Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, houdende een Informatiestatuut, alsmede regels inzake inrichting van de begroting en het financieel verslag van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit

Type Ministeriële regeling
Publication 2004-05-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 18 en 21 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Wijze van informatie-uitwisseling

De in deze regeling genoemde informatie die tussen de minister en het college wordt uitgewisseld, wordt in ieder geval op een toegankelijke wijze aangeleverd, waar mogelijk gebruikmakend van informatietechnologie.

Artikel 3. Reactie minister op verzoeken van het college tot initiëring of wijziging van regelgeving

De minister beslist zo mogelijk binnen een termijn van zes weken op een verzoek van het college tot initiëring of wijziging van de regelgeving op het gebied van elektronische communicatie en post.

Hoofdstuk II. Informatie wederzijds te verstrekken ten behoeve van de taakuitoefening van beide partijen

Artikel 4. Informatie aan college over beleid en regelgeving
1.

De minister informeert het college tijdig over voornemens tot formulering of aanpassing van beleid danwel regelgeving op het gebied van, danwel relevant voor, de taakuitoefening van het college. Het college kan, indien het dat gewenst acht een advies uitbrengen aan de minister.

2.

In ieder geval verstrekt de minister het college de aan het criterium van het eerste lid beantwoordende:

Artikel 5. Uitvoeringstoets
1.

De minister verzoekt het college om voorgenomen wet- en regelgeving en overige beleidsvoornemens, welke na invoering van invloed zijn of kunnen zijn op het functioneren van het college te toetsen op:

2.

De minister doet het verzoek om een uitvoeringstoets in overleg met het college op een zodanig tijdstip dat de rapportage nog van invloed kan zijn op de besluitvorming.

3.

Indien de minister nalaat het college tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, kan het college uit eigen beweging een uitvoeringstoets uitvoeren. In dat geval informeert het college de minister over het voornemen daartoe.

4.

Het college reageert binnen vier weken op de voornemens, tenzij de minister om spoedeisende redenen verzoekt om een reactie binnen een door hem aan te geven kortere termijn.

5.

De minister reageert op de door het college toegezonden rapportage en motiveert daarbij hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.

6.

Indien de aan het college voorgelegde beleidsvoornemens of voorgenomen wet- en regelgeving tussentijds wijzigen, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan het college. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Uitvoeringsevaluatie
1.

Het college evalueert op verzoek van de minister of uit eigen beweging de uitvoering van nieuw of bijgesteld beleid dan wel nieuwe of bijgestelde wet- en regelgeving.

2.

De minister bepaalt in overleg met het college de termijn waarbinnen de rapportage gereed dient te zijn.

3.

De minister reageert op de door het college toegezonden rapportage en motiveert daarbij hoe de rapportage en de besluitvorming betrokken is of zal worden betrokken.

4.

Het college verstrekt een overzicht van de uitgevoerde evaluaties en de daaruit voortvloeiende rapportages op het moment van indiening van het jaarverslag in een separaat document.

Artikel 7. Feitelijke gegevens
1.

Het college levert op een door de minister gedaan verzoek of uit eigen beweging bepaalde feitelijke gegevens, die noodzakelijk worden geacht ten behoeve van de ontwikkeling en uitvoering van beleid en wet- en regelgeving, politieke besluitvorming en de beantwoording van door de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal gestelde vragen.

2.

Onder de feitelijke gegevens die uit eigen beweging worden geleverd, worden in ieder geval begrepen:

3.

Indien het leveren van gegevens, voor zover dit geschiedt op een door de minister gedaan verzoek, buitengewone inspanning of kosten vergt of zou leiden tot tariefsverhoging, informeert het college de minister hierover per omgaande. Hierbij verstrekt het college een overzicht van de te maken kosten of de benodigde inspanningen, met redenen omkleed. De minister beslist vervolgens of hij de informatie wil ontvangen, en zal indien dit het geval is aangeven dat de kosten hieraan verbonden door hem zullen worden voldaan, danwel de tariefsverhoging in de toekomst zal worden toegestaan.

Artikel 8. Informatie ter kennisneming door de minister te verstrekken
1.

Ter kennisneming biedt de minister het college zo spoedig mogelijk na het beschikbaar komen daarvan, voor zover op het gebied van dan wel relevant voor de taakuitoefening door het college, de volgende informatie aan:

2.

De minister draagt er zorg voor dat het college wordt geïnformeerd over relevante ontwikkelingen en aanschrijvingen op niveau van de rijksoverheid aangaande de bedrijfsvoering.

Hoofdstuk III. Informatie van het college aan de Minister ten behoeve van toezicht op de taakuitoefening van het college

Artikel 9. Kengetallen
1.

Het college hanteert de in het tweede lid genoemde kengetallen bij de onderbouwing van de begroting en de meerjarenraming, het jaarverslag en de halfjaarrapportages.

2.

Het college verstrekt de minister de navolgende kengetallen:

Artikel 10. De begroting en meerjarenraming
1.

Jaarlijks wordt voor 1 november ter goedkeuring aan de minister voorgelegd een document waarin de begroting, de meerjarenraming en een hierop gebaseerd tarievenstelsel zijn geïntegreerd.

2.

De begroting en de meerjarenraming bedoeld in artikel 11, tweede lid van de wet, verschaffen inzicht in de keuzes die het college maakt ten aanzien van zijn uitvoeringsbeleid, de onderbouwing en de consequenties van de gemaakte keuzes, alsmede de financiële vertaling daarvan in de begroting en de meerjarencijfers.

3.

Het college levert de begroting en de meerjarenraming in jaar t, die betrekking heeft op: de gerealiseerde gegevens van t-1, de geprognotiseerde realisatie-gegevens van t, de begrote gegevens van t+1 en de meerjarengegevens van t+2 tot en met t+5.

4.

Ten behoeve van de begroting en de meerjarenraming wordt inzicht gegeven in de volgende aspecten:

5.

Tevens worden de navolgende cijfermatige gegevens verstrekt:

6.

De inrichting van de exploitatiebegroting en de balans is in beginsel in overeenstemming met de inrichting van de jaarrekening.

Artikel 11. Tarievenvoorstel
1.

Het college doet jaarlijks bij het indienen van de begroting en de meerjarenraming of zonodig bij de halfjaarrapportage een voorstel voor tarieven en tariefwijzigingen aan de minister, vergezeld van een toelichting.

2.

In deze toelichting wordt ingegaan op:

3.

Bij de toelichting op de tarieven voor het nieuwe jaar (t+1) wordt expliciet ingegaan op de componenten van deze tarieven zoals aangegeven in de vastgestelde tarievennota van OPTA.

4.

Het college geeft in de toelichting aan welke mate van kostendekkendheid per (markt)categorie wordt bereikt in relatie tot andere financieringsbronnen.

5.

Het college informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden.

Artikel 12. De Jaarstukken
1.

Het jaarverslag bedoeld in artikel 17 van de wet, geeft een getrouw beeld omtrent de toestand op 31 december van het jaar waarover gerapporteerd wordt en de gang van zaken gedurende dat jaar.

2.

In het jaarverslag wordt ingegaan op de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen, en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder in het afgelopen boekjaar, mede in relatie tot de in de meerjarenraming en de begroting vooraf gestelde doelen en verwachte ontwikkelingen, alsmede de factoren die daarbij van invloed zijn geweest.

3.

In het jaarverslag wordt het oordeel over de situatie van de informatiebeveiliging vermeld, alsmede op welke wijze en door wie dit oordeel tot stand is gekomen.

4.

In het jaarverslag worden de kengetallen genoemd in artikel 9 opgenomen.

5.

In het jaarverslag wordt informatie verstrekt over het gehanteerde functiewaarderingssysteem.

6.

In het jaarverslag worden mededelingen gedaan omtrent de gang van zaken; daarbij wordt, voor zover gewichtige belangen zich hiertegen niet verzetten, in het bijzonder aandacht besteed aan de investeringen, de financiering en personele aspecten en aan de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en van de kwaliteit van de taakuitoefening afhankelijk is.

7.

Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.