genetisch profiel. Deze (moleculair-)biologische achtergronden van elk genotype en fenotype spelen een belangrijke rol in de gezondheid van organismen en bieden een aangrijpingspunt voor behandeling.

Kennis van de algemene eigenschappen, bouw en fysiologie van infectieuze agentia is noodzakelijk om hiermee samenhangende ziektebeelden te herkennen, dan wel te voorkomen.

8. de invloed van externe factoren op het behouden of bevorderen van de gezondheid en de rol ervan bij het ontstaan van ziekten;

Deze kennis staat ten dienste van de gezondheidsbescherming, gezondheidsbevordering, ziektepreventie en zorgverlening die aansluit op de gezondheidsbehoefte van individuele patiënten of groepen, en is van belang bij discussies over belangrijke maatschappelijke thema’s ten aanzien van de gezondheidszorg. Gezonde voeding en andere leefstijlaanpassingen maken deel uit van een integraal preventie- of behandelprogramma. Bij gezondheidsbevordering wordt rekening gehouden met de effecten van genotmiddelen, voeding, leefgewoonten en leef- en/of werkomstandigheden op de gezondheid op het niveau van cellen, weefsels, individuen en de populatie. Dit geldt ook voor de behandeling van gezondheidsproblemen zoals eetstoornissen, overmatig genotmiddelengebruik of schade door vergiftiging.

Begrip van onderzoeksmethoden betreft onder meer aspecten van medisch-biologisch onderzoek (ook bij proefdieren), genetische screening en diagnostiek, en analysetechnieken op het gebied van farmacologie, immunologie, microbiologie, pathologie of fysische diagnostiek.

Deze kennis draagt bij aan het op doeltreffende, ethisch verantwoorde en patiëntgerichte wijze opstellen en toepassen van een adequaat beleidsplan.

13. psychologische en sociaalmaatschappelijke factoren die van invloed zijn op de normale ontwikkeling van de mens;

Deze kennis zorgt ervoor dat de arts professionele relaties kan aangaan met mensen of groepen met verschillende ontwikkelingsachtergronden, waarbij rekening wordt gehouden met de psychologische en sociaalmaatschappelijke factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling.

14. psychologische en sociologische mechanismen in relatie tot ziekte en gezondheid en kwaliteit van leven;

Van belang is om bij een individuele patiënt te bepalen welke determinanten van gezondheid en ziekte bijdragen aan de (ervaren) gezondheid en kwaliteit van leven, en hoe deze op elkaar inspelen. Hierbij kan gedacht worden aan emotionele en gedragsaspecten, maar ook aan de vervulde rol (bijv. partner, professional, patiënt) en de wisselwerking tussen iemands zelfbeeld en diens ziekte.

15. mechanismen die ten grondslag liggen aan het ontstaan en in stand houden van psychische klachten (en onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten) en aandoeningen, in samenhang met de sociaalmaatschappelijke context van het individu;

Genetische predisposities, levensfase, later verworven persoonlijkheidskenmerken en omgevingsfactoren, alsmede de samenhang hiertussen, zijn van invloed op de psychische gezondheid van het individu.

Deze kennis is van belang bij het herkennen van verschillen in opvatting ten aanzien van gezondheid en ziekte en de relatie tussen de sociale context/complexiteit van de samenleving enerzijds, en gezondheid en gezondheidsbeleving anderzijds.

De (sociale) context van individuen en groepen is van invloed op de gezondheid en gezondheidsbeleving, en daarmee ook op de gezondheidszorg. Passende zorg wordt mogelijk door het in kaart brengen van deze context in samenhang met de invloeden van de samenleving.

Deze kennis zorgt ervoor dat de arts kan praktiseren binnen de professionele, ethische en juridische kaders van de beroepspraktijk en zich kan houden aan de professionele verantwoordelijkheden van het artsenberoep.

Begrip van het Nederlandse zorglandschap en van de sociale zekerheid bij arbeidsongeschiktheid door ziekte en de rol hierin van overheden, verzekeraars en toezichthouders, is noodzakelijk om te komen tot de juiste zorgtrajecten, zowel voor individuen als voor groepen. Samenwerking met andere professionals biedt continuïteit en goede kwaliteit van zorg. De arts dient zich echter steeds bewust te zijn van omstandigheden die hierop ingrijpen, zoals afspraken in de ketenzorg, convenanten (bijvoorbeeld met farmaceutische industrie), privacy, en wet- en regelgeving ten aanzien van zorg (o.a. Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) en wijzigingen hierin.

Begrip van diverse aspecten van wetenschapsbeoefening is nodig om de best beschikbare evidence te integreren in de (klinische) besluitvorming in de praktijk en informatie hierover te delen met mede-professionals is.

Het volgen van de empirische cyclus en principes van evidencebased medicine zorgen ervoor dat wetenschappelijke van nietwetenschappelijke kennis onderscheiden kan worden. Bij de analyse van wetenschappelijke publicaties zijn begrippen als validiteit, betrouwbaarheid, toetsbaarheid en generaliseerbaarheid van belang, alsmede het besef van klinische onzekerheid. Vanuit big data afgeleide en/of op machine-learning gebaseerde protocollen of wetenschappelijke richtlijnen kan dientengevolge beredeneerd worden afgeweken.

Deze kennis is van belang bij het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en/of bij het beoordelen van resultaten van wetenschappelijk onderzoek met als doel het verspreiden van toetsbare kennis die van toepassing is op gezondheid en ziekte.

Elke vorm van (kwalitatief of kwantitatief ) onderzoek kent onderzoeksdesigns en -methoden die hiertoe het geschiktst zijn, met daaraan gekoppelde statistische begrippen, maten en indicatoren om de resultaten te analyseren. Kennis over deze maten en methoden draagt ertoe bij dat onderzoeksuitkomsten op juiste waarde geschat kunnen worden, zodat zij kunnen bijdragen aan de juiste zorg voor zowel individuen als populaties.

Deze kennis draagt bij aan het goed kunnen functioneren in de beroepspraktijk door kritisch met problemen om te gaan, te reflecteren op het eigen medisch handelen en de verantwoordelijkheid nemen hiernaar te handelen.

Hierbij hoort ook bewaken van (juridische) kaders en randvoorwaarden en het naleven van ethische- en veiligheidsnormen, bijvoorbeeld ten aanzien van infectiepreventie of wetenschappelijk onderzoek. Bewaking van zorgkwaliteit behelst ook het actief volgen van nieuwe (technische) ontwikkelingen in het eigen vakgebied en het beschouwen van de consequenties hiervan vanuit verschillende perspectieven.

Deze kennis helpt de arts om bij te dragen aan kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de gezondheidszorg als onderdeel van het maatschappelijk handelen.

De arts heeft kennis nodig die het mogelijk maakt om situaties in de gezondheidszorg te herkennen, die kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid beïnvloeden. Tevens is kennis nodig over de wijze waarop innovaties daarop inspelen, vorm krijgen, onderzocht en geïmplementeerd worden. Daarbij legt de arts verbanden met kennis over maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

Deze kennis is van belang voor een professionele arts-patiëntrelatie en een adequate communicatie met zowel patiënten als hun naasten, rekening houdend met contextuele factoren, gezondheidsvaardigheden en/of verschillen in opvatting.

Tijdens de verschillende fasen en typen van consulten is de arts zich bewust van de eigen rol en die van de patiënt, en de betekenis van de arts-patiëntrelatie voor het geneeskundig proces. In de communicatie wordt rekening gehouden met het vertrouwen en de autonomie van de gesprekspartner en wordt diens eigen rol duidelijk gemaakt.

Deze kennis is belangrijk voor persoonlijk leiderschap in de medische beroepsuitoefening en een lerende houding gedurende de hele loopbaan.

Zelfreflectie en zelfinzicht, mede in relatie tot anderen en tot taken en processen, stellen de arts in staat om persoonlijke, educatieve en professionele doelen te stellen en deze gedurende de opleiding en loopbaan periodiek bij te stellen. Hierbij hoort ook het vermogen om prioriteiten te stellen om een goede balans tussen werk en privé te behouden. Aspecten van een lerende benadering in het contact met de ander zijn o.a. onbevooroordeeldheid, empathie, afstemming op emoties en begripsvermogen, veilig feedback geven en ontvangen, omgaan met meningsverschillen, en afstemmen van informed consent.

Het kennen van de inhoud van de Nederlandse artseneed en de regels van het beroepsgeheim is een randvoorwaarde voor de uitoefening van het artsenberoep.

Bijlage 3. bij het Besluit opleidingseisen arts

I. Vraagstukken in relatie tot stoornissen van functies en/of anatomische eigenschappen van het menselijk lichaam

A. Stoornissen van functies van het menselijk lichaam

B. Stoornissen van anatomische eigenschappen van het menselijk lichaam

C. Algemene, frequent voorkomende klachten, zoals moeheid, gewichtsverlies, gewichtstoename, koorts, pijn, zwelling, slapeloosheid

D. Acute, levensbedreigende problemen, zoals circulatie- en ademstilstand, shock, acute buik, delier, coma, ernstige (poly) traumata, ernstige verbrandingen

E. Vraagstukken in specifieke levensfasen3In deze subcategorie is er bewust voor gekozen om in de titel ervan te spreken over vraagstukken en niet over stoornissen. De begeleiding van de normale zwangerschap en menopauze wordt als een gezondheidsvraagstuk gezien, ook al is geen sprake van een stoornis., zoals groei- en ontwikkelingsstoornissen, anticonceptie, stoornissen in reproductieve functies, zwangerschap (inclusief ongewenste zwangerschap), menopauze en klachten in de overgang, veroudering en verouderingsziekten, sterven.

II. Vraagstukken in relatie tot beperkingen in activiteiten & problemen met participatie

De juist afgestudeerde arts is in staat beperkingen en problemen op deze gebieden te herkennen en ter zake een adequaat (verwijs)beleid te voeren. Dat is vooral belangrijk als het gaat om gevolgen van chronisch ziek zijn, inclusief somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK).

De volgende gebieden worden onderscheiden:

A. Algemene en gezondheidsvaardigheden

B. Activiteiten van het dagelijks leven

C. Sociale omgeving en context

III. Vraagstukken in relatie tot persoonlijke en externe factoren

De juist afgestudeerde arts is in staat de beïnvloedende factoren van het individu (persoonlijke factoren) en die van de omgeving (externe factoren) te herkennen en ter zake een adequaat (verwijs)beleid te voeren, mede met het oog op verbetering van aanpassing aan ziekte en beperkingen. In het bijzonder geldt dat ook voor:

A. Preventie

B. Geweld/mishandeling in relaties tussen mensen, waaronder

C. Afwijkende zorgconsumptie

D. Diversiteit

De rol van geslacht, gender, sociaaleconomische achtergrond en diversiteit in relatie tot stoornissen (van functies en/of anatomische eigenschappen van het menselijk lichaam)

IV. Vraagstukken in relatie tot specifieke perspectieven en contexten

Tot de thematiek waarbinnen de juist afgestudeerde arts zijn/haar kennis (bijlage 2) gebruikt en competenties (bijlage 1) toont, behoren ook de volgende vraagstukken:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)