Besluit van 19 juli 1997, houdende regels inzake de opleiding tot arts (Besluit opleidingseisen arts)
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 november 1996, CSZ/Beno-9614443;
Gelet op artikel 18 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
Gezien het advies van de Raad voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg (advies van februari 1996, B1/'96);
De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1997, no. W13.96.0562);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 1997, CSZ/BO-9710602;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
Artikel 2
Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van artsen te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een door een universiteit als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek uitgereikt getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen heeft afgelegd ter afsluiting van een opleiding tot arts die voldoet aan artikel 3 van dit besluit.
Artikel 3
De opleiding tot arts is erop gericht dat de betrokkene de competenties verwerft, bedoeld in bijlage 1 bij dit besluit en begrip heeft van de kennisaspecten, bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit, in samenhang met de lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit.
De opleiding tot arts bestaat uit ten minste 5500 uren theoretisch en praktisch onderwijs.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 5
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleidingseisen arts.
Bijlage 1. bij het Besluit opleidingseisen arts
Competenties
A. Medische deskundigheid
MEDISCHE ASPECTEN
De mens op somatisch, psychisch en sociaal gebied:
1.2
Probleemherkenning en -omschrijving:
1.3
De anamnese:
1.4
Het lichamelijk onderzoek:
1.5
De beheersing van het proces van het medisch probleemoplossen gedurende alle hierbovengenoemde stappen (probleemanalyse I):
1.6
Het aanvullende onderzoek:
1.7
De arts is in staat:
Lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte
Master
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
– het in overleg met de patiënt kiezen uit (en weet hebben van) de verschillende beleidsmogelijkheden, op basis van hulpvraag van de patiënt en de bevindingen van het diagnostisch proces. Bij deze keus wordt rekening gehouden met het verwachte effect vergeleken met het natuurlijk beloop, patiëntgebonden factoren (zoals leeftijd, voorkeur en wensen van de patiënt, persoonlijke en gezinsomstandigheden, therapie-trouw), mogelijke neveneffecten, complicaties, de continuïteit van de zorg, eventuele co-morbiditeit en kosten.
3. Pijn
De arts is in staat:
5. Afscheiding
bij alle vormen van therapie:
Bevindingen bij lichamelijk onderzoek
De arts beschikt over kennis met betrekking tot:
Zorgvraagstukken
De arts is in staat:
2. Vroege opsporing
De arts is in staat:
4. Gevolgen van chronisch ziek zijn
De arts is in staat:
De arts beschikt over kennis met betrekking tot:
7. Afwijkende zorgconsumptie
De arts is in staat:
verwijzen/consultatie
De arts is in staat:
Evaluatie van het ingestelde beleid/behandelingsresultaat
De arts is in staat:
1.9. Begeleiding
De arts is in staat:
1.10
Verslaglegging en registratie:
Kennisaspecten
De juist afgestudeerde arts heeft begrip van:
1. de filosofische, ethische en historische grondslagen van het geneeskundig handelen;
2.1
De arts kan moreel verantwoord handelen door de beleving van ziekte en gezondheid vanuit de context van het individu te (h)erkennen en respect te hebben voor diens autonomie. Dit gaat samen met het aangeven van grenzen van (het eigen) medisch handelen, middelen verantwoord kiezen, omgaan met (ethische) dilemma’s, en bescherming van de integriteit van de persoon.
KENNIS, VAARDIGHEDEN EN PROFESSIONEEL GEDRAG
De betekenis van het wetenschappelijk denken voor het handelen van de arts:
2.1. Grondbeginselen van wetenschappelijk onderzoek
Door begrip van de structurele en fysiologische basis van de diverse processen in het lichaam en de functionele samenhang daartussen, kunnen klachten worden herkend of juist worden voorkomen en kan adequate behandeling of preventie worden ingezet. Denk bij deze processen aan de opslag en overdracht van genetisch materiaal, de regulatie van chemische en/of metabole reacties, reparatiemechanismen bij optredende defecten of trauma, intra- en intercellulair transport en communicatie. Beeldvormende en andere technieken in relatie tot de bouw en functie van het menselijk lichaam ondersteunen hierbij.
3. het streven van het menselijk organisme naar homeostase op elk niveau, waarbij het zich aanpast aan omstandigheden en communiceert met de omgeving;
2.2. Betekenis van het wetenschappelijk denken voor het handelen van de arts
Een gezondheidsbehoefte kan betrekking hebben op bestrijding van ziekte en het herstel daarvan, maar ook op preventie of het behoud van een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven, ook in de laatste levensfase. Bij de interactie met de omgeving en het streven naar homeostase zijn de diverse fysiologische regelsystemen in het lichaam en hun onderlinge relaties betrokken. Deze regelsystemen worden beïnvloed door zowel interne als externe factoren en het individu reageert hierop vanuit de eigen biopsychosociale context. Leefstijl, voeding, bewegen, werk/arbeid en het concept van positieve gezondheid zijn belangrijke gereedschappen in het behoud en/of herstel van de diverse regelsystemen en daarmee van gezondheid en/of de ervaren kwaliteit van leven.
4. de reactie op beschadiging of bedreiging van de structurele of functionele integriteit, op moleculair, cellulair, weefsel-, orgaan- en organismeniveau;
Deze kennis staat ten dienste van het herkennen van lichamelijke reacties op schade of ziekte, en op het vaststellen van de geschiktste behandeling en/of (farmaco)therapie.
2.3. Bevorderen en onderhouden van de vakbekwaamheid
Met betrekking tot persoonlijke eigenschappen:
3.2.2
De levensloop van de mens begint in de pre-conceptuele fase, wordt gevolgd door bevruchting en loopt via de ontwikkeling van het embryo tijdens de zwangerschap, de geboorte en de groei en ontwikkeling in de daaropvolgende levensfasen door tot aan het sterven. In elk van deze fasen zijn specifieke moleculaire, celbiologische en (patho)fysiologische processen van invloed zijn op de ervaren gezondheid van een individu in diens context.
6. verbanden tussen genetische informatie en het daarmee samenhangende fenotype; de arts kent en begrijpt de invloed van niet-genetische factoren op dit fenotype;
Basale kennis van het humane genoom en overervingspatronen en genetische variatie is nodig om genetische aandoeningen te herkennen en waar mogelijk te behandelen, dan wel te voorkomen.
KENNIS, VAARDIGHEDEN EN PROFESSIONEEL GEDRAG:
Zich bewust zijn van de wederzijdse beïnvloeding van werk en privéleven en trachten tot een goede afstemming te komen.
3.1. Arts-patiënt relatie
4.1
De arts is in staat:
3.2. Persoonlijk functioneren
Kennis van medische ethiek:
4.3
Zowel ten aanzien van individuen als van groepen kunnen verschillende (zorg-gerelateerde) preventiemethodieken van voorlichting en informatieverschaffing worden ingezet. Wat betreft het individu wordt hierbij rekening gehouden met de mate van ziekte-inzicht, vormen van gedrag (o.a. therapietrouw) en de invloed van alternatieve informatiebronnen op diens autonomie/afwegingen.
10. de belangrijkste aspecten van etiologie, pathogenese en pathofysiologie van neoplasie op cel-, weefsel-, orgaan- en patiëntniveau, en op systemische effecten;
Deze kennis stelt de arts in staat om de juiste onderzoeken en therapieën in te zetten voor diagnostisch, preventief en/of therapeutisch beleid in zowel de curatieve als palliatieve setting bij (verdenking op) neoplasie – en dit begrijpelijk uit te leggen te geven aan de patiënt en diens naasten.
Bijlage 2. bij artikel 3 van het Besluit opleidingseisen arts
11. veelgebruikte onderzoeksmethoden en meetmethoden, betrekking hebbend op structuur en functie van moleculen, cellen, weefsels, organen en organismen;
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Bachelor
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
Master
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
B. Communicatie
De arts gaat een doeltreffende en empathische relatie aan en onderhoudt deze met patiënten, hun naasten en andere (zorg)professionals om essentiële informatie die nodig is voor goede (preventieve) zorg te verzamelen en te delen en om een goede begeleiding te kunnen geven.
Bachelor
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
Master
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
C. Samenwerking
De arts werkt effectief en doelmatig samen met andere (zorg)professionals en patiënten en hun naasten om veilige, hoogwaardige (preventieve) zorg te leveren waarbij de patiënt centraal staat.
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
D. Leiderschap
Master
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
1.10. Verslaglegging en registratie
De arts is in staat:
Deze kennis draagt bij aan een duurzame en levenslange reflectie op het eigen handelen in het medische proces en de veranderingen daarin, maar ook op het omgaan met taken/processen en het samenwerken met anderen.
2. de structurele en fysiologische eigenschappen, en de verbanden daartussen, van de belangrijkste biomoleculen en molecuulsystemen in de cellen, weefsels, organen en orgaansystemen in het menselijk lichaam;
De arts beschikt over kennis met betrekking tot:
De arts is in staat:
5. het ontstaan, de ontwikkeling, groei, geslachtsrijping, veroudering en sterven van een organisme;
Deze kennis is van nut bij het concretiseren van het gezondheidsbegrip in de verschillende fasen van de menselijke levensloop.
7. de fysiologische en pathologische relaties tussen gastheer en micro-organismen;
Het lichaam kent natuurlijke barrières tegen infectieuze agentia en eigen microbiota. Moleculaire en cellulaire mechanismen treden in werking bij besmetting/infectie met virulente micro-organismen. Kennis van het werkingsmechanisme van vaccinaties, de pathofysiologie rondom transplantatie en de farmacologische regulatie van afstoting geeft een dieper begrip van de pathofysiologie van het immuunsysteem. Adequaat medisch handelen wordt mogelijk door begrip van de maatschappelijke impact, etiologie, pathogenese en gevolgen van veel voorkomende infecties, alsmede van de achtergronden van aangeboren en verworven (auto-) immuundeficiënties.
9. mechanismen om gedrag te beïnvloeden ter bevordering van gezondheid;
Deze kennis wordt gebruikt om mensen te helpen weloverwogen beslissingen te nemen ten aanzien van hun gezondheid en hun behandelplan (ook preventief ), mede in samenhang met de bijdragen van andere zorgverleners dienaangaande.
met betrekking tot het medisch handelen
De arts geeft blijk van besef dat het voor het functioneren als arts vereist is, dat hij:
met betrekking tot het werken in teamverband:
Aspecten die hierbij aan de orde komen zijn o.a. de relatie tussen tumorgroei (invasie en metastasering) en immuunsysteem, systemische effecten van tumoren, erfelijkheid, definities en indeling van tumoren.
Deze kennis stelt de arts in staat om de juiste onderzoeks- of meetmethoden in te zetten ten behoeve van diagnose, preventie en/of therapie, maar ook om resulterende gegevens te kunnen duiden en naar waarde te schatten.
KENNIS, VAARDIGHEDEN EN PROFESSIONEEL GEDRAG:
12. natuurwetenschappelijke basis van therapeutisch handelen;
4.1. Volksgezondheid en gezondheidszorg
Hierbij ligt de nadruk op het op maat en in de juiste context voorschrijven van geneesmiddelen, met aandacht voor uitleg aan de patiënt en oog voor therapietrouw en haalbaarheid. Kennis over fysische therapie, radiotherapie, immunotherapie en chirurgische ingrepen geeft tevens richting aan het therapeutisch handelen.
De arts beschikt over kennis en inzicht met betrekking tot:
4.2. Medische ethiek
Mensen of groepen verschillen in onder meer levensfase, cognitieve ontwikkeling, sociale- en/of werkomgeving en persoonskenmerken en hun gezondheidsbehoeften worden mede bepaald door deze kenmerken. Adequate zorg of preventie voor individuen of groepen wordt mogelijk door deze aspecten te betrekken in het zorgtraject.
De arts is in staat:
Deze kennis is van belang bij het verzamelen, ordenen en integreren van relevante biopsychosociale informatie over een medisch probleem in overleg met de betrokkene(n), teneinde een bijdrage te leveren aan ziektepreventie en passende medische zorg afgestemd op de behoeften van de individuele patiënt in diens context. Het afzien van behandeling kan hierbij als reële optie kan worden gezien.
4.3. Juridische aspecten van de gezondheidszorg en van de medische beroepsuitoefening
De arts is in staat:
Begrip van deze mechanismen maakt het mogelijk om op basis van de informatie uit anamnese en onderzoek een diagnose te stellen, en indien noodzakelijk naar andere zorgprofessionals door te verwijzen.
Bijlage 2. bij artikel 3 van het Besluit opleidingseisen arts
16. de opbouw van de samenleving in een globaliserende wereld;
PROBLEMENLIJST
1. Algemeen
17. de organisatie, kwaliteit (juridische) regelgeving en financiering van de zorg in Nederland;
3. Hoofd
Algemeen
18. de praktijk van de wetenschapsbeoefening;
Oor
Neus en neusbijholten
19. de belangrijkste onderzoeksdesigns en statistische methoden en maten van gezondheid en ziekte;
5. Thorax
6. Mammae
20. de belangrijkste aspecten van kwaliteit van zorg en de verschillende perspectieven van waaruit deze benaderd kunnen worden (patiënt, arts, verzekeraar, overheden etc.);
Algemeen
Lies
21. de noodzaak van en mogelijkheden voor innovatie van de gezondheidszorg;
8. Urinewegen en geslachtsorganen
Algemeen
22. theoretische achtergronden van de arts-patiënt relatie, gezondheidsvaardigheden en communicatie;
Vrouw
9. Bewegingsapparaat
23. verschillende dimensies waaruit het begrip professioneel gedrag is opgebouwd;
11. Psychisch functioneren
12. Seksueel functioneren
24. de kern van medisch professioneel gedrag zoals verwoord in de Nederlandse artseneed en in de regels van het beroepsgeheim.
14. Het jonge kind
15. Sociaal-psychologische problemen (relevant voor het medisch handelen)
Lijst van vraagstukken rondom gezondheid en ziekte
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De arts integreert medische deskundigheid met alle overige competenties uit de CanMEDS-competentiedomeinen. De arts past medische kennis en (klinische) vaardigheden toe en handelt op basis van professionele waarden om kwalitatief hoogstaande, doeltreffende, doelmatige en veilige patiënt- of populatiegerichte (preventieve) zorg te leveren.
Bijlage 2. bij het Besluit opleidingseisen arts
1. Algemeen
Bachelor
E. Maatschappelijk handelen
Bachelor
Master
F. Wetenschappelijk denken
Bachelor
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Bachelor
De arts handelt vanuit een visie op de zorg en neemt daarbij tevens verantwoordelijkheid voor enerzijds de eigen persoonlijke ontwikkeling en anderzijds de professionele ontwikkeling. De arts reflecteert en toont persoonlijk leiderschap ten aanzien van de eigen ontwikkeling. De arts werkt samen met anderen om zorg te dragen voor een hoogwaardig en doelmatig gezondheidszorgsysteem, optimale zorg en een continue professionele ontwikkeling van zichzelf en collega’s.
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
De arts zet diens kennis en expertise in om de gezondheid en het welzijn van de individuele burger, populatie en de volksgezondheid als geheel te verbeteren, rekening houdend met beschikbare middelen.
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
Master
De juist afgestudeerde arts is in staat om:
G. Professionaliteit
De arts zet zich in voor de gezondheid en het welzijn van zowel individuele patiënten als van (groepen van) de bevolking door ethisch verantwoorde praktijkvoering die voldoet aan de vigerende gedragsnormen en regelgeving, door zorg te dragen voor de eigen persoonlijke gezondheid en welbevinden en door goed samen te werken met andere zorgprofessionals.
Bachelor
De juist afgestudeerde bachelor is in staat om:
Master
Bijlage 2. bij het Besluit opleidingseisen arts
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.