Wijziging Hoofdstuk VI ARAR

Type Circulaire
Publication 1998-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1. Inleiding

Middels deze circulaire informeer ik u – onder verwijzing naar het werkpakket WAO dat door de USZO BV onder de werkgevers is verspreid – over het tot stand komen van het koninklijk besluit van 9 december 1997, nummer 97.004481 (Stb. 1998, 5), naar de inhoud waarvan ik kortheidshalve verwijs. In deze circulaire ga ik successievelijk in op een aantal aspecten die verband houden met de aanspraken van ambtenaren bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast treft u in het werkpakket WAO informatie aan over:

Het werkpakket WAO kunt u per fax (045-579.5929) bestellen bij de USZO BV onder vermelding van uw naam, organisatie, adres en woonplaats.

2. Totstandkoming van regelgeving

Met ingang van 1 januari 1998 is de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Stb. 1997, 768 en 769) in werking getreden. Met het koninklijk besluit van 9 december 1997 worden de noodzakelijke aanpassingen in de regelingen van de sector Rijk aangebracht tengevolge van de inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. De wijzigingen die met het koninklijk besluit van 9 december 1997 worden aangebracht hebben een technisch karakter.

3. Aanpassingen in verband met de Arbeidsomstandighedenwet

Met het koninklijk besluit van 9 december 1997 is tevens gebruik gemaakt van de gelegenheid om de terminologie van hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement aan te passen aan die van de Arbeidsomstandighedenwet. Voor wat de inhoud van de wijzigingen betreft, verwijs ik kortheidshalve naar de circulaire van 26 juni 1997, nummer AD97/U520.

In het eerste lid van artikel 36a is aangegeven in welke gevallen de ambtenaar kan worden verplicht om zich te onderwerpen aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Ingevolge het tweede lid van artikel 36a kan de ambtenaar buiten dienst worden gesteld op grond van de uitslag van één van de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet alsmede de arbeidsgezondheidskundige onderzoeken bedoeld in het eerste lid, tenzij hem andere passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen.

Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek dat op grond van artikel 24a van de Arbeidsomstandighedenwet plaats vindt, bericht ik u het volgende.

Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek is een onderzoek dat de ambtenaar ondergaat op basis van vrijwilligheid. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht alle werknemers periodiek in de gelegenheid te stellen zo’n arbeidsgezondheidkundig onderzoek te ondergaan met als doel om de risico’s die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt, zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Aangezien de werknemers niet verplicht zijn aan het onderzoek mee te werken zal het medisch advies altijd aan de betrokken werknemer worden uitgebracht en niet aan het bevoegd gezag. Dit geldt ook voor het medisch advies dat voortvloeit uit onderzoeken in het kader van het arbeidsgezondheidskundig spreekuur. Aan dergelijke medisch adviezen kunnen derhalve in principe geen rechtspositionele gevolgen voor de ambtenaar worden verbonden. Dit laatste kan alleen indien de ambtenaar uitdrukkelijk toestemming verleent om het medisch advies aan het bevoegd gezag uit te brengen. Een dergelijk aan het bevoegd gezag uitgebracht medisch advies kan op grond van artikel 36a, tweede lid, ARAR uiteraard wel leiden tot het nemen beslissingen van het bevoegd gezag. Daarbij ware te overwegen of het noodzakelijk is om een door het bevoegd gezag geïnitieerd specifiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (op grond van artikel 36a, eerste lid, onderdelen a tot en met k) te doen verrichten.

Mogelijke aandachts- en actiepunten met betrekking tot de arbeidsgezondheidskundige begeleiding zijn:

4. De aanpassingen in verband met de in werking treding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

In verband met de inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen is de systematiek zoals die tot 1 januari 1998 is neergelegd in hoofdstuk VI van het ARAR, gewijzigd. De totale aanspraken van de ambtenaar zijn ten opzichte van de situatie voor 1 januari 1998 echter ongewijzigd gebleven.

In hoofdlijnen blijft gelden dat de ambtenaar gedurende de eerste 52 weken waarin hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid 100% van zijn bezoldiging krijgt doorbetaald. Na ommekomst van 52 weken komt de ambtenaar die arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO in aanmerking voor een WAO-uitkering. De aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering is in de systematiek zoals die vanaf 1 januari 1998 geldt afhankelijk van de aanspraak die de ambtenaar heeft op een WAO-uitkering. De bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering vult de WAO-uitkering gedurende 26 weken aan tot 100 % van de bezoldiging en vervolgens tot het einde van de arbeidsverhouding tot 80 % van de bezoldiging.

Voor wat de aanspraak van de ambtenaar op een WAO-uitkering en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, zijn een aantal begrippen relevant, zoals arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, berekeningsgrondslag en restverdiencapaciteit.

Bij arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO gaat het om het verlies van verdiencapaciteit. Het verlies van verdiencapaciteit bepaalt het percentage arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar. Om de verdiencapaciteit en het arbeidsongeschiktheidspercentage te bepalen wordt het loon van de ambtenaar vergeleken met het loon dat hij – ondanks zijn arbeidsongeschiktheid – nog met gangbare arbeid zou kunnen verdienen. Wellicht ten overvloede vermeld ik thans al dat de ambtenaar die een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% heeft, als niet arbeidsongeschikt wordt aangemerkt in de zin van de WAO.

Met de berekeningsgrondslag wordt steeds bedoeld de definitie van de berekeningsgrondslag zoals die is opgenomen in het Pensioenreglement.

De restverdiencapaciteit wordt in het algemeen bepaald door na te gaan welke functies de betrokken ambtenaar nog zou kunnen verrichten. Van de drie functies waaraan het hoogste loon is verbonden wordt voor het bepalen van de restverdiencapaciteit de functie aangehouden waaraan het op één na hoogste loon is verbonden. Die functie is bepalend voor de schatting van de arbeidsongeschiktheid. Of zo’n functie beschikbaar is en zo ja is daarbij niet relevant.

Na de datum van een eventueel ontslag dat is gegrond op artikel 98, eerste lid, aanhef, onderdeel f, van het ARAR, ontvangt de ambtenaar in hoofdlijnen de bovenwettelijke aanvullingen zoals die zijn vermeld in het werkboek WAO. Bij alle gevallen van ontslag met gebruikmaking van een andere ontslaggrond geldt een afwijkende situatie. Voor de volledigheid vermeld ik nog dat de aanspraken op een invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage zijn geregeld in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. De aanspraak op een suppletie is geregeld in de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk.

4.1. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar (artikel 37 ARAR)

De ambtenaar heeft tijdens zijn ongeschiktheid tot werken gedurende 52 weken aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging. Daarna ontstaat voor de ambtenaar die tenminste 15% arbeidsongeschikt is, aanspraak op een WAO-uitkering. Deze WAO-uitkering wordt gedurende 26 weken aangevuld tot 100% van de bezoldiging van de ambtenaar en vervolgens tot de datum van een eventueel ontslag tot 80% van de bezoldiging van de ambtenaar.

In aansluiting op het voorgaande heeft de ambtenaar aanspraak op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering tot 100% van zijn bezoldiging in de gevallen waarin de ambtenaar:

ongeschikt is tot werken in verband met een ziekte die is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.

Naast het voorgaande heeft de ambtenaar die wordt herplaatst nog de volgende aanspraken.

4.2. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid van de gewezen ambtenaar

Zodra een ambtenaar ontslag is verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onderdeel f, van het ARAR, gelden voor hem de WAO en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zoals die zijn geregeld in het Pensioenreglement (invaliditeitspensioen en herplaatsingstoelage) en de door de USZO BV uit te voeren suppletieregeling. Bij alle andere ontslagvormen geldt in eerste instantie de regeling zoals die is opgenomen in artikel 38 van het ARAR. Dit laatste laat overigens onverlet dat ook de gewezen ambtenaar in een later stadium nog aanspraak zal kunnen maken op een invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage.

Het gaat er bij de gewezen ambtenaar niet om of hij zijn functie die hij voor het ontslag vervulde nog kan vervullen maar of hij naar aard en omvang soortgelijke werkzaamheden kan vervullen. Of er van ongeschiktheid tot werken sprake is wordt – middels een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (artikel 36a, onderdeel c, ARAR) – bepaald door de Arbo-dienst.

Als de ongeschiktheid tot werken is ontstaan voor de datum van het ontslag heeft de gewezen ambtenaar tijdens zijn ongeschiktheid tot werken gedurende 52 weken – te rekenen vanaf de eerste ziektedag – aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging. In de periode voor de datum van het ontslag is de aanspraak gegrond op artikel 37 van het ARAR; vanaf de datum van het ontslag is deze aanspraak gegrond op artikel 38 van het ARAR. Daarna ontstaat voor de gewezen ambtenaar die een mate van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 15%, aanspraak op een WAO-uitkering. Deze WAO-uitkering wordt gedurende 26 weken aangevuld tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging van de ambtenaar. Na ommekomst van deze 26 weken heeft de gewezen ambtenaar die een mate van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 15%, uitsluitend aanspraak op een WAO-uitkering.

Ontstaat de ongeschiktheid tot werken binnen een maand na de datum van het ontslag, dan heeft de gewezen ambtenaar gedurende maximaal 52 weken aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Voorwaarden voor het ontstaan van de aanspraak zijn alsdan dat de ambtenaar ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest. Indien de ongeschiktheid tot werken voortduurt tot na de periode van 52 weken, heeft de gewezen ambtenaar die een mate van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 15%, aanspraak op een WAO-uitkering.

In aanvulling op het voorgaande heeft de gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering (in het ene geval na 78 weken en in het andere geval na 52 weken), aanspraak op een aanvullende uitkering tot een nader genoemd percentage van zijn laatstgenoten bezoldiging, in de gevallen waarin de ambtenaar ongeschikt is tot werken in verband met een ziekte die is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte. Dit percentage varieert van 18% tot 90,02% en is afhankelijk van de mate van ongeschiktheid tot werken (artikel 38, vijfde lid ARAR).

De gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een FPU-uitkering heeft op grond van artikel 38, zesde lid ARAR aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging voorzover deze tesamen met de aanvullende uitkering bedoeld in het FPU reglement zijn laatstgenoten bezoldiging niet overschrijdt. In de praktijk betekent dit dat de bedoelde gewezen ambtenaar zijn laatstgenoten bezoldiging ontvangt verminderd met de aanspraak op de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 4 van het FPU reglement. De basis-uitkering FPU wordt immers op grond van artikel 9 van het FPU reglement verminderd met inkomsten uit of in verband met arbeid.

4.3. Begin en einde van het tijdvak van 52 weken

Voor wat de aanvang en het einde van het tijdvak van 52 weken is aansluiting gezocht bij de overeenkomende bepalingen van de WAO. Het tijdvak van 52 weken vangt aan op de eerste dag waarop de ambtenaar ongeschikt is tot werken wegens ziekte of de werkzaamheden wegens ziekte heeft gestaakt. Bij verlofsituaties – ook bij ouderschapsverlof – wordt uitgegaan van de eerste dag waarop de ambtenaar niet zou hebben gewerkt of de werkzaamheden zou hebben gestaakt.

Het tijdvak van 52 weken eindigt na precies 52 weken. Indien de periode van ongeschiktheid wordt onderbroken door perioden van geschiktheid, worden perioden van ongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken samengeteld. Dit laatste betekent dat bij een onderbreking die langer duurt dan vier weken het tijdvak van 52 weken opnieuw begint te tellen vanaf de nieuwe eerste ziektedag.

In afwijking van het voorgaande vangt de termijn van 52 weken voor de ambtenaar die met buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging is, aan op de eerste dag waarop het buitengewoon verlof is geëindigd. Dienaangaande vermeld ik dat het te overwegen is om het buitengewoon verlof in een dergelijk geval te beëindigen indien de verwachting is dat de ambtenaar gedurende een langere periode dan 35 weken arbeidsongeschikt zal blijven.

Voor wat de aanspraak op de WAO-uitkering betreft blijft overigens gelden dat de eerste ziektedag is de dag waarop de ambtenaar niet zou hebben gewerkt of de werkzaamheden zou hebben gestaakt wegens ziekte. Dit laatste betekent dat het in theorie zo kan zijn dat de ambtenaar die terugkeert van buitengewoon verlof direct al wordt geconfronteerd met een aanspraak op een WAO uitkering en een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. De ambtenaar heeft in een dergelijk geval steeds gedurende (52 + 26) 78 weken aanspraak op een aanvulling tot 100% van zijn bezoldiging en aansluitend tot 80% van zijn bezoldiging.

Het tijdvak van 52 wordt verlengd met de periode waarin het bevoegde gezag verzuimt om de 13e weeksmelding te doen (artikel 41, vijfde lid ARAR).

4.4. Begin en einde van het tijdvak van 26 weken

Het tijdvak van 26 weken vangt aan op de dag nadat het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Het tijdvak van 26 weken eindigt vervolgens na precies 26 weken vermeerderd met de tijdvakken waarin de ambtenaar – in de eerste 78 weken – zijn arbeid voor ten minste 45% heeft verricht of in het belang van zijn genezing arbeid heeft verricht voor ten minste 45%.

Het tijdvak van 26 weken wordt verkort met de periode waarin het bevoegd gezag verzuimt om de 13e weeksmelding te doen (artikel 41, vijfde lid ARAR).

4.5. Verplichtingen en sancties

Gedurende het tijdvak van 52 weken zijn de verplichtingen en sanctie van toepassing zoals vermeld in artikel 43 van het ARAR. Deze verplichtingen en sancties komen overeen met de verplichtingen en sancties zoals die tot 1 januari 1998 in het ARAR waren opgenomen.

Na ommekomst van het tijdvak van 52 weken is – naast artikel 44 van het ARAR – het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van toepassing (de wet boeten en maatregelen). De sanctie die op grond van het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO aan de (gewezen) ambtenaar worden opgelegd, wordt op overeenkomstige wijze toegepast op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zowel het opleggen van de sancties door de uitvoeringsinstelling als de toepassing van de sancties door het bevoegd gezag zijn separaat voor bezwaar en beroep vatbaar. Met betrekking tot de geldende sancties voor wat de WAO-uitkering betreft merk ik nog op dat in hoofdstuk VI van het ARAR geen mogelijkheid is opgenomen om de ambtenaar een boete op te leggen zoals die op grond van de Wet boeten en maatregelen kan worden opgelegd. Ten aanzien van de maatregelen die op grond van de Wet boeten en maatregelen kunnen worden opgelegd geldt dat deze in beginsel wel op overeenkomstige wijze kunnen worden toegepast. Van geval tot geval zult u echter zelf moeten beoordelen op welke wijze u toepassing daaraan geeft.

5. Uitzending naar het buitenland en de WAO

Zoals bekend is de Wet OOW bedoeld als technische operatie waarbij als uitgangspunt geldt dat de hoogte en duur van de aanspraken niet wijzigt. Daarbij is overigens wel onderkend dat de systematiek van de werknemersverzekeringen somtijds zodanig afwijkt van de regelingen in de overheidssector dat dat uitgangspunt niet ten volle kan worden gehandhaafd.

De invoering van de WAO per 1 januari 1998 brengt voor een beperkt aantal ambtenaren met zich mee dat zij niet langer verplicht verzekerd zullen zijn voor het arbeidsongeschiktheidsrisico en uit dien hoofde geen aanspraak kunnen maken op een WAO-uitkering.

Zonder nadere regelgeving zouden hiernagenoemde groepen overheidswerknemers die hun werkzaamheden buiten Nederland verrichten in de meeste gevallen op grond van de werknemersverzekeringen niet verplicht verzekerd zijn tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. In het kader van de WAO, wordt niet als werknemer beschouwd – en is dus niet verplicht verzekerd – degene die zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is en evenmin degenen die een bijzonder verlof van langer dan een maand geniet.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.