Wet van 26 maart 1998, houdende nieuwe bepalingen inzake De Nederlandsche Bank N.V. in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Bankwet 1998)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de doelstellingen, taken en werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. opnieuw te regelen in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de in dat Verdrag voorziene oprichting van een Europees Stelsel van Centrale Banken waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met betrekking tot de taken en plichten die bij het Verdrag aan dat Stelsel zijn opgedragen een integrerend onderdeel vormt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Treedt in werking met ingang van de dag waarop de Europese Centrale Bank (ECB) en het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) in werking treedt. Volgens Stb. 1998/313 is dat op 1 juni 1998.
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
- b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
- c. het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- d. de Europese Centrale Bank: de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
- e. het Europees Stelsel van Centrale Banken: het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 282, eerste lid, van het Verdrag;
- f. de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken: de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 129, tweede lid, van het Verdrag;
- g. verordening valsemunterij: verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG 2001, L 181);
- h. verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme: verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225);
- i. verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen: Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365, en de Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PbEU 2021, L 22).
De Bank vormt een integrerend onderdeel van het Europees Stelsel van Centrale Banken met betrekking tot de taken en plichten die het Verdrag aan dat Stelsel opdraagt.
Hoofdstuk II. Doelstellingen, taken en werkzaamheden van de Bank
§ 1. Doelstellingen en taken
Artikel 2
Ter uitvoering van het Verdrag heeft de Bank als doelstelling het handhaven van prijsstabiliteit.
Ter uitvoering van het Verdrag ondersteunt de Bank, onverminderd het doel van prijsstabiliteit, het algemene economische beleid in de Europese Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie.
De Bank handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 119 van het Verdrag.
De Bank heeft voorts als doelstelling het uitvoeren van taken, anders dan die bedoeld in artikel 3, voorzover deze haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen.
Artikel 3
Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij aan de vervulling van de volgende taken
- a. het bepalen van het monetaire beleid en het ten uitvoer leggen van dat beleid;
- b. het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met artikel 219 van het Verdrag;
- c. het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves;
- d. het verzorgen van de geldsomloop voorzover deze uit bankbiljetten bestaat;
- e. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer.
Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op banken en de stabiliteit van het financiële stelsel.
Ter uitvoering van het Verdrag is het de Bank toegestaan bij de uitoefening van haar taken en plichten ingevolge het eerste en tweede lid instructies te vragen aan en te aanvaarden van uitsluitend de Europese Centrale Bank.
Artikel 4
De Bank heeft tot taak:
- a. het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen;
- b. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer;
- c. het bevorderen van de stabiliteit van het financiële stelsel;
- d. het verzamelen van statistische gegevens en het vervaardigen van statistieken op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen;
- e. het uitoefenen van afwikkelingstaken met betrekking tot bepaalde financiële ondernemingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.
De Bank kan de in het eerste lid genoemde taken mede uitvoeren in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.
De Bank kan, na toestemming bij koninklijk besluit, in het algemeen belang zowel in het Europese deel van Nederland als in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba andere taken uitvoeren dan de in deze wet genoemde.
§ 2. Werkzaamheden
Artikel 5
De Bank is bevoegd die werkzaamheden te verrichten die nodig zijn ter uitvoering van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde taken, waaronder met name de werkzaamheden die in deze paragraaf zijn genoemd. De Bank verricht deze werkzaamheden in overeenstemming met het Verdrag.
Artikel 6
De Bank is bevoegd tot het uitgeven van bankbiljetten.
Artikel 7
De Bank is bevoegd de Europese Centrale Bank bij te staan bij het verzamelen van gegevens op de voet van artikel 5 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken.
Artikel 8
De Bank is bevoegd tot het verrichten van transacties in de financiële markten, daaronder het ontvangen van gelden in rekening-courant van rekeninghouders, het in bewaring nemen van effecten en andere voorwerpen van waarde en het verrichten van krediettransacties voorzover deze gedekt zijn door toereikend onderpand.
Rechtshandelingen in verband met transacties, als bedoeld in het eerste lid, zijn niet vernietigbaar op grond van artikel 45 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen 42 en 47 van de Faillissementswet.
Op verzoek van Onze Minister verricht de Bank de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden ten behoeve van de Staat en ten behoeve van instellingen die bij wet of bij koninklijk besluit in het leven zijn geroepen.
Op verzoek van Onze Minister en in afwijking van het eerste lid verstrekt de Bank aan de Staat, telkens wanneer Onze Minister dit nodig acht voor de ordelijke afwikkeling van betalingen ten laste van de Staat, kredieten in rekening-courant, zonder onderpand en tegen een, tussen Onze Minister en de Bank overeen te komen rentevergoeding. De Staat is verplicht deze kredieten af te lossen op de dag waarop zij zijn verstrekt.
Artikel 9
De Bank kan na toestemming bij koninklijk besluit:
- a. deelnemingen houden in het kapitaal van rechtspersonen, van instellingen en van organisaties waarin haar deelname in het kapitaal bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is geregeld;
- b. deelnemen aan de werkzaamheden van rechtspersonen, van instellingen en van organisaties waarin haar deelname in de werkzaamheden bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is geregeld;
- c. in het algemeen belang andere werkzaamheden verrichten dan bedoeld in deze paragraaf.
Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende de vennootschap
Artikel 10
Artikel 153 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de Bank.
Artikel 11
Bepalingen van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die bij toepassing op de Bank strijdigheid opleveren met het Verdrag of de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn niet van toepassing op de Bank. Met het oog op de uitvoering van artikel 131 van het Verdrag worden deze bepalingen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
Artikel 12
De directie van de Bank is belast met het besturen van de Bank. De directie bestaat uit een president en ten minste drie en ten hoogste vijf directeuren.
De president en de directeuren worden voor een periode van zeven jaren bij koninklijk besluit benoemd. Herbenoeming in dezelfde functie kan eenmaal plaatsvinden. Voor elke benoeming wordt door de raad van commissarissen, de directie gehoord, een aanbevelingslijst van in beginsel drie personen opgemaakt.
Voorafgaand aan het opmaken van de aanbevelingslijst stelt de raad van commissarissen, de directie gehoord, een functieprofiel op.
De president en de directeuren kunnen slechts indien zij niet meer voldoen aan de eisen voor de uitoefening van hun functie of indien zij op ernstige wijze zijn tekortgeschoten bij koninklijk besluit worden geschorst of uit hun functie worden ontheven. Ontheffing uit de functie vindt voorts plaats op eigen verzoek.
Onze Minister draagt zorg voor de mededeling in de Staatscourant van de in dit artikel bedoelde koninklijke besluiten.
Met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking van de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, neemt de directie de hoedanigheid van de president als lid van de Raad van bestuur alsmede van de Algemene Raad van de Europese Centrale Bank in acht.
De salarissen en de toezeggingen omtrent het pensioen alsmede regelingen omtrent vergoeding van onkosten van de president en de directeuren worden vastgesteld door de raad van commissarissen en goedgekeurd door Onze Minister.
Artikel 13
De raad van commissarissen bestaat uit ten minste zeven en ten hoogste tien leden.
Eén lid van de raad van commissarissen wordt van overheidswege benoemd voor een periode van vier jaar. Herbenoeming kan plaatsvinden overeenkomstig de statuten van de Bank.
De voorzitter alsmede de andere leden van de raad van commissarissen worden voor een periode van vier jaar benoemd door de aandeelhouders uit een voordracht van in beginsel drie personen voor elke te vervullen plaats, opgemaakt door de raad van commissarissen. Voorafgaand aan het opmaken van de voordracht stelt de raad van commissarissen een functieprofiel op. Herbenoeming kan plaatsvinden overeenkomstig de statuten van de Bank.
Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een daartoe door de vergadering aangewezen ander lid.
De leden van de raad van commissarissen kunnen door degene die hen heeft benoemd worden geschorst of uit hun functie worden ontheven indien zij niet meer voldoen aan de eisen voor de uitoefening van hun functie of op ernstige wijze zijn tekortgeschoten. Ontheffing uit de functie vindt voorts plaats op eigen verzoek.
Met inachtneming van het bepaalde in het Verdrag en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, houdt de raad van commissarissen toezicht op de algemene gang van zaken binnen de Bank en het beleid van de directie ter uitvoering van artikel 4. De raad van commissarissen staat de directie met raad terzijde en stelt de jaarrekening vast. De vastgestelde jaarrekening behoeft de goedkeuring van de aandeelhouders.
Artikel 14
Ten behoeve van Onze Minister kan degene die ingevolge artikel 13, tweede lid, tot lid van de raad van commissarissen is benoemd op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging en met inachtneming van artikel 130 van het Verdrag bij de directie van de Bank gegevens en inlichtingen inwinnen over de wijze waarop de Bank haar taken uitvoert. Hij kan op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging en met inachtneming van artikel 130 van het Verdrag zijn bevindingen aan Onze Minister kenbaar maken.
De directie van de Bank is gehouden de in het eerste lid bedoelde persoon telkens op diens aanvraag al die gegevens en inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke uitoefening van zijn taak als bedoeld in het eerste lid, nodig acht, met uitzondering van gegevens en inlichtingen die ingevolge het Verdrag of de in artikel 4 bedoelde wettelijke regelingen geheim zijn.
Artikel 15
Er is een bankraad, bestaande uit ten minste elf en ten hoogste dertien leden, te weten:
- a. het in het tweede lid van artikel 13 bedoelde lid van de raad van commissarissen;
- b. één door de raad van commissarissen uit hun midden aan te wijzen lid;
- c. ten minste negen en ten hoogste elf leden die steeds voor vier jaar worden benoemd door de bankraad.
De benoeming van leden, bedoeld in het eerste lid onder c, geschiedt uit een aanbevelingslijst van in beginsel twee personen voor elke te vervullen plaats, op te maken door de directie van de Bank, waarbij wordt gestreefd naar representatie van de verschillende maatschappelijke geledingen.
De bankraad benoemt uit zijn midden een voorzitter. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een daartoe door de vergadering aangewezen lid. Het secretariaat wordt vervuld door de Bank.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.