Besluit van 8 december 1997, houdende een stortverbod binnen inrichtingen voor aangewezen categorieën van afvalstoffen (Besluit stortverbod afvalstoffen)
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 november 1997, nr. MJZ97566861, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 8.44, eerste, vierde en zesde lid, van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, nr. W08.97.0711);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 december 1997, nr. MJZ97580608, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Stortverboden
Artikel 1
Het is verboden in inrichtingen behorende tot een van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, de navolgende categorieën van afvalstoffen te storten:
-
- accu's;
-
- batterijen;
-
- gasontladingslampen of onderdelen daarvan;
-
- kwikhoudende thermometers of onderdelen daarvan;
-
- oliefilters;
-
- afvalstoffen, aangewezen in de bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3) met een van de afvalstoffencodes 18 01 01, 18 01 02, 18 01 03, 18 01 04, 18 01 06, 18 01 07, 18 01 08, 18 01 09, 18 01 10, 18 02 01, 18 02 02, 18 02 03, 18 02 05, 18 02 07, 18 02 08, 20 01 31 of 20 01 32;
-
- verpakkingen van chemicaliën;
-
- andere verpakkingen dan verpakkingen van chemicaliën;
-
- papier of karton;
-
- groente-, fruit- en tuinafval;
-
- elektrische en elektronische apparatuur;
-
- oxykalkslik;
-
- kunststofafval dat vrijkomt in de vorm van procesafval, produktieafval of produktafval, afkomstig van de rubber- of kunststofverwerkende industrie;
- 14.
- a. kunststofafval, afkomstig van toepassing van folies in landbouw;
- b. kunststofafval, afkomstig van toepassing van folies in tuinbouw;
-
- banden, afkomstig van motorrijtuigen en aanhangwagens als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;
-
- autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, of onderdelen daarvan;
-
- shredderafval, afkomstig van de verwerking van afvalstoffen, behorende tot de categorieën 11 of 16;
-
- vliegas die resteert na verbranding in een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in een roosteroven of een wervelbedoven;
-
- bouw- en sloopafval en residuen, afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval;
-
- zeefzand;
-
- straalgrit;
-
- houtafval;
-
- slib, afkomstig van inrichtingen voor het biologisch zuiveren van afvalwater;
-
- grond welke verontreinigingen bevat die de interventiewaarden als bedoeld in tabel 1 van de bijlage behorende bij de Circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering te boven gaan;
-
- plantaardig afval, afkomstig van land- of tuinbouw;
-
- veilingafval;
-
- marktafval;
-
- plantsoen- of groenafval;
-
- drijfafval;
- 30.
- a. huishoudelijke afvalstoffen;
- b. deelstromen, afkomstig van het scheiden of sorteren van huishoudelijke afvalstoffen;
- c. residuen, afkomstig van het bewerken, anders dan door middel van scheiden of sorteren, of verwerken van deelstromen als bedoeld onder b;
- 31.
- a. kantoor-, winkel- of dienstenafval;
- b. deelstromen, afkomstig van het scheiden of sorteren van kantoor-, winkel- of dienstenafval;
- c. residuen, afkomstig van het bewerken, anders dan door middel van scheiden of sorteren, of verwerken van deelstromen als bedoeld onder b;
- 32.
- a. industrieel afval, dat naar aard of samenstelling overeenkomt met categorie 31, onder a;
- b. deelstromen, afkomstig van het scheiden of sorteren van industrieel afval als bedoeld onder a;
- c. residuen, afkomstig van het bewerken, anders dan door middel van scheiden of sorteren, of verwerken van deelstromen als bedoeld onder b;
-
- vloeibare afvalstoffen;
-
- afvalstoffen die ontplofbaar, corrosief, oxiderend, licht ontvlambaar of ontvlambaar zijn, zoals omschreven in bijlage III bij richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377);
-
- niet-geïdentificeerde of nieuwe chemische stoffen, die afkomstig zijn van onderzoek, ontwikkelingsactiviteiten of onderwijs en waarvan de effecten op de volksgezondheid of het milieu niet bekend zijn.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid, onder 1 tot en met 11, geldt alleen voor zover deze afvalstoffen afzonderlijk zijn ingezameld of afgegeven.
Een wijziging in de bijlage van beschikking nr. 2000/532/EG gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel 34, bedoelde bijlage gaat voor de toepassing van dat onderdeel gelden met ingang van de dag waarop aan de betreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen om te voldoen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 11f, eerste lid, onder c.
Artikel 2
Het in artikel 1 gestelde verbod geldt niet met betrekking tot afvalstoffen, behorende tot de categorieën, genoemd in artikel 1:
- a. onder 8, voor zover het schoongespoelde verpakkingen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden betreft;
- b. onder 19, voor zover het niet herbruikbaar en niet verbrandbaar bouw- en sloopafval, onderscheidenlijk niet herbruikbare en niet verbrandbare residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval al bedoeld in artikel 6 betreft, dat wordt aangeboden door een persoon, die daartoe gemachtigd, een krachtens artikel 5 vastgesteld merkteken voert;
- c. onder 19, voor zover het bouw- of sloopafval betreft, dat is verontreinigd met asbest als bedoeld in het Asbestverwijderingsbesluit 2005, en voldaan is aan de eisen van dat besluit;
- d. onder 21, voor zover het niet reinigbaar straalgrit als bedoeld in artikel 7 betreft;
- e. onder 24, voor zover deze: worden aangeboden onder overlegging van een verklaring van Onze Minister, waaruit blijkt dat de grond niet reinigbaar is.
Artikel 3
Het is verboden afvalstoffen, behorende tot de categorieën, genoemd in artikel 1, op of in de bodem te brengen in inrichtingen als bedoeld in bijlage I, categorie 28.1, onder d, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, anders dan voor het opslaan.
Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze worden toegepast als bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:
- a. categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de categorieën 20, 21 en 24;
- b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.
Artikel 4
In afwijking van artikel 1 kan het bevoegd gezag bij het verlenen of wijzigen van een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in de daaraan te verbinden voorschriften bepalen dat het in artikel 1 gestelde verbod niet geldt met betrekking tot het storten van afvalstoffen, behorende tot een daarbij aangewezen, in dat artikel genoemde categorie, voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, in gevallen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag:
- a. een tijdelijke stagnatie optreedt in de afzetmogelijkheden van een produkt dat is verkregen door be- of verwerking van de betrokken afvalstoffen, terwijl daarvoor geen andere be- of verwerkingsmogelijkheid beschikbaar is, of
- b. een tijdelijk gebrek aan beheersmogelijkheden voor de betrokken afvalstoffen bestaat of ontstaat, of
- c. door een ongewoon voorval het op een andere wijze beheren van de betrokken afvalstoffen niet mogelijk is.
Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste lid, zendt het een afschrift van de vergunning aan Onze Minister.
Het bevoegd gezag stemt slechts in met de toepassing van een op grond van het eerste lid in de vergunning opgenomen voorschrift, voor zover Onze Minister verklaart dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is.
Onze Minister wijst bij ministeriële regeling de gegevens aan, die het bevoegd gezag ten behoeve van het toepassen van het derde lid aan hem verstrekt. Onze Minister kan categorieën van gevallen aanwijzen, waarin het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn.
Het eerste lid geldt niet voor de categorieën van afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 6, 15, 33, 34 en 35.
Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning geen voorschrift als bedoeld in het eerste lid, indien daardoor strijd zou ontstaan met het ingevolge artikel 11f bepaalde.
Artikel 5
Degene die voldoet aan de eisen ter zake van het bewerken van bouw- en sloopafval en residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval, zoals die zijn gesteld door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificatie-instelling, is gemachtigd een merkteken te voeren dat daartoe door Onze Minister bij ministeriële regeling is vastgesteld. Onze Minister kan voor verschillende categorieën van gevallen verschillende merktekens vaststellen.
Artikel 6
Bij ministeriële regeling geeft Onze Minister de gevallen aan, waarin bouw- en sloopafval en residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval niet herbruikbaar zijn.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister voorts de gevallen aangeven, waarin niet herbruikbaar bouw- en sloopafval en niet herbruikbare residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval niet verbrandbaar zijn.
Artikel 7
Bij ministeriële regeling geeft Onze Minister de gevallen aan, waarin straalgrit niet reinigbaar is.
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Vervallen
Artikel 10
Wijzigt deze wet.
Artikel 11
Voor een inrichting waarvoor een verbod als bedoeld in de artikelen 1 of 3 gaat gelden en waarin onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop dat verbod gaat gelden, handelingen plegen te worden verricht, als waarop dat verbod betrekking heeft, blijft dat verbod met betrekking tot die handelingen buiten toepassing gedurende 3 maanden na dat tijdstip.
Paragraaf 2. Bepalingen met betrekking tot stortplaatsen
Artikel 11a
In het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt verstaan onder:
- anorganische afvalstoffen: afvalstoffen met een organisch stofgehalte van ten hoogste tien procent;
- behandeling: fysische, thermische, chemische of biologische processen, met inbegrip van het sorteren, die de eigenschappen van de afvalstoffen zodanig veranderen dat het volume of de gevaarlijke eigenschappen worden gereduceerd, de behandeling wordt vergemakkelijkt of de nuttige toepassing wordt bevorderd;
- cel: stortvak of een deel daarvan met een bepaalde hoogte;
- inerte afvalstoffen: onbrandbare afvalstoffen die geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaan;
- korrelvormige afvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde monolithische afvalstoffen;
- monolithische afvalstoffen: afvalstoffen die door menging met toeslagstoffen of andersoortige bewerkingen zijn omgevormd tot afvalstoffen met een beperkte uitloging en een duurzame vaste vorm;
- omschrijving: omschrijving als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer;
- ondergrondse stortplaats: stortplaats waar afvalstoffen in de diepe ondergrond worden gebracht;
- Raad voor Accreditatie: Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht;
- regelmatige afvalstoffen: afvalstoffen die regelmatig tijdens hetzelfde proces ontstaan en een constante samenstelling hebben;
- stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen: gevaarlijke afvalstoffen waarvan het uitlooggedrag onder normale omstandigheden niet in ongunstige zin verandert;
- stortplaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 8.47, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer;
- vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 11b
Vervallen
Artikel 11c
Aan de vergunning verbindt het bevoegd gezag voorschriften of beperkingen, waarin ten minste is opgenomen:
- a. tot welke van de hierna volgende klassen de stortplaats, dan wel de onderscheiden delen van de stortplaats, behoort:
- 1°. stortplaats voor inerte afvalstoffen, niet zijnde een ondergrondse stortplaats;
- 2°. stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde een ondergrondse stortplaats;
- 3°. stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde een ondergrondse stortplaats;
- 4°. ondergrondse stortplaats;
- b. een lijst van de afvalstoffen die op de stortplaats of het desbetreffende deel van de stortplaats worden gestort;
- c. de hoeveelheid afvalstoffen die ten hoogste op de stortplaats wordt gestort;
- d. maatregelen voor het voorkomen of beperken van overlast en risico's ten gevolge van:
- –. stank en stof,
- –. zwerfvuil,
- –. lawaai en verkeer,
- –. vogels, ongedierte en insekten,
- –. aërosolen, en
- –. brand.
Ten aanzien van de toegankelijkheid van de stortplaats verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning:
- a. voorschriften, inhoudende dat de omheining zodanig is dat vrije toegang tot de stortplaats niet mogelijk is, en
- b. voorschriften, inhoudende een controle- en toegangssysteem dat bestaat uit een programma van maatregelen om illegaal storten van afvalstoffen op de stortplaats op te sporen of tegen te gaan.
Voorts verbindt het bevoegd gezag aan een zodanige vergunning voorschriften, inhoudende dat ten minste eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag verslag wordt uitgebracht over de soorten en hoeveelheden afvalstoffen die op de stortplaats zijn gestort.
Artikel 11d
Het bevoegd gezag kan bij het verlenen of wijzigen van een vergunning afwijken van de voorschriften die in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen, voor zover dit uitdrukkelijk in die bijlage is vermeld.
Artikel 11e
Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de opslag van afvalstoffen het voorschrift dat opslag van afvalstoffen is toegestaan voor een termijn van ten hoogste één jaar.
Indien de vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen, kan het bevoegd gezag, in afwijking van het eerste lid, aan een zodanige vergunning het voorschrift verbinden dat de opslag van afvalstoffen is toegestaan voor een termijn van ten hoogste drie jaar.
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de opslag in oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet milieubeheer het voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Paragraaf 3. Uitbreiding werkingssfeer
Artikel 12
Na inwerkingtreding van dit besluit:
- a. berusten de krachtens het Besluit stortverbod afvalstoffen (Stb. 1995, 345) vastgestelde regels en andere besluiten op dit besluit;
- b. worden de met toepassing van het Besluit stortverbod afvalstoffen (Stb. 1995, 345) vastgestelde regels en andere besluiten gelijkgesteld met regels onderscheidenlijk besluiten, vastgesteld met toepassing van dit besluit.
Artikel 13
Vervallen
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst met uitzondering van artikel 1, eerste lid, categorieën 11, 13, 17, 18, 23 en 25, artikel 2, onderdeel b, artikel 6, tweede lid, en artikel 9; deze artikelen of onderdelen daarvan treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 2, onder a, vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.
Bijlage I. behorende bij artikel 11b, eerste lid, onder b, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
C3-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, kleiner is dan of gelijk is aan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden;
C2-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, groter is dan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden, met uitzondering van kwikhoudende afvalstoffen, onbewerkt arseensulfideslib en hardingszouten1Deze van het C2-begrip uitgezonderde afvalstoffen zijn de zogenaamde C1-afvalstoffen.;
In deze bijlage wordt verstaan onder:
C3-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, kleiner is dan of gelijk is aan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden;
Deel A. Acceptatiecriteria
geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen die overeenkomstig de criteria gesteld bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 11b, derde lid, als geconditioneerd zijn aan te merken;
anorganische afvalstoffen: afvalstoffen met een gloeirest, bepaald overeenkomstig testmethode NEN 6620 (1986-11-01), van 90% of meer van de massa van een representatief monster.
Gevaarlijke afvalstoffen die overeenkomstig de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 11b, derde lid, zijn aan te merken als een geconditioneerde gevaarlijke afvalstof kunnen slechts worden geaccepteerd op een afzonderlijk deel van een stortplaats, dat niet beïnvloed kan worden vanuit andere delen van de stortplaats en voorzien is van een separate afvoer van het percolaat.
Deel B. Bepalingsmethoden en waarden waaraan getoetst moet worden
Gevaarlijke afvalstoffen die overeenkomstig deel B van deze bijlage zijn aan te merken als een C2-afvalstof kunnen slechts geaccepteerd worden op een C2-deponie.
Tabel 1 Uitlooggrenswaarden C2/C3
– Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, tenzij duidelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild.
Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Acceptatieprocedure
- Als de afvalstoffen niet aan deze waarde voor sulfaat voldoen, is de restrictie dat de uitloging een waarde van 1.500 mg/l uitgedrukt als C0 bij L/S = 0,1 l/kg en een waarde van 6.000 mg/kg bij L/S = 10 1/kg niet overschrijdt. C0 is het eerste eluaat van de kolomproef bij L/S = 0,1 l/kg.
** Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarde voor opgeloste organische koolstof (DOC) voldoen, is de restrictie dat de uitloging een waarde van 500 mg/kg niet overschrijdt bij L/S = 10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,5 en 8,0.
*** De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.
Ten behoeve van de acceptatie worden alle aangeboden afvalstoffen visueel gecontroleerd en gewogen.
Degene die de stortplaats drijft, neemt de afvalstoffen alleen in ontvangst indien deze vergezeld gaan van ten minste de navolgende gegevens:
Monsters worden ten minste één maand bewaard.
- als afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan de waarde voor opgelost organische koolstof voldoen, is testen bij L/S=10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,4 en 8.0 toegestaan, mits daarbij voor opgeloste organische koolstof (DOC) een waarde van 800 mg/kg droge stof niet wordt overschreden. De opgelost organische koolstof wordt vastgesteld overeenkomstig EN 14429: Karakterisering van afval – Uitloogproef ter karakterisering – Invloed van pH op uitloging door middel van initiële toevoeging van zuur/base.
** De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Op een stortplaats voor inerte afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:
Voorschrift 1.2
- Geselecteerd bouw- en sloopafval: met lage concentraties van andere typen materialen (zoals metalen, kunststof, organische stoffen, hout of rubber). De oorsprong van het afval moet bekend zijn.
Tabel 1 Uitlooggrenswaarden C2/C3
– Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.
Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Tabel 1 Uitlooggrenswaarden C2/C3
Indien er twijfel bestaat bij de exploitant of de aard, samenstelling of herkomst van de aangeboden afvalstoffen niet in overeenstemming is met de omschrijving als bedoeld in artikel 10.32, onder a, van de Wm, worden de aangeboden afvalstoffen uitgebreid gecontroleerd. De afvalstoffen worden hiervoor uitgespreid op een inspectievloer. Voor baggerspecie geldt dat bij twijfel de aanvoer gestaakt wordt en de onderdelen waarover twijfel bestaat nader worden onderzocht.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 11f
Het is verboden op een stortplaats afvalstoffen te accepteren:
- a. die geen behandeling hebben ondergaan,
- b. indien aan degene die de stortplaats drijft, met betrekking tot de afvalstoffen geen omschrijving is verstrekt die voldoet aan artikel 10 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, of
- c. die blijkens de omschrijving die aan degene die de stortplaats drijft is verstrekt, in geval van:
- 1°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder a, onder 1°: niet voldoen aan de bij of krachtens onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit gestelde voorschriften;
- 2°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder a, onder 2°: niet voldoen aan de bij of krachtens onderdeel 2 van de bijlage bij dit besluit gestelde voorschriften;
- 3°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder a, onder 3°: niet voldoen aan de bij of krachtens onderdeel 3 van de bijlage bij dit besluit gestelde voorschriften;
- 4°. een stortplaats als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder a, onder 4°: niet voldoen aan de bij of krachtens onderdeel 4 van de bijlage bij dit besluit gestelde voorschriften.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet ten aanzien van:
- a. inerte afvalstoffen: indien de behandeling technisch niet realiseerbaar is, en
- b. andere afvalstoffen: indien de behandeling niet bijdraagt aan het beperken van de negatieve gevolgen van het storten voor de volksgezondheid of het milieu.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet ten aanzien van monolithische afvalstoffen.
Degene die een stortplaats drijft:
- a. bewaart de in het eerste lid, onder c, bedoelde omschrijving gedurende vijf jaar nadat de laatste partij afvalstoffen waarop de omschrijving betrekking heeft, is geaccepteerd, en
- b. stelt het bevoegd gezag onverwijld in kennis van een weigering om afvalstoffen te accepteren, waarbij melding wordt gemaakt van de naam van degene van wie de afvalstoffen afkomstig zijn en van de aard van de afvalstoffen.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de acceptatie van gevaarlijke, anorganische, monolithische afvalstoffen. Bij de regeling, bedoeld in de eerste volzin, worden tevens regels gesteld met betrekking tot de wijze van storten van zodanige afvalstoffen.
Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12a
Dit besluit berust mede op artikel 32, eerste lid, van de Kernenergiewet.
Bijlage I. behorende bij artikel 11b, eerste lid, onder b, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
C2-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, groter is dan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden, met uitzondering van kwikhoudende afvalstoffen, onbewerkt arseensulfideslib en hardingszouten1Deze van het C2-begrip uitgezonderde afvalstoffen zijn de zogenaamde C1-afvalstoffen.;
Voorschrift 1.1
Deel B. Bepalingsmethoden en waarden waaraan getoetst moet worden
– De afvalstoffen bestaan uit één afvaltype uit dezelfde bron. Verschillende afvalstoffen uit deze tabel kunnen te zamen worden geaccepteerd, mits ze van dezelfde bron afkomstig zijn.
Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Onderdeel 2. Afvalstoffen op een stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen
Bij de uitgebreide controle worden geregistreerd:
Op een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:
De op de stortplaats geaccepteerde afvalstoffen worden geregistreerd. Deze registratie omvat ten minste de onder punt 1, onder a tot en met f, genoemde gegevens, alsmede:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 11g
Degene die een stortplaats drijft, verricht alvorens afvalstoffen te accepteren, achtereenvolgens de volgende handelingen:
- a. hij controleert de volledigheid van de in de omschrijving, bedoeld in artikel 11f, eerste lid, onder c, opgenomen gegevens;
- b. hij onderwerpt de afvalstoffen aan een visuele inspectie.
De visuele inspectie, bedoeld in het eerste lid, kan plaatsvinden op de plaats van verzending van de afvalstoffen naar de stortplaats, in gevallen waarin de stortplaats deel uitmaakt van dezelfde inrichting als de inrichting waarbinnen de afvalstoffen zijn vrijgekomen.
Het bevoegd gezag kan voorschriften aan de vergunning verbinden, inhoudende een verplichting om de afvalstoffen aan een uitgebreide inspectie te onderwerpen. Indien toepassing wordt gegeven aan de eerste volzin, worden aan de vergunning voorschriften verbonden met betrekking tot de wijze waarop, de frequentie waarmee en de plaats waar de uitgebreide inspectie moet plaatsvinden.
De monsters die in het kader van de visuele inspectie zijn genomen, worden gedurende een periode van ten minste een maand nadat deze zijn genomen, bewaard.
De persoon, bedoeld in het eerste lid, registreert de datum, het tijdstip en de resultaten van de visuele inspectie.
Artikel 11h
Degene die een stortplaats drijft, draagt er zorg voor dat ten minste eenmaal per jaar door middel van het nemen en analyseren van monsters wordt gecontroleerd of de regelmatige afvalstoffen die hij accepteert:
- a. in overeenstemming zijn met de omschrijving, bedoeld in artikel 11f, eerste lid, onder c, en
- b. voldoen aan de ingevolge dat onderdeel van toepassing zijnde voorschriften.
Hij draagt er tevens zorg voor dat met betrekking tot de monsterneming en analyse van monsters gegevens worden geregistreerd.
De analyse van de monsters wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die beschikt over een bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie of een daaraan gelijkwaardig instituut in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, kenbaar heeft gemaakt dat gedurende de periode waarin deze worden uitgevoerd, een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de betrokken persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van de analyse overeenkomstig de krachtens het vierde lid gestelde regels.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de monsterneming, de analyse van monsters en de registratie.
Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen waarvoor ingevolge artikel 10a, tweede lid, onder a, b, c, d, f of g, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen de in het eerste lid van dat artikel gestelde verplichting niet geldt.
Degene die een stortplaats drijft, bewaart de resultaten van de analyse van een monster gedurende vijf jaar nadat de analyse is uitgevoerd.
Het is verboden te doen handelen in strijd met het derde lid.
Dit artikel is niet van toepassing op monolithische afvalstoffen.
Artikel 11i
Degene die een stortplaats drijft, registreert de op de stortplaats geaccepteerde afvalstoffen.
De registratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste een overzicht van de stortvakken en stortlagen waar afvalstoffen zijn gestort.
Paragraaf 3. Uitbreiding werkingssfeer
Artikel 11k
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder radioactieve afvalstof, natuurlijke bron, activiteit en activiteitsconcentratie verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming.
Dit besluit is met uitzondering van paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op radioactieve afvalstoffen van natuurlijke bronnen van ioniserende straling, waarin:
- a. de activiteit van de betrokken natuurlijke bronnen op enig moment gelijk is aan of hoger is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming vermelde waarde, en
- b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bronnen gelijk is aan of hoger is dan de in bijlage 1, tabel 1, bij het Besluit stralingsbescherming vermelde waarde en lager is dan tien maal deze waarde.
Voor zover ingevolge het tweede lid dit besluit van overeenkomstige toepassing is op de in dat lid bedoelde afvalstoffen, worden die afvalstoffen, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen mede aangemerkt als afvalstoffen in de zin van die wet.
Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het tweede lid te vermengen met of te voegen bij een afvalstof waarvoor ingevolge paragraaf 1 een stortverbod geldt, teneinde die afvalstof te storten.
Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage. , behorend bij de artikelen 11d en 11f, eerste lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Onderdeel 1. Afvalstoffen op een stortplaats voor inerte afvalstoffen
Voorschrift 2.1
Voorschrift 2.2
Onderdeel 3. Afvalstoffen op een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen
Voorschrift 3.1
Voorschrift 3.2
- als afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan de waarde voor opgelost organische koolstof voldoen, is testen bij L/S=10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,4 en 8.0 toegestaan, mits daarbij voor opgeloste organische koolstof (DOC) een waarde van 1.000 mg/kg droge stof niet wordt overschreden. De opgelost organische koolstof wordt vastgesteld overeenkomstig EN 14429: Karakterisering van afval – Uitloogproef ter karakterisering – Invloed van pH op uitloging door middel van initiële toevoeging van zuur/base.
** De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt
- Er kan een keuze gemaakt worden tussen LOI of totaal organische koolstof (TOC). In ieder geval moet één van deze parameters worden gebruikt.
Onderdeel 4. Afvalstoffen op een ondergrondse stortplaats
Voorschrift 4.1
Bijlage I. behorende bij artikel 11b, eerste lid, onder b, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Vervallen
Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.