← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 8 december 1997, houdende een stortverbod binnen inrichtingen voor aangewezen categorieën van afvalstoffen (Besluit stortverbod afvalstoffen)

Geldende tekst a fecha 2010-10-01

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 november 1997, nr. MJZ97566861, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 8.44, eerste, vierde en zesde lid, van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, nr. W08.97.0711);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 december 1997, nr. MJZ97580608, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Stortverboden

Artikel 1
1.

Het is verboden in inrichtingen behorende tot een van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, de navolgende categorieën van afvalstoffen te storten:

2.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid, onder 1 tot en met 11, geldt alleen voor zover deze afvalstoffen afzonderlijk zijn ingezameld of afgegeven.

3.

Een wijziging in de bijlage van beschikking nr. 2000/532/EG gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

3.

Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel 34, bedoelde bijlage gaat voor de toepassing van dat onderdeel gelden met ingang van de dag waarop aan de betreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

4.

Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen om te voldoen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 11f, eerste lid, onder c.

Artikel 2

Het in artikel 1 gestelde verbod geldt niet met betrekking tot afvalstoffen, behorende tot de categorieën, genoemd in artikel 1:

Artikel 3
1.

Het is verboden afvalstoffen, behorende tot de categorieën, genoemd in artikel 1, op of in de bodem te brengen in inrichtingen als bedoeld in categorie 28.1, onder d, van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, anders dan voor het opslaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze worden toegepast als bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:

Artikel 4
1.

In afwijking van artikel 1 kan het bevoegd gezag bij het verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning voor een inrichting in de daaraan te verbinden voorschriften bepalen dat het in artikel 1 gestelde verbod niet geldt met betrekking tot het storten van afvalstoffen, behorende tot een daarbij aangewezen, in dat artikel genoemde categorie, voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen noodzakelijk is, in gevallen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag:

2.

Indien het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste lid, zendt het een afschrift van de vergunning aan Onze Minister.

3.

Het bevoegd gezag stemt slechts in met de toepassing van een op grond van het eerste lid in de vergunning opgenomen voorschrift, voor zover Onze Minister verklaart dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is.

4.

Onze Minister wijst bij ministeriële regeling de gegevens aan, die het bevoegd gezag ten behoeve van het toepassen van het derde lid aan hem verstrekt. Onze Minister kan categorieën van gevallen aanwijzen, waarin het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn.

5.

Het eerste lid geldt niet voor de categorieën van afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 6, 15, 33, 34 en 35.

6.

Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning geen voorschrift als bedoeld in het eerste lid, indien daardoor strijd zou ontstaan met het ingevolge artikel 11f bepaalde.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6
1.

Bij ministeriële regeling geeft Onze Minister de gevallen aan, waarin bouw- en sloopafval en residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval niet herbruikbaar zijn.

2.

Bij ministeriële regeling kan Onze Minister voorts de gevallen aangeven, waarin niet herbruikbaar bouw- en sloopafval en niet herbruikbare residuen afkomstig van het bewerken van bouw- en sloopafval niet verbrandbaar zijn.

Artikel 7

Bij ministeriële regeling geeft Onze Minister de gevallen aan, waarin straalgrit niet reinigbaar is.

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Wijzigt deze wet.

Artikel 11

Voor een inrichting waarvoor een verbod als bedoeld in de artikelen 1 of 3 gaat gelden en waarin onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop dat verbod gaat gelden, handelingen plegen te worden verricht, als waarop dat verbod betrekking heeft, blijft dat verbod met betrekking tot die handelingen buiten toepassing gedurende 3 maanden na dat tijdstip.

Paragraaf 2. Bepalingen met betrekking tot stortplaatsen

Artikel 11a

In het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 11b

Vervallen

Artikel 11c
1.

Aan de vergunning verbindt het bevoegd gezag voorschriften of beperkingen, waarin ten minste is opgenomen:

2.

Ten aanzien van de toegankelijkheid van de stortplaats verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning:

3.

Voorts verbindt het bevoegd gezag aan een zodanige vergunning voorschriften, inhoudende dat ten minste eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag verslag wordt uitgebracht over de soorten en hoeveelheden afvalstoffen die op de stortplaats zijn gestort.

Artikel 11d

Het bevoegd gezag kan bij het verlenen of wijzigen van een vergunning afwijken van de voorschriften die in de bijlage bij dit besluit zijn opgenomen, voor zover dit uitdrukkelijk in die bijlage is vermeld.

Artikel 11e
1.

Het bevoegd gezag verbindt aan een vergunning voor een inrichting voor de opslag van afvalstoffen het voorschrift dat opslag van afvalstoffen is toegestaan voor een termijn van ten hoogste één jaar.

2.

Indien de vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen, kan het bevoegd gezag, in afwijking van het eerste lid, aan een zodanige vergunning het voorschrift verbinden dat de opslag van afvalstoffen is toegestaan voor een termijn van ten hoogste drie jaar.

3.

Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een vergunning voor een inrichting voor de opslag in oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet milieubeheer het voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid gelden met betrekking tot de bij voorschrift aan een vergunning, voor de opslag van metallisch kwik, te verbinden termijnen de daarover bij of krachtens verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75) gestelde regels.

Paragraaf 3. Uitbreiding werkingssfeer

Artikel 12

Na inwerkingtreding van dit besluit:

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14
1.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst met uitzondering van artikel 1, eerste lid, categorieën 11, 13, 17, 18, 23 en 25, artikel 2, onderdeel b, artikel 6, tweede lid, en artikel 9; deze artikelen of onderdelen daarvan treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2.

Artikel 2, onder a, vervalt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 15

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

Bijlage I. behorende bij artikel 11b, eerste lid, onder b, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

C3-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, kleiner is dan of gelijk is aan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden;

C2-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, groter is dan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden, met uitzondering van kwikhoudende afvalstoffen, onbewerkt arseensulfideslib en hardingszouten1Deze van het C2-begrip uitgezonderde afvalstoffen zijn de zogenaamde C1-afvalstoffen.;

In deze bijlage wordt verstaan onder:

C3-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, kleiner is dan of gelijk is aan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden;

Deel A. Acceptatiecriteria

geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen die overeenkomstig de criteria gesteld bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 11b, derde lid, als geconditioneerd zijn aan te merken;

anorganische afvalstoffen: afvalstoffen met een gloeirest, bepaald overeenkomstig testmethode NEN 6620 (1986-11-01), van 90% of meer van de massa van een representatief monster.

3.

Gevaarlijke afvalstoffen die overeenkomstig de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 11b, derde lid, zijn aan te merken als een geconditioneerde gevaarlijke afvalstof kunnen slechts worden geaccepteerd op een afzonderlijk deel van een stortplaats, dat niet beïnvloed kan worden vanuit andere delen van de stortplaats en voorzien is van een separate afvoer van het percolaat.

Deel B. Bepalingsmethoden en waarden waaraan getoetst moet worden

2.

Gevaarlijke afvalstoffen die overeenkomstig deel B van deze bijlage zijn aan te merken als een C2-afvalstof kunnen slechts geaccepteerd worden op een C2-deponie.

Tabel 1 Uitlooggrenswaarden C2/C3

– Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen vervuild met anorganische of organische gevaarlijke stoffen, bijvoorbeeld vanwege productieprocessen in het gebouw, bodemvervuiling of opslag en gebruik van pesticiden of andere gevaarlijke stoffen, tenzij duidelijk is aangetoond dat het gesloopte gebouw niet ernstig was vervuild.

Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Acceptatieprocedure

** Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan deze waarde voor opgeloste organische koolstof (DOC) voldoen, is de restrictie dat de uitloging een waarde van 500 mg/kg niet overschrijdt bij L/S = 10 l/kg en een pH-waarde tussen 7,5 en 8,0.

*** De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt.

3.

Ten behoeve van de acceptatie worden alle aangeboden afvalstoffen visueel gecontroleerd en gewogen.

1.

Degene die de stortplaats drijft, neemt de afvalstoffen alleen in ontvangst indien deze vergezeld gaan van ten minste de navolgende gegevens:

2.

Monsters worden ten minste één maand bewaard.

** De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Op een stortplaats voor inerte afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:

Voorschrift 1.2

Tabel 1 Uitlooggrenswaarden C2/C3

– Geen bouw- en sloopafval afkomstig van gebouwen die zijn behandeld, bedekt of beschilderd met materialen die aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten.

Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Tabel 1 Uitlooggrenswaarden C2/C3

4.

Indien er twijfel bestaat bij de exploitant of de aard, samenstelling of herkomst van de aangeboden afvalstoffen niet in overeenstemming is met de omschrijving als bedoeld in artikel 10.32, onder a, van de Wm, worden de aangeboden afvalstoffen uitgebreid gecontroleerd. De afvalstoffen worden hiervoor uitgespreid op een inspectievloer. Voor baggerspecie geldt dat bij twijfel de aanvoer gestaakt wordt en de onderdelen waarover twijfel bestaat nader worden onderzocht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 11f
1.

Het is verboden op een stortplaats afvalstoffen te accepteren:

2.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet ten aanzien van:

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet ten aanzien van monolithische afvalstoffen.

4.

Degene die een stortplaats drijft:

5.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de acceptatie van gevaarlijke, anorganische, monolithische afvalstoffen. Bij de regeling, bedoeld in de eerste volzin, worden tevens regels gesteld met betrekking tot de wijze van storten van zodanige afvalstoffen.

Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12a

Dit besluit berust mede op artikel 32, eerste lid, van de Kernenergiewet.

Bijlage I. behorende bij artikel 11b, eerste lid, onder b, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

C2-afvalstoffen: gevaarlijke anorganische afvalstoffen waarvan de uitloogwaarde van de stoffen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, groter is dan de daarin bij die stoffen aangegeven waarden, met uitzondering van kwikhoudende afvalstoffen, onbewerkt arseensulfideslib en hardingszouten1Deze van het C2-begrip uitgezonderde afvalstoffen zijn de zogenaamde C1-afvalstoffen.;

Voorschrift 1.1

Deel B. Bepalingsmethoden en waarden waaraan getoetst moet worden

– De afvalstoffen bestaan uit één afvaltype uit dezelfde bron. Verschillende afvalstoffen uit deze tabel kunnen te zamen worden geaccepteerd, mits ze van dezelfde bron afkomstig zijn.

Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Onderdeel 2. Afvalstoffen op een stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen

Bij de uitgebreide controle worden geregistreerd:

Op een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd:

6.

De op de stortplaats geaccepteerde afvalstoffen worden geregistreerd. Deze registratie omvat ten minste de onder punt 1, onder a tot en met f, genoemde gegevens, alsmede:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 11g
1.

Degene die een stortplaats drijft, verricht alvorens afvalstoffen te accepteren, achtereenvolgens de volgende handelingen:

2.

De visuele inspectie, bedoeld in het eerste lid, kan plaatsvinden op de plaats van verzending van de afvalstoffen naar de stortplaats, in gevallen waarin de stortplaats deel uitmaakt van dezelfde inrichting als de inrichting waarbinnen de afvalstoffen zijn vrijgekomen.

3.

Het bevoegd gezag kan voorschriften aan de vergunning verbinden, inhoudende een verplichting om de afvalstoffen aan een uitgebreide inspectie te onderwerpen. Indien toepassing wordt gegeven aan de eerste volzin, worden aan de vergunning voorschriften verbonden met betrekking tot de wijze waarop, de frequentie waarmee en de plaats waar de uitgebreide inspectie moet plaatsvinden.

4.

De monsters die in het kader van de visuele inspectie zijn genomen, worden gedurende een periode van ten minste een maand nadat deze zijn genomen, bewaard.

5.

De persoon, bedoeld in het eerste lid, registreert de datum, het tijdstip en de resultaten van de visuele inspectie.

Artikel 11h
1.

Degene die een stortplaats drijft, draagt er zorg voor dat ten minste eenmaal per jaar door middel van het nemen en analyseren van monsters wordt gecontroleerd of de regelmatige afvalstoffen die hij accepteert:

2.

Hij draagt er tevens zorg voor dat met betrekking tot de monsterneming en analyse van monsters gegevens worden geregistreerd.

3.

De analyse van de monsters wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die beschikt over een bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie of een daaraan gelijkwaardig instituut in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, kenbaar heeft gemaakt dat gedurende de periode waarin deze worden uitgevoerd, een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de betrokken persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van de analyse overeenkomstig de krachtens het vierde lid gestelde regels.

4.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de monsterneming, de analyse van monsters en de registratie.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen waarvoor ingevolge artikel 10a, tweede lid, onder a, b, c, d, f of g, van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen de in het eerste lid van dat artikel gestelde verplichting niet geldt.

6.

Degene die een stortplaats drijft, bewaart de resultaten van de analyse van een monster gedurende vijf jaar nadat de analyse is uitgevoerd.

7.

Het is verboden te doen handelen in strijd met het derde lid.

8.

Dit artikel is niet van toepassing op monolithische afvalstoffen.

Artikel 11i
1.

Degene die een stortplaats drijft, registreert de op de stortplaats geaccepteerde afvalstoffen.

2.

De registratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste een overzicht van de stortvakken en stortlagen waar afvalstoffen zijn gestort.

Paragraaf 3. Uitbreiding werkingssfeer

Artikel 11k
1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder radioactieve afvalstof, natuurlijke bron, activiteit en activiteitsconcentratie verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming.

2.

Dit besluit is met uitzondering van paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op radioactieve afvalstoffen van natuurlijke bronnen van ioniserende straling, waarin:

3.

Voor zover ingevolge het tweede lid dit besluit van overeenkomstige toepassing is op de in dat lid bedoelde afvalstoffen, worden die afvalstoffen, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen mede aangemerkt als afvalstoffen in de zin van die wet.

4.

Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het tweede lid te vermengen met of te voegen bij een afvalstof waarvoor ingevolge paragraaf 1 een stortverbod geldt, teneinde die afvalstof te storten.

Paragraaf 4. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. , behorend bij de artikelen 11d en 11f, eerste lid, onder c, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Onderdeel 1. Afvalstoffen op een stortplaats voor inerte afvalstoffen

Voorschrift 2.1

Voorschrift 2.2

Onderdeel 3. Afvalstoffen op een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen

Voorschrift 3.1

Voorschrift 3.2

** De waarden voor totaal opgeloste vaste stoffen (TDS) kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt

Onderdeel 4. Afvalstoffen op een ondergrondse stortplaats

Voorschrift 4.1

Bijlage I. behorende bij artikel 11b, eerste lid, onder b, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Vervallen

Bijlage II. behorende bij artikel 11d, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.