Regeling houdende voorschriften over de toepassing, plaatsing en uitvoering van verkeerstekens, uitgezonderd verkeerslichten

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 4, derde lid, 9, 10 eerste en tweede lid, derde lid onder a en c, 11 en 48, derde lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

Besluit:

de volgende voorschriften vast te stellen ten aanzien van de toepassing, de plaatsing en de uitvoering van enkele in het RVV 1990 opgenomen verkeersborden, onderborden en verkeerstekens op het wegdek:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Definities
1.

Voorwaarschuwingsbord: een op enige afstand voor het bord geplaatst identiek bord van bijlage 1 van het RVV 1990, met een onderbord waarop een afstandsaanduiding is vermeld.

2.

Herhalingsbord: een bord geplaatst ter herinnering aan eenzelfde bord dat aan het begin van een en hetzelfde wegvak geplaatst is.

Paragraaf 2. Algemene bepaling ten aanzien van toepassing
4.

Verkeerstekens worden slechts toegepast, voor zover dit bepaald nodig is en nadat vervangende infrastructurele maatregelen zijn overwogen.

Paragraaf 3. Tijdelijke toepassing van verkeerstekens
5.

Bij tijdelijke toepassing van verkeerstekens en onderborden, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van het BABW, mag in spoedeisende gevallen van de voorschriften in de hoofdstukken II en III worden afgeweken. Dergelijke afwijkingen worden zo spoedig mogelijk gecorrigeerd.

Hoofdstuk II. Verkeersborden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen ten aanzien van de toepassing van verkeersborden
1.

Borden worden slechts toegepast indien de inrichting van de weg in overeenstemming is met hetgeen bij de afzonderlijke borden is voorgeschreven.

2.

Borden worden niet toegepast indien daarmee een regeling beoogd wordt die overeenkomt met een gedragsregel of een ander verkeersteken. Ook indien het gewenste gedrag voortvloeit uit de weginrichting blijven borden achterwege.

3.

Verkeersborden die een gevaar aanduiden worden slechts toegepast, indien het gevaar voor weggebruikers onvoldoende of niet tijdig waarneembaar is.

4.

Overzicht van mogelijke combinaties bij zonale toepassing.

A1 E1 E9 E10 C..* G5 G7
A1 X J J J J N N
E1 X J J J N N
E9 X J J J J
E10 X J J N
C..* J J N
G5 X N
G7 X

J = combinatie van zones mogelijk

N = combinatie van zones niet mogelijk

X = n.v.t.

5.

Borden uit hoofdstuk E, van bijlage 1 van het RVV 1990, die een parkeergelegenheid aangeven, worden, indien zij, al dan niet door middel van de toepassing van onderborden, zijn voorzien van aanduidingen dat gedeeltelijk op het trottoir of het voetpad parkeren is toegestaan, slechts toegepast, indien door met belijning gemarkeerde parkeervakken is aangegeven hoe het parkeren dient plaats te vinden.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen ten aanzien van plaatsing van verkeersborden
6.

De waarneembaarheid van verkeersborden moet dag en nacht verzekerd zijn.

7.

Borden worden zodanig geplaatst dat zij het zicht op het verkeer of op verkeerstekens niet belemmeren.

8.

Borden worden in beginsel haaks ten opzichte van de wegas geplaatst.

9.

Meer dan twee borden, niet zijnde onderborden, worden buiten de bebouwde kom niet boven elkaar geplaatst. Borden worden gecombineerd in de volgorde van bijlage 1 van het RVV 1990, dat wil zeggen dat een bord geplaatst wordt onder een verderop in die bijlage genoemd bord.

10.

Borden worden geplaatst aan de rechterzijde van de weg of boven een rijstrook indien het bord uitsluitend voor die rijstrook geldt, dan wel links van de weg indien het bord uitsluitend voor de linkerzijde geldt.

Borden kunnen ook boven de rijbaan worden aangebracht.

Ter hoogte van rechts geplaatste borden kunnen eveneens aan de linkerzijde van de weg of rijbaan worden geplaatst indien daaraan uit oogpunt van waarneembaarheid behoefte bestaat dan wel indien het bord tevens voor de linkerzijde geldt.

11.

Bij gebruik op twee- of meerstrooks gedeelten van autosnelwegen en dubbelbaans autowegen worden de borden A1 en A4, C22, F 1 tot en met 4, J (alle), L5, L7 en L11 geplaatst aan beide zijden van de rijbaan waarop zij betrekking hebben.

12.

De hoogte van de onderkant van het bord ten opzichte van het wegdek bedraagt minimaal:

12a. De hoogte van de onderkant van bord D2 of D3 ten opzichte van het wegdek, bedraagt minimaal 0,90 meter indien het bord is geplaatst op een gele verkeerszuil.

13.

Bij plaatsing van borden boven de rijbaan bedraagt de vrije doorrijhoogte ten minste 4,50 m en boven fiets- en voetpaden ten minste 2,50 m.

Bij tunnels, viaducten en dergelijke kan hiervan worden afgeweken.

14.

Een bord staat tenminste buiten het profiel van vrije ruimte van de rijbaan. De afstand tussen de rand van het bord en de kant van de rijbaan dan wel de kant van de verharding bedraagt bij voorkeur tenminste 0,60 m en ten hoogste 3,60 m. Op wegen buiten de kom, zonder parkeer- of vluchtstrook, bedraagt de minimumafstand 1,80 m.

Paragraaf 3. Algemene bepalingen ten aanzien van uitvoering van verkeersborden
15.

Borden worden weergegeven in:

Borden in vaste uitvoering, met uitzondering van bord L3, voldoen aan de paragrafen 5 en 6 van norm NEN 3381 (Verkeerstekens - Algemene eisen voor borden);

Borden in verschijnuitvoering, met uitzondering van de borden A3 en F9 en borden in transparante uitvoering, voldoen aan de norm NEN EN 12966 (Verticale verkeerstekens - Variabele verkeersborden)

Ingeval een bord op een elektronisch signaleringsbord wordt weergegeven kan het symbool in wit op een zwart veld worden uitgevoerd in plaats van in zwart op een wit veld.

16.

Borden, met uitzondering van de borden G13, G14, K1 tot en met K13, L3 tot en met L7 en L10 tot en met L12 worden ten minste uitgevoerd overeenkomstig de afmetingen genoemd in paragraaf 4 van norm NEN 3381, waarbij voor de volgende wegen de volgende typen gelden:

Van de minimummaat kan worden afgeweken indien het bord wordt geplaatst op een parkeerterrein, verzorgingsplaats of andere verkeersruimte bestemd voor beperkt gebruik.

17.

Borden worden uitgevoerd met de oppervlakte van de afbeelding in retroreflecterend materiaal. De eigenschappen van het retroreflecterende materiaal komen minimaal overeen met klasse I van norm NEN 3381, met dien verstande dat de borden B7 en D2 minimaal conform klasse II worden uitgevoerd.

Niet retroreflecterend behoeven te zijn:

18.

Bewegwijzering ten behoeve van voetgangers mag in afwijking van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, van artikel 4 van het BABW bestaan uit een rechthoekig bord, waarop de letters, cijfers of symbolen in een veld zijn geplaatst van andere kleur dan blauw.

Paragraaf 4. Voorschriften voor de afzonderlijke borden
1.

De in te stellen maximumsnelheid dient in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Dit betekent dat waar nodig de omstandigheden op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en van zijn omgeving.

2.

Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld:

3.

Binnen de bebouwde kom mag bord A1 worden geplaatst in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk II, Paragraaf 1 onder punt 2, om zonodig te herinneren aan de algemene snelheidslimiet van 50 km/h.

4.

15 km/h en 15 km/h zone, 30 km/h en 30 km/h zone, 60 km/h en 60 km/h zone

Bord A1 (15 km/h en 15 km/h zone) mag op woonerven worden geplaatst om expliciet aan te geven dat op woonerven slechts stapvoets, 15 km/h, mag worden gereden, zoals bepaald in artikel 45 van het RVV 1990.

Bord A1 (30 km/h buiten de bebouwde kom en 60 km/h buiten de bebouwde kom) mag op wegvakken slechts worden toegepast indien wordt voldaan aan de volgende eisen:

Voor bord A1 (30 km/h binnen en buiten de bebouwde kom en 60 km/h buiten de bebouwde kom) gelden de volgende aanvullende eisen:

5.

Het bord wordt niet toegepast:

Bij een rijbaan van meer dan 5 m breed of met twee of meer rijstroken in dezelfde richting, wordt het bord indien mogelijk tevens aan de linkerzijde van die rijbaan geplaatst.

1.

Bij voorkeur wordt de reden van een vastgestelde maximumsnelheid bij een gevarenpunt zichtbaar gemaakt door bord A1 te combineren met een bord of onderbord dat de aard van het gevaar of het belang van de maximumsnelheid aangeeft.

1.

Om een maximumsnelheid aan te geven voor een bepaalde categorie bestuurders wordt die categorie aangegeven op een onderbord, en wel zo mogelijk door het betreffende symbool dat voorkomt in bijlage 1 van het RVV 1990.

Indien de maximumsnelheden betrekking hebben op motorvoertuigen die een bepaald maximum toegestane totaalmassa te boven gaan wordt op het onderbord die massa vermeld in het aantal tonnen, aangegeven door cijfers met toevoeging van de letter t.

Het bord wordt niet toegepast bij de toegang tot een woonerf.

Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld op wegvakken op autosnelwegen: 130, 120, 110, 100, 90, 80, 70, 60, 50 km/h.

1.

Dit bord wordt bij plaatsing boven de rijbaan aangebracht boven elke rijstrook. Het bord kan ook rechts van de weg worden geplaatst. In dit geval moet het bord bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m tevens ter linkerzijde worden geplaatst.

1.

Een adviessnelheid wordt slechts plaatselijk toegepast om aan te geven met welke veilige snelheid een gevarenpunt gepasseerd kan worden, waarvan voor de bestuurder niet goed waarneembaar is dat in aanzienlijke mate snelheid moet worden verminderd.

2.

In recreatiegebieden kan buiten de bebouwde kom een adviessnelheid worden toegepast op verharde wegvakken met gemengd verkeer, mits de wegen waarvan die wegvakken deel uitmaken hun begin- of eindpunt binnen het recreatiegebied hebben en geen lagere snelheid wordt geadviseerd dan 30 km/h.

3.

Zo mogelijk wordt de reden van een vastgestelde adviessnelheid zichtbaar gemaakt door bord A4 te combineren met een bord of onderbord dat de aard van het gevaar of de reden van het advies aangeeft.

4.

Een met bord A4 aan te geven adviessnelheid is tenminste 20 km/h lager dan de snelheidslimiet op het direct daaraan voorafgaande weggedeelte.

1.

Voor het bord wordt geen voorwaarschuwingsbord geplaatst.

1.

Dit bord wordt niet toegepast:

1.

Het bord wordt niet toegepast in erven, op 30 km/h-wegen, in 30 km/h-zones, op 60 km/h-wegen en in 60 km/h-zones.

1.

Binnen de bebouwde kom wordt dit bord geplaatst direct voor zijwegen van de voorrangsweg.

2.

Buiten de bebouwde kom wordt dit bord geplaatst op enige afstand na zijwegen van de voorrangsweg. Op autosnelwegen wordt dit bord na toeritten niet geplaatst. Op autowegen wordt dit bord na vloeiende toeritten niet geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.