← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Geldende tekst a fecha 2008-02-18

Gelet op artikel 10 van Richtlijn 94/55/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG 94 L 319), op artikel 10 van Richtlijn 95/50/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 1995 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L 249), op artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 en op artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

Besluit:

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat; b. bevoegde autoriteit: 1º. Minister, of 2º. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie; c. richtlijn nr. 94/55/EG: richtlijn nr. 94/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L319); d. richtlijn nr. 95/50/EG: richtlijn nr. 95/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 6 oktober 1996 betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (PbEG L249).

2.

De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de bijlagen 2, 3 en 4 voorzover daarin niet anders is bepaald.

Artikel 2

Bij deze regeling behoren vier bijlagen:

Artikel 3

Met voorwaardelijk tot het vervoer over land toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.

Artikel 4
1.

De door de bevoegde autoriteiten op basis van randnummer 1.5.1.1 van de ADR overeengekomen tijdelijke afwijkingen worden in de vorm van een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie voorgelegd door de bevoegde autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. Van dergelijke afwijkingen doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2.

De afwijkingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1999.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer

Artikel 1. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt, en heeft voorrang boven bijlage 1.

Artikel 2. Implementatie van richtlijn 94/55/EG betreffende
1.

De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van bijlage 1 verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van die bijlage te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2.

De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

3.

Ontheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan bedoeld in de eerste twee leden, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.

Artikel 3. N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten
1.

Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1. van bijlage 1.

2.

Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

3.4.1 N Algemene verpakkingsvoorschriften

Het vervoer van kaliumnitraat, natriumnitraat alsmede natriumnitraat en kaliumnitraat, mengsel met respectievelijk UN-nummers 1486, 1498 en 1499 is niet onderworpen aan de voorschriften van bijlage 1, indien dit geschiedt door landbouwondernemers of hun personeel, tussen hun landbouwbedrijf en daarbij behorende landbouwgronden via redelijkerwijs kortste of snelste route.

3.4.4 N Gelimiteerde hoeveelheden

De kenmerking op de colli, bedoeld in randnummer 3.4.4 c) van bijlage 1 is niet verplicht.

5.2.1 N Opschriften, kenmerking en gevaarsetiketten

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.2.1/5.2.2 N Bestrijdingsmiddelen

Bij vervoer van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in colli zijn opschriften of gevaarsetiketten ingevolge bijlage 1 niet nodig, indien de colli zijn voorzien van opschriften of gevaarsetiketten ingevolge de Richtlijn 78/631/EEG van de Raad van 26 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke bepalingen in de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerk van gevaarlijke preparaten (bestrijdingsmiddelen) (PbEG L 206).

5.4.1.1.1/5.4.1.4 N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument:

6.8.3.2 N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashbord en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.4.1 N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

7.5.7.3 N Openen van verpakkingen
1.
  1. Bij het vervoer van bestrijdingsmiddelen als bedoeld in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, mag het bij het vervoer betrokken personeel daartoe geëigende buitenverpakkingen openen met als doel de binnenverpakkingen af te leveren, op voorwaarde dat:
8.1.2 N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1 N Speciale opleiding van de bestuurder

De verplichting van randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

9.2.3.3 N Reminrichting

Randnummer 9.2.3.3 van bijlage 1 (retarder) is niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1 N Stabiliteit

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan het artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement.

Artikel 4

De volgende N-bepalingen vervallen op 1 januari 2002:

6.8.3.2. N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

Artikel 1. Toepassingsbereik
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

2.

Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, mobiele tank of IBC gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1:

Artikel 3. Tunnelregime
1.

Het is verboden:

2.

De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Naam Weg en plaats Onder
Benelux-tunnel A4 bij Vlaardingen en Hoogvliet Nieuwe Waterweg
Coentunnel A10 in Amsterdam Noordzeekanaal
Drechttunnel A16 tussen Zwijndrecht en Dordrecht Oude Maas
Noordtunnel A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam Noord
Vlaketunnel A58 tussen Kruiningen en Kapelle Kanaal door Zuid-Beveland
Wijkertunnel A9 tussen Beverwijk en Velsen Noordzeekanaal
Zeeburgertunnel A10 in Amsterdam IJ
Naam Weg en plaats Onder
--- --- ---
Botlektunnel A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg Oude Maas
Heinenoord-tunnel A29 tussen Barendrecht en Oud-Beijerland Oude Maas
IJtunnel Stedelijke weg te Amsterdam IJ
Kiltunnel S43 tussen Dordrecht en `s-Gravendeel Dordtse Kil
Maastunnel Stedelijke weg te Rotterdam Nieuwe Maas
Piet Heintunnel Stedelijke weg te Amsterdam Amsterdam-Rijnkanaal
Velsertunnel A22 bij Velsen Noordzeekanaal
Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 Alle stoffen boven
de hoeveelheden als
bedoeld in 1.1.3.6
alsmede vuurwerk
met de UN-nummers
0336 en 0337 met
een totale netto
explosieve massa
van meer dan 20
kilogram
2 letters F, T, TF,
TC, TO, TFC, TOC,
UN 1858, UN 2073
4.1 UN 3221, 3222,
3231,3232
4.2 UN 1366, 1370,
1380, 1381, 2003,
2005, 2445, 2447,
2845, 2870, 3049,
3050, 3051, 3052,
3053, 3076, 3194,
3203
4.3 alle stoffen alle stoffen
5.2 UN 3101, 3102,
3111, 3112
6.1 UN 1092, 1238,
1239, 1259, 1613,
1695, 2334, 2382,
2438, 3294
8 UN 1052, 1744, UN 2502
1786, 1790, 1829,
1831, 2240, 2502,
2817

lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 alle stoffen boven
de hoeveelheden als
bedoeld in 1.1.3.6
alsmede vuurwerk
met de UN-nummers
0336 en 0337 met
een totale netto
explosieve massa
van meer dan 20
kilogram
2 letters F, T, TF, alle stoffen met
TC, TO, TFC, TOC, brandbare (F)
UN 1858, UN 2073 eigenschappen
3 stoffen van stoffen van
verpakkingsgroep I verpakkingsgroep I
en II en II
4.1 UN 3221, 3222,
3231, 3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, UN 1051, 1092,
1143, 1163, 1182, 1098, 1143, 1163,
1185, 1238, 1239, 1182, 1185
1244, 1251, 1259, 1238,1239, 1244,
1613, 1695, 1994, 1251, 1259,1613,
2334, 2382, 2438, 1614, 1695, 1994,
2482, 2484, 2485, 2334, 2382, 2407,
2606, 2929(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1., 2438, 2480, 2482,
3279(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1., 3294 2484, 2485, 2606,
2929()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1., 3279()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1.,
3294
8 alle stoffen alle stoffen alle stoffen

lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden
1.

Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 m, is het niet toegestaan:

2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

Artikel 7. Zout veer
1.

Onder `zout veer' wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

2.

Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3.

Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:

4.

Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met brandbare gassen (F, TF en TFC) van klasse 2 of stoffen van:

5.

Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6.

De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

7.

De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

8.

Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 a. alle stoffen en
vuurwerk met de UN-
nummers 0336 en 0337
met een totale netto
explosieve massa van
meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, alle stoffen met
TC, TO, TFC, TOC, brandbare (F)
UN 1858, alsmede UN eigenschappen
2073
3 1093, 1099, 1100, 1093,1099, 1100,
1106(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1125, 1106(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1125, 1131,
1131, 1154, 1158, 1154, 1158, 1160,
1160, 1162, 1182, 1162, 1182, 1184,
1184, 1194, 1196, 1194, 1196, 1204,
1214, 1221, 1214, 1221, 1228(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,
1228(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1230, 1230, 1235, 1238,
1235, 1238, 1250, 1250, 1277, 1289(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,
1277, 1289(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1296,1297(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1298,
1296, 1297(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1305, 1695, 1717,
1298, 1305, 1695, 1723, 1815, 1922,
1717, 1723, 1815, 1986()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,1988()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,1991,
1921, 1922, 1992, 2266, 2270,
1986()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 1988()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2284, 2333, 2335,
1991, 1992, 2266, 2336, 2353, 2354,
2270, 2284, 2333, 2359, 2360, 2378,
2335, 2336, 2353, 2379, 2383, 2386,
2354, 2359, 2360, 2395, 2396, 2399,
2378, 2379, 2383, 2404, 2411, 2438,
2386, 2395, 2396, 2478(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2481, 2483,
2399, 2404, 2438, 2486, 2493, 2535,
2411, 2478(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2603, 2605, 2622,
2483, 2486, 2493, 2733, 2758, 2760,
2535, 2603, 2605, 2762, 2764, 2772,
2622, 2733, 2776, 2778, 2780,
2758(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2760, 2782, 2784, 2787,
2762, 2764, 2772, 2924(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2945, 2983,
2776, 2778, 2780, 2985, 3024, 3021,
2782, 2784, 2787, 3064, 3079, 3165,
2924(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 2945, 3248(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 3273, 3274,
2983, 2985, 3286, 3346, 3350
3024(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage, 3021,
3079, 3248(**)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage,
3273, 3274, 3286,
3346, 3350
4.1 UN 3221, 3222, 3231,
3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, UN 1051,1092, 1098,
1143, 1163, 1182, 1143, 1163, 1182,
1185, 1238, 1239, 1185, 1238 ,1239,
1244, 1251, 1259, 1244, 1251, 1259,
1613, 1695, 1994, 1613, 1614, 1695,
2334, 2382, 2438, 1994, 2334, 2382,
2482, 2484, 2485, 2438, 2480, 2482,
2606, 2929(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1, 2484, 2485, 2606,
3279(*)Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1, 3294 2929()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1, 3279()Voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1,
3294
6.2 UN 2814, 2900 UN 2814, 2900
(risicogroep 3 + 4) (risicogroep 3 + 4)
8 alle stoffen, alle stoffen alle stoffen
Artikel 8. Pont

Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:

Artikel 9. Kenmerking en etikettering der voertuigen

Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de kenmerking en etikettering die ingevolge randnummer 5.3.1 van bijlage 1 zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.

Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks
1.

In dit artikel wordt verstaan onder ‘kleine mobiele tanks’: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.

2.

De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:

3.

De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.

4.

In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.

5.

De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.

6.

De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:

7.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.

8.

Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.

9.2.3.1. N Reminrichting

Artikel 1

De directeur van de Divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2
1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

2.

Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG.

Artikel 3
1.

De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de directeur of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

2.

De afdeling Gevaarlijke Stoffen en Advies van de Divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat verleent de ontheffing. Informatie over de wegen en de weersomstandigheden verstrekt het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 1. Erkende instanties

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

Randnummer Instanties
1.8.2.2 DGG
1.8.2.3
1.8.3.7
1.8.3.8
1.8.3.10
1.8.3.14
1.8.3.16
2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit,
genoemd in het Handboek beproevingen en criteria
2.2.1.1.3 TNO PML of Defensie,
2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190 laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, TNO PML
genoemd in het Handboek beproevingen en criteria
2.2.41.1.13
2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit,
genoemd in het Handboek beproevingen en criteria
2.2.52.1.8
2.2.62.1.5 LNV of VWS
2.2.62.1.7
2.2.9.1.12 VROM
3.3.1, bijzondere 16 TNO PML of Defensie,
bepaling 178 laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
3.3.1, bijzondere 181 TNO PML
bepaling 237
239
266
3.3.1, bijzondere 268 TNO PML of Defensie,
bepaling laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
3.3.1, bijzondere 271 TNO PML
bepaling 272
278
3.3.1, bijzondere 283 DvhSt
bepaling
3.3.1, bijzondere 288 TNO PML
bepaling 636
3.3.1, bijzondere 645 IVW Divisie Vervoer
bepaling
4.1.4.1, P099 en P101 TNO PML of Defensie,
laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.1.4.1, P200, DvhSt
P201,
P202,
P203
4.1.4.1, P405(2)b), TNO PML of Defensie,
laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.1.4.1, P601 (3) g) TNO Industrie
4.1.4.1, P802 (5) DvhSt
4.1.4.1, P905
4.1.4.2 IBC99 TNO PML
4.1.4.2 IBC520
4.1.4.2 LP99
4.1.4.4 PR6 DvhSt
4.1.5.15 TNO PML of Defensie,
4.1.5.18 laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.1.7.2.2 TNO PML
4.1.10.4, MP21 TNO PML of Defensie,
laatstgenoemde voor zover
het betreft classificatie
van uitsluitend voor de
krijgsmacht bestemde
munitie en toelating van
de verpakking ervan
4.2.1.7 RDW/DvhSt/Klassenbur
4.2.1.9.1
4.2.1.13.1 RDW in overeenstemming met DGC
4.2.1.13.3 TNO PML
4.2.3.7.1 RDW/DvhSt
4.2.4.1.1
4.2.4.3, TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 RDW/DvhSt/Klassenbureau
4.3.2.1.5, voetnoot 2 RDW/DvhSt
4.3.3.2.5
5.2.2.1.9 TNO PML
5.5.1.2 LNV of VWS
5.5.1.3
6.1.1.2 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.1.1.4
6.1.3.1 TNO Industrie
6.1.3.3
6.1.4.8.8 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.1.4.13.7
6.1.5.1.1 TNO Industrie
6.1.5.1.3
6.1.5.1.5
6.1.5.1.10
6.1.5.2.5
6.1.5.9.2
6.2.1.1.2 SZW
6.2.1.4.1 DvhSt
6.2.1.4.2
6.2.1.4.3
6.2.1.4.5
6.2.1.5.1
6.2.1.5.2
6.2.1.6.1
6.2.3
6.2.3.2.2
6.3.1.1 TNO Industrie
6.3.2.7
6.5.1.1.2 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.5.1.1.3 TNO Industrie
6.5.1.6.1 TNO Industrie in overeenstemming met DGG
6.5.1.6.4 TNO Industrie
6.5.1.6.6
6.5.2.1.1
6.5.2.2.3
6.5.2.2.4
6.5.4.1.1
6.5.4.2.1
6.5.4.2.2
6.5.4.3.4
6.5.4.13.2
6.5.4.14.1
6.6.1.2 TNO Industrie in overeenstemming met met DGG
6.6.3.1 TNO Industrie
6.6.5.1.1
6.6.5.1.3
6.6.5.1.5
6.6.5.1.7
6.6.5.1.8
6.6.5.4.3
6.7.1.2 RDW/DvhSt
6.7.2.2.1 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.7.2.2.14
6.7.2.3.1 RDW/DvhSt
6.7.2.3.3.1
6.7.2.4.3 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.7.2.6.2
6.7.2.6.3
6.7.2.6.4
6.7.2.7.1
6.7.2.8.3
6.7.2.10.1
6.7.2.12.2.4
6.7.2.18.1
6.7.2.19.5
6.7.2.19.9
6.7.2.19.10
6.7.3.2.1 RDW/DvhSt
6.7.3.2.11
6.7.3.3.3.1
6.7.3.7.3
6.7.3.8.1.2
6.7.3.14.1
6.7.3.15.3
6.7.3.15.5
6.7.3.15.9
6.7.3.15.10
6.7.4.2.1
6.7.4.2.8.1
6.7.4.2.8.2
6.7.4.2.14
6.7.4.3.3.1
6.7.4.5.10
6.7.4.6.4
6.7.4.7.4
6.7.4.13.1
6.7.4.14.3
6.7.4.14.6 b)
6.7.4.14.10 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.7.4.14.11
6.8.2.1.4 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.8.2.1.16
6.8.2.1.19
6.8.2.1.20 RDW/DvhSt
6.8.2.1.23 RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.8.2.2.2
6.8.2.3.1
6.8.3.2.16 RDW/DvhSt
6.8.3.2.24
6.8.3.4.4
6.8.3.4.6 b) RDW/DvhSt/Klassenbureau
6.8.3.4.12
6.8.3.7 RDW/DvhSt
6.8.4 TE1 RDW
6.8.4 TA2 RDW in overeenstemming met TNO/PML
6.8.5.2.2 RDW/DvhSt
6.9.1.1 RDW
6.9.2.1
6.9.2.13
6.9.2.14.4
6.9.2.14.5
6.9.4.2.4
6.9.4.4.1
6.9.5.3
7.3.3, VV12 VV13 RDW
7.5.2.2 voetnoot a)
8.2.1.1 CCV
8.2.1.2
8.2.1.5
8.2.1.7
8.2.1.8
8.2.1.9
8.2.2.4.2
8.2.2.6.1
8.2.2.6.4
8.2.2.6.5
8.2.2.6.7
8.2.2.7.1.3
8.2.2.7.1.5
8.2.2.8.3
9.1.2
9.1.2.1.2 RDW
Artikel 2
1.

In tabel 1 wordt verstaan onder:

a. BZK: 1º. Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2º. ten aanzien van de inspectie: een ieder die een erkenning heeft van de Vereniging van Beveiligingsondernemingen in Nederland (VBON) op grond van de regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen (REOB); b. CCV: zelfstandige divisie van de Stichting CBR; c. Defensie: Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van Defensie; d. DGG: Minister, namens hem hoofd van de afdeling Lading en Risicobeleid van het Directoraat-Generaal Goederenvervoer; e. DvhSt: Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie; f. IVW Divisie Vervoer: Minister, namens deze de directeur-hoofdinspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Vervoer; g. klassenbureau: privaatrechtelijke organisatie die keuringen van tankcontainers of transporttanks uitvoert in opdracht van de fabrikant, de eigenaar of de gebruiker van tankcontainers of transporttanks en die is erkend overeenkomstig artikel 4 van deze bijlage; h. LNV: Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; i. RDW: Dienst Wegverkeer; j. RDW/DvthSt: 1º. Dienst Wegverkeer, of 2º. Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie; k. RDW/DvhSt/Klassenbureau: 1º. Dienst Wegverkeer, 2º. Dienst voor het Stoomwezen of een door deze dienst aangewezen deskundige of instantie, of 3º. klassenbureau, voor zover het betreft tankcontainers of transporttanks voor gevaarlijke stoffen, met uitzondering van gassen van klasse 2 (behoudens de dichtheidsproef); l. SEV: Stichting Exameninstituut Veiligheidsadviseur; m. SZW: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; n. TNO PML: Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO Prins Maurits Laboratorium); o. TNO Industrie: Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek; p. VROM: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; q. VWS: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

3.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel e, gelden indien wordt verwezen naar voorschriften of bepalingen, de normen van de Dienst voor het Stoomwezen.

Artikel 3
1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

2.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft de CCV toepassing aan tabel 2.

ADR-randnummer bevoegdheid van de CCV overeenstemming vooraf Informatie achteraf
8.2.1.2 Afgifte X
8.2.14 + 8.5; S1, vakbekwaamheidscertificaten
S11, S12 volgens model B.6 en
8.2.21 aantekening
8.2.1.2 herhalingscursus
8.2.15
8.2.18
8.2.19
8.2.1.2 inhoudelijke eisen X
8.2.1.3 opleiding: vaststellen
8.2.1.4 eindtermen
8.2.2.3.1
8.2.2.3.2
8.2.2.3.3
8.2.2.3.4
8.2.2.3.5
8.2.2.6.1 goedkeuren van de X
8.2.2.6.4 opleidingen; vaststellen
8.2.2.6.5 van erkenningsrichtlijn
8.2.2.7.1.3 eisen aan examens en wijze X
8.2.2.7.1.6 van examineren: opstellen
van examenrichtlijn en
afnemen examen
Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden
1.

De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan de CCV.

2.

Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door de CCV, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

3.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.

4.

Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.

5.

De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.

6.

De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

7.

De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Normatieve Verwijzingen

Artikel 2

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.

EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.

EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.

EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.

EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.

EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.

EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.

EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.

EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.

EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).

IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.

§ 3. Dimensionering

Artikel 3
1.

Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

2.

Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 4

De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.

Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4
1.

Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

Hoofdstuk IV. Tanks

§ 4. Constructie

Artikel 6

Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.

§ 2. Beoordelingsnormen/Codes

Artikel 7
1.

Bij tanks wordt ter vaststelling van:

2.

De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.

3.

Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.

Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.

4.

Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.

5.

Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).

Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4

Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:

Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6
1.

Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:

2.

Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:

3.

Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.

Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:

Artikel 11. rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid
1.

Een lasser wordt als gediplomeerd in de zin van de bijlagen 1 en 2 beschouwd indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

2.

De lasmethodekwalificatie voldoet aan de voorschriften daaromtrent in de voor het ontwerp van de tanks toegepaste code of, bij ontbreken daarvan, aan de van toepassing zijnde delen van de norm EN 288.

§ 3. Dimensionering

Artikel 12
1.

rn. 6.8.2.1.14 onder (a), lagedruk-tanks

a. Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.

b. Bij een compartimentsinhoud groter dan 15000 liter wordt van de belaste bodem(s) door middel van beproeving dan wel berekening aangetoond dat deze de onder a. genoemde kracht kan (kunnen) opnemen.

2.

rn. 6.9

Van tanks vervaardigd uit glasvezelversterkte kunststof mag de waterinhoud ten hoogste 10.000 liter bedragen.

Artikel 13. klassen 3, 4.1 5.1, 6.1, 6.2, 8 en 9, vloeistoffen
1.

Met uitzondering van voertuigen voor het vervoer van afvalstoffen overeenkomstig rn. 6.10 wordt ter beoordeling van de maximaal toelaatbare massa's van het voertuig in relatie tot de waterinhoud van de tank in principe uitgegaan van de waarden, aangegeven in onderstaande tabel:

Klasse(n) 3, 4.1, 5.1, 6.1, 6.2, 8, 9 8
Vulpercentage 95 95
Soortelijke massa 0,7 1,2
2.

In afwijking van het eerste lid is bij tanks, welke speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één of meer met name genoemde stoffen, de laagste soortelijke massa van deze stof(fen) bepalend.

3.

Bij tanks die als zogenaamde twee-stoffentanks zijn ontworpen en ingericht is bepalend de gezamenlijke waterinhoud van de compartimenten die gelijktijdig zijn gevuld.

4.

Indien een voertuig voor het vervoer van stoffen van de klassen 3, 4.1, 5.1, 6.1, 6.2, 8 en 9 is voorzien van één enkele tank, bestaande uit één compartiment, welke zodanig is ingericht dat deze op grond van rn. 4.3.2.2.4 uitsluitend voor ten minste 80% of ten hoogste 20% gevuld, wordt ter bepaling van de maximaal toelaatbare inhoud van de tank de in de tabel voor stoffen van klasse 8 vastgestelde soortelijke massa 1,2 aangehouden, echter bij een vulpercentage van 80.

Artikel 14. tanks overeenkomstig rn. 6.10

Bij voertuigen, uitgerust met druk-vacuümtanks overeenkomstig rn. 6.10 wordt in principe uitgegaan van de volgende waarden:

Artikel 15. klasse 2
1.

Bij tanks voor het vervoer van een vloeibaar gemaakt gas van klasse 2 is voor het bepalen van de maximaal toelaatbare tankinhoud het door de directeur dan wel Stoomwezen B.V. vastgestelde maximumvulgewicht bij de maximumvullingsgraad maatgevend.

2.

Indien de tank is bestemd voor het vervoer van meer dan één gas zal het maximumvulgewicht van de lichtste gassoort bepalend zijn.

§ 4. Constructie

Artikel 16. lasverbindingen
1.
  1. Kruisende lasnaden in de tankwand zijn niet toegestaan. Ter voorkoming hiervan zijn de volgende methoden toegestaan:
2.

Het eerste lid is niet van toepassing op lasnaden van versterkingsringen, dubbelplaten en dergelijke die lasnaden in de tankwand kruisen.

Artikel 17. rn.. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot

Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.

Artikel 18. scharnierende tank
1.

Met uitzondering van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.

2.

In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:

Artikel 19. scharnierende eindbodem

Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van de bijlagen 1 en 2 mogen niet met een scharnierende eindbodem zijn uitgerust .

Artikel 20. rn.. 6.10 explosiebestendige tank
1.

Voor de constructie van een explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:

2.

In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.

Artikel 21. bovenlossing
1.

Bij tankvoertuigen voor het vervoer van stoffen waarbij in de bijlagen 1 en 2 bovenlossing is voorgeschreven, is elk tankcompartiment voor bovenlossing ingericht. In het keuringsdocument is aangetekend: dit voertuig is zodanig ingericht, dat de lading alleen via de bovenzijde van de tank kan worden gelost.

2.

Bij tankvoertuigen welke als zogenaamde twee-stoffentankwagens zijn ontworpen en ingericht, zijn alleen die tankcompartimenten voor bovenlossing ingericht waarin stoffen worden vervoerd waarbij in de bijlagen 1 en 2 bovenlossing is voorgeschreven.

Artikel 22. binnenbekleding
1.

Bij elke metalen tank waarvan het tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse, alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.

2.

Indien de binnenbekleding uitsluitend is aangebracht om de zuiverheid van de lading te waarborgen, is de bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen maatgevend.

3.

Van het, in het eerste en tweede lid genoemde, toe te passen bekledingsmateriaal, wordt ter beoordeling door de directeur de compatibiliteit met het tankmateriaal, zoals de hechtingseigenschappen, aangetoond.

4.

Naast het bepaalde in het eerste lid, wordt bij tanks vervaardigd van aluminiumlegeringen de mate van bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen aangetoond, waaraan in elk geval is voldaan indien op basis van algemene bestendigheidslijsten, zoals van de fabrikant van het tankmateriaal, wordt aangetoond dat aantasting van de aluminiumlegering door de te vervoeren stof slechts in beperkte mate is te verwachten.

Artikel 23. rn.. 6.8.2.2.4 mangaten

Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 450 mm.

§ 5. Bescherming

Artikel 24. rn.. 9.7.6 stootbalk algemeen
1.

Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm³.

2.

Indien de in het Voertuigreglement genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.

3.

(apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.

4.

Indien de tank niet is voorzien van de in rn. 6.8.2.2.2 genoemde eindafsluiter aan het einde van elke vul- en losleiding, bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging van de stootbalk om de zwakste doorsnede ten minste 30 cm3.

5.

Indien de tank:

mag de stootbalk aan de betreffende achterbodem zijn bevestigd mits de stootbalk ten minste 10 cm achter het achterste punt van elke vul- en losleiding is gelegen.

6.

(stootbalk bij tanks met isolerende bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen (gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de isolatie ten minste 50 mm bedraagt.

Artikel 25. bescherming tegen beschadiging bij botsingen
1.

Uitwendig tegen de zijkant, de voorbodem en de achterbodem van tanks aangebrachte uitrustingsdelen zijn zodanig bevestigd of beschermd dat geen gevaar bestaat dat de tank tengevolge van op de betreffende uitrustingsdelen uitgeoefende krachten wordt beschadigd.

2.

Bij tanks met cilindrische of elliptische doorsnede en met een isolerende ommanteling waarvan de versterkende elementen niet geheel voldoen aan het bepaalde in rn. 6.8.2.1.20, of de dichtheid van het isolatiemateriaal niet voldoet aan het bepaalde in rn. 6.8.2.1.20 wordt de bescherming van de tank geacht gelijkwaardig te zijn, indien de constructie aan de navolgende voorschriften voldoet:

3.

Bij tanks met cilindrische doorsnede, bedoeld voor het vervoer van poeder- of korrelvormige stoffen, mag de wanddikte worden bepaald overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19, indien de bescherming bestaat uit een plaatselijke versterking van de tankwand tot een dikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.18, aangebracht rondom en ter hoogte van de horizontale middellijn van de tank, met een hoogte van ten minste 30 cm.

Artikel 26. rn. 6.8.2.1.28 en 6.8.2.2.1 bescherming van
1.

(beschermende kappen, zoals morsbakken) Indien beschermende kappen worden toegepast, omvatten deze alle onderdelen van de bedrijfsuitrusting. De wanddikte bezit ten minste de volgende waarden:

2.

(langsbalken, zoals camouflageranden) Indien als bescherming op de bovenzijde van de tank langsbalken worden toegepast, voldoet de constructie daarvan aan de volgende voorschriften:

3.

(rolbeugels) Indien ter bescherming van de bedrijfsuitrusting rolbeugels worden toegepast, voldoen deze aan de volgende voorschriften:

Artikel 27. rn. 6.8.4 TE 19 appendages aan de onderzijde
1.

Ter bepaling van de in rn. 6.8.4 TE 19 voorgeschreven maat van 200 mm worden als meest uitstekende deel van de tank uitsluitend de tankwand, ononderbroken versterkingsringen of langsbalken ter bescherming van de tank aangemerkt.

2.

Indien de plaatsing van een beschermend profiel is voorgeschreven, is deze uitgevoerd als beugel die aan de volgende voorschriften voldoet:

Artikel 28

Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor uitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:

is deze kunststof vlamdovend uitgevoerd, waaraan geacht wordt te zijn voldaan indien monsters zijn beproefd in overeenstemming met ISO-norm 3759:1989

§ 6. Uitrusting

Artikel 29. tanks overeenkomstig rn. 6.10, scharnierende
1.

Scharnieren van tankbodems zijn nastelbaar uitgevoerd.

2.

Knevels ten behoeve van de sluiting van de tankbodem voldoen aan de volgende voorschriften:

Artikel 30. rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen
1.

Van tubelures in de tankwand ter bevestiging van uitrustingsdelen en van doorvoerbuizen door de tank komt de wanddikte ten minste overeen met de hierna te noemen waarden:

2.

Tubelures die aan de buitenzijde van de tank zijn aangebracht, zijn zo kort mogelijk uitgevoerd.

3.

Bij tanks met een gereduceerde wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19 zijn, met uitzondering van tubelures op een mangatdeksel voor het afwisselend aansluiten van een drukluchtlosslang, een vacuümventiel of een blinddop, appendages bevestigd op inlasflenzen in de tankwand.

4.

Indien een uitwendige leiding vast op een afsluiter op de tank is aangesloten, zijn beschermende voorzieningen getroffen om te voorkomen dat tengevolge van een ongeval, hierop uitgeoefende krachten tot ondichtheid van de tank leiden.

Artikel 31. rn.. 6.8.2.2.2 opening voor schoonmaakdoeleinden
1.

De doorlaatopening bedraagt ten hoogste 100 mm.

2.

De opening is uitsluitend uitgevoerd als blokflens, welke rechtstreeks in de tankwand is gelast.

3.

De opening is uitsluitend door middel van een blindflens afgesloten.

Artikel 32. morsbakken

Indien geïsoleerde tanks van morsbakken zijn voorzien, zijn de verbindingslassen van de morsbak met de tankwand vloeistofdicht uitgevoerd en zijn de afvoerpijpen deugdelijk aan de morsbak bevestigd.

Artikel 33. rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en met d en 6.8.2.2.6
1.

in de overdruklosinstallatie

2.

op de tank

3.

drukken

Artikel 34. rn.. 6.8.2.1.7 en 6.8.2.2.3 beveiliging tegen
1.

Van ventielen, bedoeld als bescherming tegen de gevolgen van optredende onderdruk in de tank is de openingsdruk niet hoger dan de berekeningsdruk bij uitwendige overdruk van de tank, waarbij de laatste niet lager dan 10 kPa (0,1 bar) is.

2.

Indien uit de berekening blijkt dat de tank bestand is tegen een uitwendige overdruk van 30 kPa (0,3 bar) of meer, behoeven geen onderdrukventielen te worden toegepast.

Artikel 35. rn. 6.8.2.1.14 onder a en b, beluchtings-

De in artikel 41 bedoelde beluchtings- en ontluchtingsinrichtingen worden uitsluitend toegepast op tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) en (b) waarvoor de voorgeschreven beproevingsdruk minder dan 400 kPa (4 bar) bedraagt.

Artikel 36. rn.. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen

Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 61°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.

Artikel 37. rn. 6.10.3.8 onder b, pomp- / afzuiginrichting:

Bij toepassing van pomp- / compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:

Artikel 38. rn. 6.8.2.2.2 bedieningsinrichting van de

Naast het bepaalde in rn. 6.8.2.2.2 wordt eveneens geacht aan de controleerbaarheid van de stand (open of dicht) te zijn voldaan, indien bepaalde voor het wegrijden noodzakelijke handelingen zoals het sluiten van een meterkastluik, het uitschakelen van de p.t.o. of de parkeerreminrichting ofwel slechts mogelijk zijn indien bedoelde appendages zijn gesloten, dan wel het sluiten van bedoelde appendages tot gevolg hebben.

Artikel 39. ventilatieopeningen in appendageruimten

Indien de laad- en losinrichtingen zijn aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van ventilatieopeningen. Deze zijn in de bodem of zo laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren ruimte.

Artikel 3

Artikel 40
1.

De hierna genoemde uitrustingsdelen zijn, voor zover zij zijn voorgeschreven of aanwezig zijn, door de directeur als type goedgekeurd, overeenkomstig de artikelen 83 tot en met 85:

De uitvoering van genoemde uitrustingsdelen voldoet aan de artikelen 41 tot en met 45, onderdeel d, 46 en 47.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op uitrustingsdelen van tanks, als bedoeld in artikel 6 en op uitrustingsdelen voor toepassing op voertuigen met tanks voor bijzondere doeleinden, zoals druk-vacuümtanks overeenkomstig rn. 6.10 van de bijlagen 1 en 2.

3.

Op verzoek kan ook voor mangatdeksels van andere tanks een typegoedkeuring worden verleend.

De constructie van mangatdeksels, waarvoor geen typegoedkeuring wordt aangevraagd, wordt per geval beoordeeld

Artikel 41. rn.. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen overeenkomstig
1.

Ontluchtingsinrichtingen zijn uitgevoerd als:

2.

In gekantelde toestand van de tank is de dichtheid gewaarborgd tot een druk tussen 25 en 30 kPa (0,25 en 0,3 bar).

3.

Indien een ontluchtingsventiel is uitgevoerd als kipventiel bedraagt de openingsdruk in de normale bedrijfsstand ten hoogste 30 kPa (0,3 bar); een lagere openingsdruk of een open verbinding is toegestaan, mits aan het tweede lid is voldaan.

4.

Bij ontluchtingsinrichtingen waarbij tijdens het rijden of het behandelen van de lading een open verbinding tussen de tank en de buitenlucht aanwezig is, is de in artikel 36 bedoelde bescherming tegen vlaminslag bestand tegen een explosie en lang aanhoudende brand.

5.

De bescherming tegen vlaminslag is zodanig geplaatst of beschermd, dat beschadiging zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 42. overdrukventielen

Overdrukventielen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b:

openingsdruk: capaciteit:
max.200 kPa (2 bar) 75 Nm³/uur
meer dan 200 kPa (2 bar) 125 Nm³/uur
Artikel 43. bodemafsluiters

Bodemafsluiters als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel c:

Artikel 44. eindafsluiters

Eindafsluiters als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel d:

Artikel 45. mangatdeksels
1.

Mangatdeksels:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt bij toepassing van andere metalen de vereiste minimumwaarde van de wanddikte van het mangatdeksel vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsformule, vermeld in rn. 6.8.2.1.18.

3.

In afwijking van het eerste lid, onder d, worden indien uit meerdere delen samengestelde (gelaste) knevelbouten worden toegepast bij een werkdruk van meer dan 200 kPa (2 bar) 6 exemplaren toegepast.

Artikel 46. identificatiekenmerken
1.
  1. Uitrustingsdelen zijn voorzien van de volgende, duidelijk en duurzaam aangebrachte kenmerken:
2.

Indien de in het eerste lid bedoelde kenmerken niet van fabriekswege op de appendages aanwezig zijn, worden deze alsnog door de fabrikant of de importeur aangebracht, rechtstreeks of op een corrosiebestendig plaatje, hetwelk op duurzame wijze, bij voorbeeld door middel van lassen of klinken op het appendage wordt bevestigd.

3.

De identificatiekenmerken op de appendages worden op een zodanige plaats aangebracht dat deze leesbaar zijn, indien de appendages zijn gemonteerd.

Artikel 47. materiaalaanduiding

Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.

Artikel 48. verzegeling
1.
  1. Druk-instelbare ontluchtingsinrichtingen, beluchtingsinrichtingen, al dan niet gecombineerd, alsmede afblaasventielen zijn van een gewaarmerkte verzegeling voorzien, welke aan de volgende voorschriften voldoet:
2.
  1. Indien de verzegeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, namens de directeur wordt aangebracht door een gebruiker, geschiedt dit onder de volgende voorwaarden:

Hoofdstuk VI. Chassis

Artikel 49. één-assige aanhangwagens

Eén-assige en meerassige middenas-aanhangwagens zijn uitsluitend toegestaan voor het vervoer van vaste (poeder- of korrelvormige) stoffen.

Artikel 50. steunpoten
1.

Indien een oplegger is voorzien van in hoogte verstelbare parkeersteunen (steunpoten) zijn de constructie, de bevestiging en de toegepaste draag-/hefinrichting:

2.

Het draagvermogen is op een duurzame identificatieplaat aangegeven.

3.

Indien een oplegger niet is voorzien van steunpoten is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger te kunnen afkoppelen.

Artikel 51. tankbevestiging
1.

Afneembare tanks zijn met ten minste vier bouten M16 van kwaliteit 8.8 of met ten minste gelijkwaardige bevestigingsmiddelen, zoals zelfborgende twist-locks, aan de tankbevestigingspunten van het voertuig vastgezet.

2.

De tankbevestigingspunten zijn met behulp van een profielconstructie deugdelijk met het voertuigchassis verbonden.

Artikel 1

Artikel 52. rn.9.2.4.2.1 EX/II- en EX/III-voertuigen
1.

De beproeving van de brandbaarheid van de in rn. 9.2.4.2.1 gespecificeerde onderdelen van de bestuurderscabine wordt uitgevoerd onder toezicht van de directeur, dan wel door een door de directeur aangewezen onafhankelijke deskundige.

2.

Indien de beproeving door of onder toezicht van een onafhankelijk deskundige plaatsvindt, blijkt het resultaat uit door deze deskundige gewaarmerkte beproevingscertificaten.

Artikel 53. rn. 9.2.4.7 verwarmingsinrichtingen
1.

Een onafhankelijk van de motor werkende olie- of gaskachel ter verwarming van het koelwater of de cabine wordt door de directeur toegelaten, waarbij:

2.
  1. Bij de inbouw van de in het eerste lid bedoelde verwarmingsinrichting wordt de voor de verbranding benodigde lucht niet vanuit de cabine betrokken en is het brandstofreservoir niet in de cabine aangebracht.
3.

De in de cabine aangebrachte kachel voldoet tevens aan de onderstaande voorschriften:

4.
  1. Bij inbouw van een gaskachel wordt behalve aan het in het tweede lid bepaalde aan de volgende voorschriften voldaan:

Hoofdstuk I Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,

Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 55 tot en met 58 voldaan.

Artikel 55. rn.. 9.2.4.4 en 9.3.5
1.

Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:

2.

Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.

Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,
1.

De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.

2.

De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.

Artikel 57. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6
1.

Aan het bepaalde in rn.'s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:

2.

de uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:

3.

bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:

4.

bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-) containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:

5.

in verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.

Artikel 58. verticaal gerichte uitlaat
1.

Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:

2.

Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.

3.

Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Artikel 59. rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5

Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:

§ 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)

Artikel 60. rn. 9.2.2.2.1 zekeringen

Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:

Artikel 61

Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 60, aan de volgende voorschriften:

Artikel 62. rn.. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3

Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 wordt daarbij aan de volgende voorschriften voldaan:

Artikel 63. rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar
1.

Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu's een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.

2.

Indien een voertuig is uitgerust met extra accu's ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:

3.

De bedieningsinrichting van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.

Hoofdstuk X. Laadruimte EX/II-voertuigen

Artikel 64. rn.9.3.3 afsluitbaarheid

Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.

Artikel 3

Artikel 65. rn.. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat

De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:

Artikel 66. rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk

Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.

Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12
1.

Op een voertuig zijn van buitenaf duidelijk leesbaar aangegeven de naam van de eigenaar of houder in letters van ten minste 35 mm hoogte.

2.

De letter- en cijferhoogte van alle andere in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt ten minste 15 mm.

3.

Bij vervoer van vloeibaar gemaakte gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld met het hoogst toelaatbare vulpercentage.

4.

De voorgeschreven opschriften zijn op een goed waarneembare plaats aangebracht en niet op het chassis van het voertuig.

5.

Bij een voertuigcombinatie zijn elk der samenstellende voertuigen van de in het eerste lid bedoelde opschriften voorzien; de in het tweede lid bedoelde opschriften worden op het voertuig aangebracht dat de lading bevat.

Artikel 68
1.

Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar, zowel aan de buitenzijde van het voertuig als in de cabine, is het opschrift `hoofdschakelaar' in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 67 is het voor de buitenzijde voorgeschreven opschrift met een letterhoogte van ten minste 10 mm uitgevoerd.

Artikel 4

§ 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)

Artikel 69

Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.

Artikel 70

De overgelegde gegevens worden getoetst aan de VLG.

Artikel 71

De directeur deelt de goedkeuring van het ontwerp schriftelijk mede aan de ondernemer.

Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 72

Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.

Artikel 73

Indien tijdens de nieuwbouw of de wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring voorgedragen.

Artikel 74

Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.

Artikel 7

Artikel 75

Bij de in artikel 69 bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld volgens een door de directeur vastgesteld model gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.

Artikel 7

Artikel 76

De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):

Artikel 77

Alle tekeningen:

§ 1. Beoordelingsnormen/Codes

Artikel 78

Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:

Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4

Artikel 79

De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:

Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4

Artikel 80

In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:

Artikel 7 rn. 6.8.2.1.4/6.8.2.7

Artikel 81

Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.

Artikel 82

De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:

Artikel 83

De in artikel 82, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.

Artikel 84

Indien de in artikel 82 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.

Artikel 12

Artikel 13. klassen 3, 4.1 5.1, 6.1, 6.2, 8 en 9, vloeistoffen

Artikel 85

Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:

Artikel 86

Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.

Artikel 87

De keuringsdatum wordt vastgesteld nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.

Artikel 88

In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.

Artikel 89

De keuringen en beproevingen worden slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.

Artikel 90

Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:

Artikel 91

Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.

Artikel 92

Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.

Artikel 93

Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:

Artikel 94
1.

Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 93 bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.

2.

In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.

Artikel 95
1.

Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.

2.

Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat de veiligheid van degene die de tank inwendig inspecteert, is gegarandeerd. In het certificaat is ten minste aangegeven:

3.

Het in het tweede lid genoemde certificaat is opgemaakt door een deskundige, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder v van het Veiligheidsbesluit Tankschepen, van een door het Directoraat Generaal van de Arbeid erkende rechtspersoon.

4.

Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9003, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.

5.

Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:

Artikel 96

Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.

Artikel 12 klasse 2

Artikel 97. rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.
1.

Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin is vermeld:

Artikel 98

Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.

Artikel 99

De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).

Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.

Artikel 100

Bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht gevaar oplevert.

Artikel 101. rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef
1.

De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.

2.

Indien de tank is voorzien van een ontluchtings- en veiligheidsinrichting die voorkomt dat de inhoud uit de tank ontsnapt, wordt de dichtheidsproef verricht bij een inwendige druk welke ten minste gelijk is aan de openingsdruk van deze voorziening.

Artikel 26. rn. 6.8.2.1.28 en 6.8.2.2.1 bescherming van

Artikel 102

Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:

Artikel 103. proefpersing
1.

Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:

2.

Bij de proefpersing is de tank:

Artikel 15 scharnierende tank

Artikel 104

Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.

Artikel 105

Het onderzoek naar de in- en uitwendige toestand omvat tevens een onderzoek naar de bedrijfsuitrusting van de tank.

Artikel 106

Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 107
1.

De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).

2.

Per compartiment wordt de hydraulische proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de stempelplaat aangegeven werkdruk.

3.

Indien de beproeving per compartiment plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving, behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten niet te zijn geledigd

Artikel 17 rn. 6.10 explosiebestendige tank

Artikel 108

De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.

Artikel 109

Het niet ontvangen van de in artikel 110 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.

Artikel 110

Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:

Artikel 111
Artikel 112. rn. 6.8.2.4.4

Indien een schademelding overeenkomstig artikel 5 heeft plaatsgevonden, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:

Hoofdstuk XIV. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 113

Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.

Artikel 114

De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.

Artikel 115

De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 (R.V.L.G. '85) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.

Artikel 116

De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 (R.V.L.G. '78) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.

Bijlage 2. , bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Aanvullende Voorschriften

Artikel 1. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt, en heeft voorrang boven bijlage 1.

Artikel 2. Implementatie van richtlijn 94/55/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg
1.

De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van bijlage 1 verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van die bijlage te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2.

De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de afzender, de vervoerder of de geadresseerde, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

3.

Ontheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.

Artikel 3. N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

1.5.1.1 N Multilaterale overeenkomsten

1.

Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.

2.

Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

5.2.1 N Opschriften, kenmerking en gevaarsetiketten

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

5.4.1.4 N Vervoerdocument

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.

6.8.3.2 N Uitrusting van tankwagens voor propaan, butaan en mengsels daarvan

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashbord en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.4.1 N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

8.1.2 N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1 N Speciale opleiding van de bestuurder

De verplichting van randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

9.2.3.1 N Reminrichting

Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1 N Stabiliteit

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement.

Artikel 2. Implementatie van richtlijn nr. 94/55/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Artikel 1. Toepassingsbereik
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

2.

Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, mobiele tank of IBC gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1:

Artikel 3. Tunnelregime
1.

Het is verboden:

2.

De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Naam Weg en plaats Onder
Beneluxtunnel A4 bij Vlaardingen en Hoogvliet Nieuwe Waterweg
Coentunnel A10 in Amsterdam Noordzeekanaal
Drechttunnel A16 tussen Zwijndrecht en Dor- drecht Oude Maas
Noordtunnel A15 tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam Noord
Sijtwendetunnel N14 te Leidschendam-Voorburg Stadsgebied Leidschendam-Voorburg
Thomassentunnel N15 te Rotterdam Calandkanaal
Vlaketunnel A58 tussen Kruiningen en Kapelle Kanaal door Zuid-Beveland
Westerscheldetunnel N62 tussen Terneuzen en Goes Westerschelde
Wijkertunnel A9 tussen Beverwijk en Velsen Noordzeekanaal
Zeeburgertunnel A10 in Amsterdam IJ
Naam Weg en plaats Onder
--- --- ---
Botlektunnel A15 tussen Hoogvliet en Rozenburg Oude Maas
Heinenoordtunnel A29 tussen Barendrecht en Oud-Beijerland Oude Maas
IJtunnel Stedelijke weg te Amsterdam IJ
Kiltunnel S43 tussen Dordrecht en 's-Gravendeel Dordtse Kil
Maasboulevard Stedelijke weg te Maastricht Stadgebied Maastricht
Maastunnel Stedelijke weg te Rotterdam Nieuwe Maas
Piet Heintunnel Stedelijke weg te Amsterdam Amsterdam-Rijnkanaal
Velsertunnel A22 bij Velsen Noordzeekanaal
Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC
4.1 UN 3221, 3222, 3231, 3232
4.2 UN 1366, 1370, 1380, 1381, 2003, 2005, 2445, 2447, 2845, 2870, 3049, 3050, 3051, 3052, 3053, 3076, 3194, 3203
4.3 alle stoffen alle stoffen
5.2 UN 3101, 3102, 3111, 3112
6.1 UN 1092, 1238, 1239, 1259, 1613, 1695, 2334, 2382, 2438, 3294
8 UN 1052, 1744, 1786, 1790, 1829, 1831, 2240, 2502, 2817 UN 2502
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
--- --- --- ---
1 alle stoffen en voorwerpen boven de hoeveelheden als bedoeld in 1.1.3.6 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen
3 stoffen van verpakkingsgroep I en II stoffen van verpakkingsgroep I en II
4.1 UN 3221, 3222, 3231, 3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929, 3279, 3294 UN 1051, 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1614, 1695, 1994, 2334, 2382, 2407, 2438, 2480, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929 3279, 3294
8 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen
Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

Artikel 6. Weersomstandigheden
1.

Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 m, is het niet toegestaan:

2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

Artikel 7. Zout veer
1.

Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

2.

Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3.

Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:

4.

Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met brandbare gassen (F, TF en TFC) van klasse 2 of stoffen van:

5.

Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6.

De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

7.

De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

8.

Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Klasse Vervoer in tanks Losgestort vervoer Vervoer in colli in hoeveelheden groter dan 1.1.3.6
1 a. alle stoffen en b. vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram
2 letters F, T, TF, TC, TO, TFC, TOC alle stoffen met brandbare (F) eigenschappen
3 1093, 1099, 1100, 1106, 1125, 1131, 1154, 1158, 1160, 1162, 1182, 1184, 1194, 1196, 1214, 1221, 1228, 1230, 1235, 1238, 1250, 1277, 1289, 1296, 1297, 1298, 1305, 1695, 1717, 1723, 1815, 1921, 1922, 1986, 1988, 1991, 1992, 2266, 2270, 2284, 2333, 2335, 2336, 2353, 2354, 2359, 2360, 2378, 2379, 2383, 2386, 2395, 2396, 2399, 2404, 2438, 2411, 2478, 2483, 2486, 2493, 2535, 2603, 2605, 2622, 2733, 2758, 2760, 2762, 2764, 2772, 2776, 2778, 2780, 2782, 2784, 2787, 2924, 2945, 2983, 2985, 3024, 3021, 3079, 3248**, 3273, 3274, 3286, 3346, 3350 1093, 1099, 1100, 1106, 1125, 1131, 1154, 1158, 1160, 1162, 1182, 1184, 1194, 1196, 1204, 1214, 1221, 1228, 1230, 1235, 1238, 1250, 1277, 1289 1296, 1297, 1298, 1305, 1695, 1717, 1723, 1815, 1922, 1986 1988, 1991, 1992, 2266, 2270, 2284, 2333, 2335, 2336, 2353, 2354, 2359, 2360, 2378, 2379, 2383, 2386, 2395, 2396, 2399, 2404, 2411, 2438, 2478, 2481, 2483, 2486, 2493, 2535, 2603, 2605, 2622, 2733, 2758, 2760, 2762, 2764, 2772, 2776, 2778, 2780, 2782, 2784, 2787, 2924, 2945, 2983, 2985, 3024, 3021, 3064, 3079, 3165, 3248**, 3273, 3274, 3286, 3346, 3350
4.1 UN 3221, 3222, 3231, 3232
4.2 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
4.3 alle stoffen alle stoffen alle stoffen
5.2 alle stoffen alle stoffen
6.1 UN 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929, 3279, 3294 UN 1051, 1092, 1098, 1143, 1163, 1182, 1185, 1238, 1239, 1244, 1251, 1259, 1613, 1614, 1695, 1994, 2334, 2382, 2438, 2480, 2482, 2484, 2485, 2606, 2929, 3279, 3294
6.2 UN 2814, 2900 (risicogroep 3 + 4) UN 2814, 2900 (risicogroep 3 + 4)
8 alle stoffen, alle stoffen alle stoffen
lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen lege tanks, voertuigen of containers ongereinigd van hierboven genoemde stoffen

** voor zover het stoffen betreft van verpakkingsgroep I of II, bedoeld in randnummer 4.1 van bijlage 1.

5.4.1.4. N Vervoerdocument

Artikel 1

De Directeur-Hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2
1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

2.

Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van Richtlijn 95/50/EG.

Artikel 3
1.

De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Directeur-Hoofdinspecteur van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Directeur-Hoofdinspecteur of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 1. Erkende instanties
1.

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

Randnummer Instanties
1.4.2.2.4, 1.8.1.1, 1.8.1.2. 1.8.1.3, 1.8.1.4, 1.8.2.2, 1.8.2.3 IVW DV
1.8.3.7, 1.8.3.8, 1.8.3.10, 1.8.3.14, 1.8.3.16 SEV
1.9.4 DGG
2.2.1.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria TNO PML
2.2.1.1.3 2.2.1.3, Opmerking bij UN-nummer 0190 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
2.2.41.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.41.1.13 2.2.51.1, voor zover het betreft de autoriteit, genoemd in het Handboek beproevingen en criteria, 2.2.52.1.8 TNO PML
2.2.62.1.5, 2.2.62.1.7 LNV of VWS
2.2.9.1.12 VROM
3.1.2.6 Stoomwezen
3.3.1, bijzondere bepalingen 16 en 178 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
3.3.1, bijzondere bepalingen 181, 237, 239, 266, 271, 272 en 278 TNO PML
3.3.1, bijzondere bepaling 283 Stoomwezen
3.3.1, bijzondere bepalingen 288, 309, 636 TNO PML
3.3.1, bijzondere bepaling 645 IVW DV
4.1.3.6 Stoomwezen
4.1.4.1, P099, P101 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.1.4.1, P200, P201, P203 Stoomwezen
4.1.4.1, P405 (2) b) TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.1.4.1, P601 (3) g) TNO PTC
4.1.4.1, P902, 4.1.4.1, P905 Stoomwezen
4.1.4.2 IBC99, 4.1.4.2 IBC520, 4.1.4.2 LP99 TNO PML
4.1.4.3 LP902, 4.1.4.4 PR6 Stoomwezen
4.1.5.15, 4.1.5.18 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.1.7.2.2 TNO PML
4.1.10.4, MP21 TNO PML of Defensie, laatstgenoemde voor zover het betreft classificatie van uitsluitend voor de krijgsmacht bestemde munitie en toelating van de verpakking ervan
4.2.1.7, 4.2.1.9.1 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
4.2.1.13.1, 4.2.1.13.3 RDW in overeenstemming met TNO PML
4.2.3.7.1, 4.2.5.1.1 RDW/Stoomwezen
4.2.5.3 TP4, TP9, TP10, TP16, TP24 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
4.3.2.1.5, voetnoot 2, 4.3.3.2.5 RDW/Stoomwezen
5.2.2.1.9 TNO PML
5.5.1.2, 5.5.1.3 LNV of VWS
6.1.1.2, 6.1.1.4 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.1.3.1, 6.1.3.8 TNO PTC
6.1.4.8.8, 6.1.4.13.7 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.1.5.1.1, 6.1.5.1.3, 6.1.5.1.5, 6.1.5.1.10, 6.1.5.2.5, 6.1.5.9.2 TNO PTC
6.2.1.1.2 SZW
6.2.1.4.1, 6.2.1.4.2, 6.2.1.4.3, 6.2.1.4.5, 6.2.1.5.2, 6.2.1.6.1, 6.2.1.7.1, 6.2.1.7.3, 6.2.1.7.6, 6.2.1.7.7, 6.2.3, 6.2.3.2.2, 6.2.5, 6.2.5.1.2., 6.2.5.6.2.1, 6.2.5.6.2.2, 6.2.5.6.2.3, 6.2.5.6.2.4, 6.2.5.6.2.6, 6.2.5.6.3.2, 6.2.5.6.3.3, 6.2.5.6.4.2, 6.2.5.6.4.3, 6.2.5.6.4.4, 6.2.5.6.4.5, 6.2.5.6.4.6, 6.2.5.6.4.8, 6.2.5.6.4.9, 6.2.5.6.4.10, 6.2.5.6.4.11, 6.2.5.7.1, 6.2.5.7.3, 6.2.5.7.6 Stoomwezen
6.3.1.1, 6.3.2.7, 6.3.3.2 TNO PTC
6.5.1.1.2 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.5.1.1.3 TNO PTC
6.5.1.6.1 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.5.1.6.4, 6.5.1.6.7, 6.5.2.1.1, 6.5.2.2.3, 6.5.2.2.4, 6.5.4.1.1, 6.5.4.2.1, 6.5.4.2.2, 6.5.4.3.4, 6.5.4.13.2, 6.5.4.14.1 TNO PTC
6.6.1.2, 6.6.1.3 TNO PTC in overeenstemming met DGG
6.6.3.1, 6.6.5.1.1, 6.6.5.1.3, 6.6.5.1.5, 6.6.5.1.7, 6.6.5.1.8, 6.6.5.4.3 TNO PTC
6.7.1.2 RDW/Stoomwezen
6.7.2.2.1, 6.7.2.2.14 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.7.2.3.1, 6.7.2.3.3.1 RDW/Stoomwezen
6.7.2.4.3, 6.7.2.6.2, 6.7.2.6.3, 6.7.2.6.4, 6.7.2.7.1, 6.7.2.8.3, 6.7.2.10.1, 6.7.2.12.2.4, 6.7.2.18.1, 6.7.2.19.5, 6.7.2.19.9, 6.7.2.19.10 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.7.3.2.1, 6.7.3.2.11, 6.7.3.3.3.1, 6.7.3.7.3, 6.7.3.8.1.2, 6.7.3.14.1, 6.7.3.15.3, 6.7.3.15.5, 6.7.3.15.9, 6.7.3.15.10, 6.7.4.2.1, 6.7.4.2.8.1, 6.7.4.2.8.2, 6.7.4.2.14, 6.7.4.3.3.1, 6.7.4.5.10, 6.7.4.6.4, 6.7.4.7.4, 6.7.4.13.1, 6.7.4.14.3, 6.7.4.14.6 b) RDW/Stoomwezen
6.7.4.14.10, 6.7.4.14.11 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.7.5.2.9, 6.7.5.4.1, 6.7.5.4.3, 6.7.5.11.1 RDW/Stoomwezen
6.7.5.12.3, 6.7.5.12.7 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.2.1.4, 6.8.2.1.16, 6.8.2.1.19 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.2.1.20 RDW/Stoomwezen
6.8.2.1.23, 6.8.2.2.2, 6.8.2.3.1, 6.8.2.4.2, 6.8.2.4.5 RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.3.2.16, 6.8.3.2.24, 6.8.3.4.4 RDW/Stoomwezen
6.8.3.4.6 b) RDW/Stoomwezen/Klassenbureau
6.8.3.4.12, 6.8.3.7 RDW/Stoomwezen
6.8.4 TE1 RDW
6.8.4 TA2 RDW in overeenstemming met TNO PML
6.8.5.2.2 RDW/Stoomwezen
6.9.1.1, 6.9.2.1, 6.9.2.13, 6.9.2.14.4, 6.9.2.14.5, 6.9.4.2.4, 6.9.4.4.1, 6.9.5.3 RDW
7.3.3, VV12, VV13 RDW
7.5.11 Burgemeester
7.5.2.2 voetnoot a) RDW
8.1.4.4 BZK
8.2.1.1, 8.2.1.2, 8.2.1.5, 8.2.1.7, 8.2.1.8, 8.2.1.9, 8.2.2.4.2, 8.2.2.6.1, 8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5, 8.2.2.6.7, 8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.5, 8.2.2.8.3 CCV
8.5 S1 (4) Burgemeester
9.1.2, 9.1.2.1.2 RDW
Artikel 2
1.

In tabel 1 wordt verstaan onder:

2.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

Artikel 3
1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

2.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft de CCV toepassing aan tabel 2.

ADR-randnummer Bevoegdheid van de CCV Overeen- stemming vooraf Infor- matie achteraf
8.2.1.2, 8.2.14 + 8.5; S1, S11, S12, 8.2.21, 8.2.1.2, 8.2.15, 8.2.18, 8.2.19 afgifte vakbekwaamheids- certificaten volgens model B.6 en aantekening herhalingscursus X
8.2.1.2, 8.2.1.3, 8.2.1.4, 8.2.2.3.1, 8.2.2.3.2, 8.2.2.3.3, 8.2.2.3.4, 8.2.2.3.5 inhoudelijke eisen opleiding: vaststellen eindtermen X
8.2.2.6.1,8.2.2.6.4, 8.2.2.6.5 goedkeuren van de opleidingen; vaststellen van erkenningsrichtlijn X
8.2.2.7.1.3, 8.2.2.7.1.6 eisen aan examens en wijze van examineren: opstellen van examenrichtlijn en afnemen examen X
Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden
1.

De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan de CCV.

2.

Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door de CCV, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

3.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.

4.

Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.

5.

De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.

6.

De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

7.

De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 1. Toepassingsbereik

Artikel 2

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium.

EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 1: Staal.

EN 287-2:1997: `Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen - Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen.

EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen - Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen.

EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes.

EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek - Penetrantonderzoek - Deel 1: Algemene beginselen.

EN-ISO 6947:1997: Lassen - Lasposities - Definities van hellings- en rotatiehoeken.

EN 10204:1991 + A1: 1995 : Producten van metaal. Soorten keuringsdocumenten.

EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters / Beproeving van afsluiters / Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen.

EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen - Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden.

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code).

IEC 60079 - 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres - part 11 : intrinsic safety `i'.

Artikel 1. Toepassingsbereik

Artikel 3
1.

Voertuigen zijn slechts tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

2.

Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel geproduceerd zijn in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en die aan gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 4

De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.

Artikel 5. rn.. 6.8.2.4.4
1.

Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van VT waar het voertuig is geregistreerd.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

Hoofdstuk IV. Tanks

Artikel 3. Tunnelregime

Artikel 6

Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.

§ 2. Beoordelingsnormen/Codes

Artikel 7
1.

Bij tanks wordt ter vaststelling van:

2.

De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.

3.

Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.

Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.

4.

Op alle delen van het materiaal bedoeld in het derde lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.

5.

Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).

Artikel 8. rn. 6.8.2.1.4

Als berekeningscodes worden door de directeur erkend:

Artikel 9. rn. 6.8.2.1.6
1.

Bij radiografisch lasonderzoek wordt van röntgenopnamen een beoordelingsrapport overgelegd, dat ten minste de navolgende gegevens bevat:

2.

Tevens wordt daarin opgenomen het resultaat van toetsing aan een der hierna genoemde criteria:

3.

Het in het eerste lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.

Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:

Artikel 9. Kenmerking en etikettering der voertuigen

§ 6. Uitrusting

Artikel 4

Artikel 1. Erkende instanties

Hoofdstuk VII. Cabine

Hoofdstuk VIII. Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5

Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 2 Europese Normen

Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures

Artikel 3

Artikel 3

§ 1. Stoomwezen B.V.

Artikel 4

Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen

Hoofdstuk II Tanks

Artikel 17. rn.. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot

Artikel 19. scharnierende eindbodem

Artikel 23. rn.. 6.8.2.2.4 mangaten

Artikel 14 rn. 6.8.2.1.18 en 6.8.2.1.19 dikte slingerschot

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.

Hoofdstuk I. Bepalingen voor uitsluitend binnenlands vervoer

Artikel 1. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen dat uitsluitend binnen Nederland plaatsvindt.

1.

De Minister kan tijdelijk ontheffing of vrijstelling van bijlage 1 verlenen, indien het betreft proefnemingen die nodig zijn om bepalingen van die bijlage te kunnen wijzigen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische of industriële ontwikkelingen. Van een dergelijke vrijstelling of ontheffing doet de Minister mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2.

De ontheffingen en vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend zonder onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de afzender, de vervoerder of de geadresseerde, hebben een looptijd van ten hoogste vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.

3.

Ontheffing van deze regeling als bedoeld in artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, verleent de Minister slechts, indien deze ontheffing betrekking heeft op één geval dat naar zijn oordeel duidelijk omschreven en in tijd beperkt is.

Artikel 3. N-bepalingen

De N-bepalingen in dit hoofdstuk:

1.5.1.1. N Multilaterale overeenkomsten

1.

Niet-grensoverschrijdend vervoer mag plaatsvinden overeenkomstig multilaterale overeenkomsten als bedoeld in randnummer 1.5.1.1 van bijlage 1, die door Nederland zijn ondertekend.

2.

Bij het vervoer dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde multilaterale overeenkomst worden de voorschriften met betrekking tot het vervoer in acht genomen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

5.1.2.1./5.2.1 N Opschriften en kenmerking

De opschriften en kenmerkingen op colli, containers, tanks en voertuigen, dan wel op de oververpakkingen van colli, zijn in ieder geval gesteld in de Nederlandse, Franse, Duitse of Engelse taal.

Het is toegestaan dat in het vervoerdocument de voorgeschreven aanduidingen uitsluitend zijn gesteld in de Nederlandse taal.

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan en mengsels daarvan, zijn voorzien van een noodstopvoorziening die is aangesloten op het bedieningssysteem van de veiligheidsinrichting, bedoeld in randnummer 6.8.3.2.3 van bijlage 1, en op het aandrijfsysteem van de pomp. Het bedienen van de noodstopvoorziening heeft tot direct gevolg dat de veiligheidsinrichtingen gesloten worden en de pomp gestopt wordt. De bedieningsorganen van de noodstopvoorziening zijn zowel aangebracht in de bedieningskast(en) als bij de linkervoorzijde als bij de rechterachterzijde van de tank.

Tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, zijn voorzien van een wegrijdalarmering, ter voorkoming van het wegrijden met een aangekoppelde of niet opgeborgen slang. Deze voorziening bestaat uit een knipperende rode lamp op het dashboard en een intermitterende claxon in de cabine.

6.8.3.4. N Inspectie

In Nederland geregistreerde tankwagens, bestemd voor het vervoer van propaan, butaan of mengsels daarvan, worden iedere 26 weken onderworpen aan een visuele uitwendige inspectie en aan een controle op de goede werking van de uitrusting.

7.5.7.5/8.3.3 N Openen van colli

In afwijking van randnummers 7.5.7.5 en 8.3.3 van Bijlage 1, mag de chauffeur of de bijrijder een buitenverpakking openen die gevaarlijke stoffen bevat, die als pesticiden worden toegepast.

8.1.2. N Documenten die het vervoer moeten begeleiden

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

8.2.1. N Speciale opleiding van de bestuurder

Het bepaalde in randnummer 8.2.1 van bijlage 1 is niet van toepassing op bestuurders van:

Voor wat betreft het duurremsysteem is randnummer 9.2.3.1 van bijlage 1 (retarder) niet van toepassing op motorvoertuigen gebouwd vóór 1 januari 1997.

9.7.5.1. N Stabiliteit

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

2.

Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

2.

Dit hoofdstuk is, behoudens artikel 3, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op het vervoer dat plaatsvindt overeenkomstig de randnummers 1.1.3 en 3.4.6 van bijlage 1.

Artikel 2. Laad- en losplaats

Het is verboden met een tankwagen, afneembare tank, batterijwagen, tankcontainer, transporttank, MEGC, bulkcontainer of mobiele tank gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 1.2.1 van bijlage 1 te laden of te lossen elders dan:

2.

De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Artikel 4

2.

De in dit artikel bedoelde tunnels worden aangeduid met verkeersbord C 22, bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Onder het bord wordt een onderbord geplaatst waarop met Romeinse cijfers de categorie van de tunnel wordt aangegeven.

Artikel 4

Het vervoer van de stoffen die in tabel 3 zijn opgenomen, is routeplichtig als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Artikel 5. Laden en lossen

Het laden of lossen van ontplofbare stoffen en voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de vrijgestelde hoeveelheden van randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 alsmede vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram geschiedt onder toezicht van een ter zake deskundige.

2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

1.

Indien het zicht door weersomstandigheden zoals mist, sneeuw en regen minder is dan 200 meter, is het niet toegestaan:

Artikel 7. Zout veer

3.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid vermelde verbod bij glad wegdek, indien:

2.

Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

1.

Onder ‘zout veer’ wordt verstaan: schip waarmee tegelijkertijd voertuigen en passagiers, andere dan de bemanning van de voertuigen, worden vervoerd over een van de volgende trajecten:

2.

Tabel 5 vermeldt de stoffen, wijze van vervoer en hoeveelheden waarvan het vervoer verboden is met een zout veer.

3.

Het vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan vermeld in tabel 5, is slechts toegestaan indien het betreft:

4.

Op een gesloten rijdek van een zout veer wordt geen transporteenheid geplaatst die beladen is met stoffen van klasse 3 met verpakkingsgroep I en II.

5.

Rondom de transporteenheden beladen met gevaarlijke stoffen worden in horizontale richting een vrije ruimte aangehouden van ten minste twee meter en een afstand van ten minste vijf meter ten opzichte van passagiers.

6.

De bestuurder of bijrijder van een transporteenheid met gevaarlijke stoffen blijft tijdens de vaart bij zijn voertuig.

Artikel 8. Pont

8.

Rederijen kunnen aanvullende of beperkende maatregelen treffen.

Artikel 8. Pont

Bij het kruisen van een binnenwater zijn op het vervoer van voertuigen op schepen anders dan een zout veer als bedoeld in artikel 7, de volgende voorschriften van toepassing:

Afgekoppelde aanhangwagens en opleggers zijn voorzien van de etikettering en kenmerking die ingevolge randnummers 5.3.1 en 5.3.2 van bijlage 1 zijn voorgeschreven als zijnde aan een trekkend voertuig gekoppeld.

2.

De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:

1.

In dit artikel wordt verstaan onder ‘kleine mobiele tanks’: vaste tanks met een inhoud van ten hoogste 1 m3, bestemd voor het vervoer van dieselolie, gasolie of lichte stookolie.

2.

De volgende voertuigen, tankcontainers en mobiele tanks kunnen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien zij zijn goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer:

3.

De goedkeuring wordt geweigerd, indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer niet voldoet aan deze regeling.

4.

In afwijking van het derde lid kunnen transportmiddelen, waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze regeling, worden goedgekeurd, indien de technische inrichting en uitrusting der transportmiddelen naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer een ten minste gelijkwaardige veiligheid bieden.

5.

De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid stelt na een aanrijding of ongeval waardoor beschadiging van het transportmiddel is ontstaan, de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld in kennis.

6.

De eigenaar of houder van een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid, zorgt dat dit transportmiddel voor onderzoek aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden:

Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Artikel 1

De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

Artikel 1

De Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat legt jaarlijks in november aan de Minister ter goedkeuring voor een plan inzake het in het volgende jaar te houden toezicht op de naleving op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, bedoeld in artikel 2.

2.

Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 95/50/EG.

Artikel 3

2.

Wanneer het toezicht is uitgevoerd, ontvangt de bestuurder van het betrokken voertuig een verklaring van de verrichte controle, welke verklaring zoveel mogelijk luidt conform de controlelijst, bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 95/50/EG.

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van richtlijn nr. 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

2.

Indien het toezicht op de naleving in de onderneming wordt gehouden en overtredingen zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage II van richtlijn nr. 95/50/EG, wordt het betrokken vervoer voor het verlaten van de onderneming in overeenstemming gebracht met de voorschriften, dan wel worden andere naar het oordeel van de Minister gepaste maatregelen genomen.

Artikel 4

Indien bij het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 1 dan wel anderszins blijkt van naar het oordeel van de Minister of van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven voertuig of gevestigde onderneming, doet de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat of de Minister daarvan onverwijld mededeling aan de bevoegde instantie van de desbetreffende lidstaat.

Artikel 5

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen die een gevaar voor de veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen opleveren en die zijn begaan met een in Nederland ingeschreven voertuig of in Nederland gevestigde onderneming, vergezeld van het verzoek tegen de overtreder passende maatregelen te treffen, doet de Minister aan die instantie mededeling van de genomen maatregelen.

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Erkende instanties

Artikel 1. Erkende instanties

Erkende Instanties

In de onderstaande tabel zijn de instanties opgenomen met betrekking tot de uitvoering van de voorschriften in de vermelde randnummers van bijlage 1 voorzover bedoelde handelingen worden uitgevoerd door Nederlandse instanties.

2.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

2.

Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt als merkteken het rijkstypekeur.

2.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft het CBR toepassing aan tabel 2.

Artikel 4. Erkenningsvoorwaarden

2.

Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage geeft het CBR toepassing aan tabel 2.

2.

Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door het CBR, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

1.

De Minister kan een instantie erkennen voor het uitvoeren van een of meer taken als bedoeld in artikel 1 van deze bijlage, behalve voor zover in de tabel 1 een taak is toegewezen aan het CBR.

2.

Een aanvraag om erkenning, gedaan door een ander dan een orgaan van de rijksoverheid of door het CBR, wordt slechts ingewilligd, indien de aanvrager naar het oordeel van de Minister:

3.

Bij de aanvraag overlegt de aanvrager bewijzen of verklaringen waaruit genoegzaam blijkt, dat hij voldoet aan het tweede lid.

4.

Aan de erkenning kan de Minister voorschriften of beperkingen verbinden.

5.

De Minister kan een erkenning intrekken of schorsen, indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan dit artikel.

Bijlage 4. als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

7.

De instantie verstrekt alle inlichtingen die namens de Minister verlangd worden door de Dienst Wegverkeer (RDW) en die betrekking hebben op de leden 2, 3, en 4 voor zover betreffende handelingen met betrekking tot voertuigen en tanks als bedoeld in bijlage 1.

Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

Artikel 1

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen:

EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium;

EN 287-1:1997: Het kwalificeren van lassers – Smeltlassen – Deel 1: Staal;

EN ISO 9606-2: Het kwalificeren van lassers – Smeltlassen – Deel 2: Aluminium en Aluminiumlegeringen;

EN 288-2:1992: Het beschrijven en kwalificeren van lasprocedures voor metallische materialen – Deel 2: Lasmethodebeschrijving voor het booglassen;

EN 473:1993: Kwalificatie en certificatie van personeel voor niet-destructief onderzoek. Algemene principes;

EN 571-1:1997: Niet-destructief onderzoek – Penetrantonderzoek – Deel 1: Algemene beginselen;

EN ISO 6947:1997: Lassen – Lasposities – Definities van hellings- en rotatiehoeken;

EN 10204:2004: Producten van metaal – Soorten keuringsdocumenten;

EN 12266-1:1991: Industriële afsluiters – Beproeving van afsluiters – Deel 1: Beproevingen, beproevingsprocedures en acceptatiecriteria waaraan iedere afsluiter moet voldoen;

EN 25817:1992 (ISO 5817:1992): Booglasverbindingen in staal – Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden;

Hoofdstuk III. Algemeen

EN 13094:2004: Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen – Metalen tanks met een bedrijfsdruk tot 0.5 bar – Ontwerp en constructie;

EN 13308:2002: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Uitrusting voor tanks – Niet drukvereffenende bodemafsluiter;

Artikel 4

EN 14595: 2003: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Onderhoudsuitrusting voor tanks – Druk- en vacuümontluchting;

IEC 60079 – 11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

Hoofdstuk IV. Tanks

Hoofdstuk IV. Tanks

Voor tanks voor het vervoer van stoffen van klasse 2 en tanks waarvan de voorgeschreven berekeningsdruk 1 Mpa (10 bar) of meer bedraagt, welke door Stoomwezen B.V. worden beoordeeld op conformiteit met de bijlagen 1 en 2, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.

Artikel 6

1.

Bij tanks wordt ter vaststelling van:

1.

Wanneer schade aan een voertuig, tank of tankcontainer is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. Indien dit een voertuig betreft wordt de melding gericht aan het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert. In het geval van schade aan de tank van het voertuig of (tank)containers wordt de melding gericht aan de afdeling IKS van VT.

2.

Indien herstellingen zijn verricht van schade waarvan vooraf geen melding is gemaakt en tengevolge waarvan, naar het oordeel van de directeur, onvoldoende inzicht in de deugdelijkheid van het voertuig of van belangrijke onderdelen is ontstaan, kan de goedkeuring aan het voertuig worden onthouden.

2.

De directeur kan toestaan dat in plaats van EN vergelijkbare normen worden toegepast van de overige bij de ADR aangesloten landen.

3.

Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt een keuringsrapport `3.1.B' overgelegd overeenkomstig de norm EN 10204 of een overeenkomstig exemplaar volgens andere omschrijvingen, zoals DIN 50049, Abnahmeprüfzeugnis 3.1B.

Van mangathalzen voor tanks, anders dan bedoeld in artikel 6, behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.

2.

Van het materiaal voor de romp, de eind- en tussenbodems en de mangathalzen wordt, overeenkomstig de norm EN 10204, een zogenaamd ‘3.1’ keuringsrapport overgelegd. Van mangathalzen voor tanks behoeft geen attest te worden overgelegd, indien deze zijn vervaardigd uit zacht staal of bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14, onder a) indien de wanddikte van de mangathals ten minste 2 maal de vereiste minimumwanddikte van de tankromp bedraagt.

Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:

Artikel 10. rn. 6.8.2.1.23

Artikel 8 rn. 6.8.2.1.6

Artikel 11. rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid

§ 3. Dimensionering

4.

Het in het tweede lid bedoelde beoordelingsrapport is gewaarmerkt door een deskundige van een voor dit onderwerp geaccrediteerde instantie of door de directeur erkende instantie, die in aanmerking komt voor aanwijzing indien deze is gecertificeerd en de deskundige is gekwalificeerd overeenkomstig de norm EN 473:1993.

Artikel 9 rn. 6.8.2.1.23

§ 4. Constructie

Artikel 10 rn. 6.8.2.1.23 lasbekwaamheid

§ 4. Constructie

een certificaat overeenkomstig EN 287 of EN ISO 9606 voor het betreffende lasproces en materiaal wordt overgelegd.

§ 2 Dimensionering

Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van de bijlagen 1 en 2 mogen niet met een scharnierende eindbodem zijn uitgerust .

Artikel 21. bovenlossing

Artikel 20. rn.. 6.10 explosiebestendige tank

Artikel 21. bovenlossing

Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 450 mm.

Artikel 24. rn.. 9.7.6 stootbalk algemeen

§ 3 Constructie

Artikel 13 lasverbindingen

Artikel 25. bescherming tegen beschadiging bij botsingen

Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor uitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:

Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.

Artikel 29. tanks overeenkomstig rn. 6.10, scharnierende

§ 6. Uitrusting

Artikel 16 scharnierende eindbodem

Artikel 30. rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen

Indien geïsoleerde tanks van morsbakken zijn voorzien, zijn de verbindingslassen van de morsbak met de tankwand vloeistofdicht uitgevoerd en zijn de afvoerpijpen deugdelijk aan de morsbak bevestigd.

Artikel 32. morsbakken

Artikel 34. rn.. 6.8.2.1.7 en 6.8.2.2.3 beveiliging tegen

Artikel 18 binnenbekleding

1.

Bij elke metalen tank waarvan het tankmateriaal tegen aantasting door de te vervoeren stof dan wel stoffen wordt beschermd door middel van een binnenbekleding, is door de fabrikant van de binnenbekleding een verklaring overgelegd waarin is aangegeven dat deze binnenbekleding voldoende bestand is tegen de stof dan wel stoffen waarvoor de tank is ontworpen. In deze verklaring zijn de benaming van elke stof, het UN-nummer en de desbetreffende klasse, alsmede het fabricagenummer van de tank vermeld.

Artikel 35. rn. 6.8.2.1.14 onder a en b, beluchtings-

3.

Van het, in het eerste en tweede lid genoemde, toe te passen bekledingsmateriaal, wordt ter beoordeling door de directeur de compatibiliteit met het tankmateriaal, zoals de hechtingseigenschappen, aangetoond.

Artikel 36. rn.. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen

Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 61°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.

Artikel 37. rn. 6.10.3.8 onder b, pomp- / afzuiginrichting:

Bij toepassing van pomp- / compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:

Artikel 20 rn. 9.7.6 stootbalk algemeen

1.

Van de stootbalk bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging om de zwakste doorsnede ten minste 20 cm3.

Artikel 39. ventilatieopeningen in appendageruimten

Artikel 40

Hoofdstuk V. Tankuitrustingsdelen

Artikel 40

mag de stootbalk aan de betreffende achterbodem zijn bevestigd mits de stootbalk ten minste 10 cm achter het achterste punt van elke vul- en losleiding is gelegen.

Artikel 42. overdrukventielen

Overdrukventielen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b:

Artikel 43. bodemafsluiters

2.

Bij tanks die beschermd worden door een isolerende laag van steen- of glaswol met een dikte van 100 mm en een buitenwand van 0,8 mm austenitisch staal mag de buitenbodem uitgevoerd worden in glasvezelversterkte kunststof met een wanddikte van ten minste 3 mm.

Artikel 22 rn. 6.8.2.1.28 en 6.8.2.2.1 bescherming van appendages en uitrustingsdelen op de bovenzijde van de tank

Artikel 46. identificatiekenmerken

Artikel 45. mangatdeksels

2.

In het geval van rolbeugels hoeft de weerstandsmoment tegen buigen van het profiel van de rolbeugel niet groter te zijn dan 30 cm3.

Artikel 47. materiaalaanduiding

Artikel 23 rn. 6.8.4 TE 19 appendages aan de onderzijde

Artikel 48. verzegeling

2.

Indien de plaatsing van een beschermend profiel is voorgeschreven, is deze uitgevoerd als beugel die aan de volgende voorschriften voldoet:

Artikel 24

Artikel 51. tankbevestiging

Artikel 50. steunpoten

§ 5 Uitrusting

Artikel 25 tanks overeenkomstig rn. 6.10, scharnierende bodem

Artikel 52. rn.9.2.4.2.1 EX/II- en EX/III-voertuigen

Artikel 53. rn. 9.2.4.7 verwarmingsinrichtingen

Artikel 26 rn. 6.8.2.2.4 tubelures, doorvoerleidingen

1.

Van tubelures in de tankwand ter bevestiging van uitrustingsdelen en van doorvoerbuizen door de tank komt de wanddikte ten minste overeen met de hierna te noemen waarden:

Artikel 54. rn.. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5,

Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,

Artikel 55. rn.. 9.2.4.4 en 9.3.5

Artikel 56. rn.. 9.2.4.5 en 9.3.6,

Artikel 27 rn. 6.8.2.2.2 opening voor schoonmaakdoeleinden

Artikel 58. verticaal gerichte uitlaat

2.

De opening is uitsluitend uitgevoerd als blokflens, welke rechtstreeks in de tankwand is gelast.

Artikel 59. rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5

Artikel 28 rn. 6.8.2.1.14, onder b tot en met d en 6.8.2.2.6 overdrukventiel

1.

Tanks welke onder overdruk kunnen worden gelost, zijn in de overdruklosinstallatie voorzien van een overdrukventiel, welke :

Artikel 60. rn. 9.2.2.2.1 zekeringen

Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:

Artikel 61

Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 60, aan de volgende voorschriften:

Artikel 62. rn.. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3

Artikel 31 rn. 6.8.2.2.2 bedieningsinrichting van de bodemkleppen en rechtstreeks op de tank aangebrachte afsluiters

Artikel 63. rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar

Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.

Artikel 64. rn.9.3.3 afsluitbaarheid

Hoofdstuk III Tankuitrustingsdelen

De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:

Artikel 65. rn.. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat

Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12

Artikel 34 rn. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen

Artikel 67. rn.. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12

Artikel 68

Hoofdstuk XII. Goedkeuringsprocedures

Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.

Artikel 69

Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij de IKS overgelegd en akkoord bevonden.

Artikel 70

2.

De bodemafsluiters voor tanks, anders dan bedoeld in het eerste lid:

Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 72

Aan deze goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 72

Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.

Artikel 73

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde kenmerken niet van fabriekswege op de appendages aanwezig zijn, worden deze alsnog door de fabrikant of de importeur aangebracht, rechtstreeks of op een corrosiebestendig plaatje, hetwelk op duurzame wijze, bij voorbeeld door middel van lassen of klinken op het appendage wordt bevestigd.

Artikel 74

Artikel 40 materiaalaanduiding

Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.

Artikel 41 verzegeling

Artikel 76

2.

Indien de verzegeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel 1°, namens de directeur wordt aangebracht door een gebruiker, geschiedt dit onder de volgende voorwaarden:

Hoofdstuk IV Chassis

De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):

Artikel 77

Artikel 43 steunpoten

1.

Opleggers zijn voorzien van in hoogte verstelbare parkeersteunen (steunpoten) die het mogelijk maken de oplegger te ondersteunen indien deze wordt afgekoppeld van de trekker, waarbij de bevestiging en de toegepaste hefinrichting van de parkeersteunen:

Artikel 78

Artikel 44 rn. 9.7.3 tankbevestiging

1.

Afneembare tanks zijn met ten minste vier bouten M16 van kwaliteit 8.8 of met ten minste gelijkwaardige bevestigingsmiddelen, zoals zelfborgende twist-locks, aan de tankbevestigingspunten van het voertuig vastgezet.

Artikel 79

Artikel 45 rn. 9.7.5.2 Kantelstabiliteit

Indien het voldoen aan de eisen voor kantelstabiliteit wordt aangetoond op basis van een berekening dienen de basisgegevens waarmee dit systeem werkt te zijn gevalideerd door praktijktesten. Indien validatie niet afdoende aangetoond wordt vereist de directeur nader onderzoek.

Hoofdstuk V Motor en uitlaatleiding rn. 9.2.4.4, 9.2.4.5 en 9.3.5

§1. Motor voor aandrijving van het voertuig

Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.

Artikel 81

Typegoedkeuring voor de in artikel 40 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.

Artikel 82

2.

Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is bij een trekker voor een oplegger in elk geval voldaan, indien genoemde delen zich op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden.

Artikel 48 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

1.

De uitmonding van de uitlaatleiding is niet onder of in de nabijheid van vul- en aftapaansluitingen, apparatuurkasten en dergelijke gelegen.

Artikel 84

Artikel 49 rn. 9.2.4.5 en 9.3.6

Hoofdstuk XIII. Keuringen en beproevingen

2.

De uitlaatleiding behoeft niet van een (aanvullende) warmtewerende afscherming te worden voorzien indien:

Artikel 85

4.

Bij een voertuigchassis voor het vervoer van (tank-)containers wordt geacht te zijn voldaan aan het tweede lid, indien:

Artikel 86

Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.

Artikel 87

2.

Bij voertuigen van de categorieën FL, EX/II, EX/III en OX, waarbij de afstand van de uitlaatleiding ten opzichte van de ladingtank minder dan 50 cm bedraagt, is deze voorzien van een warmtewerende ommanteling.

Artikel 88

In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.

Artikel 51 rn. 9.2.4.3 tot en met 9 2.4.5

Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:

Hoofdstuk VI Elektrische installatie

Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:

Artikel 91

2.

Naast het bepaalde in rn. 9.2.2.2.1 zijn uitgezonderd van de verplichting om te zijn gezekerd: standaardschakelingen ten behoeve van in de cabine aangebrachte relais, controlelampen en de elektromotor van een bogieliftinstallatie (ashefinrichting);

Artikel 53

1.

Het gedeelte van de elektrische installatie dat achter de bestuurderscabine is gelegen, voldoet, onverminderd het bepaalde in artikel 52, aan de volgende voorschriften:

Artikel 54 rn. 9.7.8.1 tot en met 9.7.8.3

Artikel 95

*Artikel 55 rn. 9.2.2.3 hoofdschakelaar*

1.

Indien zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de accu’s een voorziening is aangebracht waardoor de stroomsterkte in het te beveiligen circuit een waarde van 1 A bij 30 V (6 A bij 15 V) niet kan overschrijden overeenkomstig figuur A.2.2 - stroomkringen met weerstand van IEC 60079-11 of EN 50 020, is het aangetoond dat delen van de elektrische installatie welke na het openen van de hoofdschakelaar onder spanning blijven, explosieveilig zijn.

Artikel 96

Artikel 97. rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.

Hoofdstuk VII Merktekens

Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.

Artikel 98

Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.

1.

Het in rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 bedoelde waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd, is vastgesteld als slagstempel overeenkomstig het in aanhangsel 1 bij deze bijlage weergegeven model.

Artikel 100

Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.

Artikel 100

§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1

Artikel 101. rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef

4.

De voorgeschreven opschriften zijn op een goed waarneembare plaats aangebracht.

Artikel 59 rn. 9.2.2.3.2

§ 4. Hernieuwde toelating tank rn. 6.8.2.4.2

Artikel 103. proefpersing

Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.

§ 1. Ontwerpbeoordeling (Algemeen)

Voor hernieuwde toelating van de tank na maximaal 6 jaar, wordt het voertuig bij IKS voor keuring aangeboden.

Artikel 105

2.

De overgelegde gegevens worden getoetst aan de VLG;

Artikel 106

5. Periodieke keuring en keuring na belangrijke herstelling na ongeval

Artikel 107

De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.

Artikel 108

De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de in artikel 86 bedoelde keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.

Artikel 62

1.

Bij de in artikel 60, eerste lid, bedoelde ontwerpgegevens is een volledig ingevuld, volgens een door de directeur vastgesteld model, aanvraagformulier gevoegd of een begeleidend schrijven met vermelding van naam, adres, postcode en plaats van vestiging van de ondernemer, het correspondentieadres en een korte omschrijving van de aard van de aanvraag.

Artikel 112. rn. 6.8.2.4.4

Indien een schademelding overeenkomstig artikel 5 heeft plaatsgevonden, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:

Artikel 63

Artikel 113

Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.

Artikel 113

Deze bijlage is van toepassing op voertuigen en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.

Artikel 114

2.

Alle tekeningen bij voertuigen met vaste of afneembare tanks geven ten minste aan:

Artikel 66

Alle tanktekeningen geven aan voor wat betreft de tank:

Artikel 67

In aanvulling op artikel 66 geven de tanktekeningen tevens aan:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.

In afwijking van de tweede volzin van randnummer 9.7.5.1 van bijlage 1, behoeft bij in Nederland geregistreerde gelede voertuigen voor wat betreft de druk van de assen van de beladen oplegger, slechts te worden voldaan aan artikel 3.3.9 van het Voertuigreglement.

Hoofdstuk II. Bepalingen voor elk vervoer op Nederlands grondgebied

1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op de randnummers 1.9.2, 1.9.3 en 1.9.4 van bijlage 1.

1.

Het is verboden:

Artikel 6. Weersomstandigheden

2.

Het is niet toegestaan gevaarlijke stoffen te vervoeren in tanks, losgestort of in colli, in hoeveelheden die per transporteenheid groter zijn dan de voorwaardelijk vrijgestelde hoeveelheden bedoeld in randnummer 1.1.3.6 van bijlage 1 en vuurwerk met de UN-nummers 0336 en 0337 met een totale netto explosieve massa van meer dan 20 kilogram:

Artikel 7. Zout veer

7.

De bestuurder van een transporteenheid beladen met andere gevaarlijke stoffen dan die zijn vermeld in tabel 5, verstrekt, alvorens een zout veer op te rijden, aan de schipper dan wel aan een daartoe aangewezen personeelslid van de waldienst de benodigde informatie omtrent aard en de hoeveelheid van de vervoerde gevaarlijke stoffen.

Artikel 10. Toelating van voertuigen, tankcontainers en kleine mobiele tanks

7.

Indien uit het onderzoek, bedoeld in het zesde lid, blijkt, dat een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet aan deze regeling voldoet, is de eigenaar of houder ervan verplicht te zorgen dat dit niet weer in gebruik wordt genomen voordat uit een hernieuwd onderzoek is gebleken dat de door de Dienst Wegverkeer nodig geachte voorzieningen zijn aangebracht; in afwachting van het hernieuwde onderzoek kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht op eerste vordering van of vanwege de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument af te geven.

8.

Indien een transportmiddel als bedoeld in het tweede lid niet overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid voor keuring wordt aangeboden, kan de Dienst Wegverkeer het keuringsdocument innemen of doen innemen. De eigenaar of houder is alsdan verplicht het keuringsdocument aan hem af te geven.

Hoofdstuk III. Implementatie van richtlijn nr. 95/50/EG betreffende uniforme procedures voor de controle op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg

Artikel 2

1.

Het toezicht op de naleving waarvoor met inachtneming van artikel 1 een plan wordt opgesteld:

Artikel 3

1.

De plaats waar het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 1, wordt gehouden, wordt zodanig gekozen, dat het mogelijk is de voertuigen die in overtreding zijn, opnieuw met de voorschriften in overeenstemming te brengen of deze voertuigen zo nodig ter plaatse of elders een doorrijverbod op te leggen, zonder dat de veiligheid daardoor in gevaar wordt gebracht.

Artikel 6

Indien een bevoegde instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie de Minister mededeling doet van het vermoeden van ernstige of herhaalde overtredingen, die tijdens het toezicht op de naleving door het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen niet kunnen worden aangetoond, verleent de Minister de desbetreffende bevoegde instantie de nodige bijstand en doet mededeling van de resultaten van het daartoe in de betrokken onderneming uitgevoerde toezicht op de naleving.

Bijlage 3. , bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Artikel 2

1.

In tabel 1 wordt verstaan onder:

Artikel 3

1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

6.

De instantie verstrekt de Minister binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar een overzicht van de in dat jaar verrichte keuringen, bevattende goedkeuringen, weigeringen tot goedkeuring, alsmede de redenen voor weigeringen tot goedkeuring.

Bijlage 4. , bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 2

EN 30042:1994 (ISO 10042:1992): Booglasverbindingen in aluminium en lasbare aluminiumlegeringen – Richtlijn voor het vaststellen van kwaliteitsniveaus voor onvolkomenheden;

EN 13082:2001: Tanks voor het transport van gevaarlijke stoffen – Bedieningsapparatuur voor tanks – Dampafsluiter;

Hoofdstuk III. Algemeen

EN 13316:2002: Tanks voor het transport van gevaarlijke goederen – Uitrusting van tanks – Drukvereffenende bodemafsluiter;

1.

Voertuigen, tanks en tankcontainers voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan:

2.

De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden.

2.

Van de tanks genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt een door genoemde instantie afgegeven certificaat overgelegd, waarin is aangegeven dat de tank aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen 1 en 2 voldoet.

Artikel 5 rn. 6.8.2.4.4

1.

Bij tanks wordt ter vaststelling van de wanddikte, de eventuele bescherming, de ondersteuning en de bevestiging aan het chassis, uitgegaan van de waarden zoals vastgelegd in Europese Normen die betrekking hebben op het desbetreffende materiaal.

4.

Onder gespecificeerde minimumwaarden volgens de materiaalnormen voor austenitische staalsoorten welke ingevolge rn. 6.8.2.1.16 mogen worden overschreden, worden uitsluitend verstaan de rekgrens (Re) en de treksterkte (Rm).

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan:

Bij radiografisch lasonderzoek geldt ten aanzien van de omvang daarvan, dat:

Artikel 16. lasverbindingen

Indien een tank is voorzien van scheidingswanden of slingerschotten die met contraringen aan de tankwand zijn bevestigd alsmede van afdichtingsplaten ter plaatse van doorstroomopeningen, bezitten deze een dikte die ten minste gelijk is aan de wanddikte overeenkomstig rn. 6.8.2.1.19.

Artikel 11 rn. 6.8.2.1.14 onder (a), lagedruk-tanks

2.

Bij een compartimentinhoud groter dan 15000 liter wordt van de belaste bodem(s) door middel van beproeving dan wel berekening aangetoond dat deze de onder (a) genoemde kracht kan (kunnen) opnemen.

2.

Indien de tank is bestemd voor het vervoer van meer dan één gas zal het maximumvulgewicht van de lichtste gassoort bepalend zijn.

Artikel 28

Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor uitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:

1.

Met uitzondering van tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a) mogen tanks scharnierend zijn bevestigd indien de constructie en de gehele inrichting daarop zijn afgestemd.

2.

In afwijking van het eerste lid is tevens voldaan aan de eis van explosiebestendigheid indien het prototype van de tank wordt onderworpen aan een hydraulische proefpersing onder een druk van 1,3 maal de berekeningsdruk van 970 kPa (9,7 bar) (absoluut) en, behoudens plastische vervorming, daartegen bestand blijkt.

Artikel 34. rn.. 6.8.2.1.7 en 6.8.2.2.3 beveiliging tegen

3.

(apparatuurkast) Indien de tank aan de achterzijde is beschermd door een constructie, zoals een apparatuurkast waarvan de sterkte ten minste gelijkwaardig is aan die van genoemde stootbalk, is voldaan aan het gestelde in rn. 9.7.6. De constructie alsmede de bevestiging hiervan aan het voertuig is van dien aard, dat de bij een ongeval op de kast uitgeoefende krachten zodanig op het voertuigchassis worden overgebracht, dat beschadiging van de tank wordt voorkomen.

Artikel 41. rn.. 6.8.2.2.6 ontluchtingsinrichtingen overeenkomstig

De uitrustingsdelen boven op de tank dienen te worden beschermd met een constructie zoals beschreven in artikel 6.13 van de EN 13094:2004. Op volgende onderdelen kan afgeweken worden van deze voorschriften.

Artikel 46. identificatiekenmerken

Indien van een bepaald type appendage, afhankelijk van de toepassing, onderdelen van verschillende materialen zijn toegepast, is het feitelijk toegepaste materiaal op het appendage, of in de typecodering aangegeven.

Hoofdstuk VI. Chassis

Indien voor de constructie van de tank, voor de ommanteling of voor tankuitrustingsdelen, kunststof als materiaal is gekozen en het voertuig is ontworpen voor het vervoer van:

§ 1. Motor voor aandrijving van het voertuig

b. bij een inwendige doorsnede van meer dan 50 mm:

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Bij voertuigen welke zijn bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, met uitzondering van dieselbrandstof overeenkomstig de norm EN 590:1993, gasolie en huisbrandolie(licht) - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993, of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 mag een verbrandingsmotor als hulpmotor zijn aangebracht die de apparatuur aandrijft, mits aan de volgende voorschriften is voldaan:

Hoofdstuk IX. Elektrische Installatie

Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie - identificatienummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 wordt daarbij aan de volgende voorschriften voldaan:

Artikel 32 ventilatieopeningen in appendageruimten

Aan het vereiste in rn. 9.3.3 dat in de wanden van de laadruimte van gesloten voertuigen van type EX/II geen ramen mogen zijn aangebracht is voldaan indien aanwezige ramen zodanig door middel van tralies of een rooster zijn beschermd dat ongeautoriseerde toegang tot de laadruimte daarmee wordt verhinderd.

Artikel 33

2.

De uitvoering van genoemde uitrustingsdelen voldoet aan de artikelen 34 tot en met 37, 39 en 40.

Artikel 35 overdrukventielen

Artikel 37 eindafsluiters

Eindafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel d:

Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.

§ 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter

1.

Druk-instelbare ontluchtingsinrichtingen, beluchtinginrichtingen, al dan niet gecombineerd, alsmede afblaasventielen zijn van een gewaarmerkte verzegeling voorzien, welke aan de volgende voorschriften voldoet:

§ 2.1. Tekeningen (Algemeen)

Alle tekeningen:

§ 2.2. Berekeningen

Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:

§ 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter

De ingevolge artikel 69 over te leggen gegevens betreffen voor een trekker de volgende bescheiden:

§ 4. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een getrokken dragend voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter

In afwijking van het bepaalde in artikel 69 worden de hierna genoemde bescheiden bij het aanbieden van het voertuig voor keuring in een keuringsstation van de RDW aan de inspecteur aangeboden:

Artikel 46 rn. 9.2.4.3 tot en met 9.2.4.5

Indien de in artikel 82 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.

§ 1. Algemeen

Bij voertuigen bestemd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager (met uitzondering van dieselolie, gasolie en lichte stookolie – identificatienummer 1202 – met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:1993) of van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 is het aanbrengen van elektrische apparatuur in gesloten ruimten waarin tevens vul- en aftapleidingen, vloeistofpompen en dergelijke ten behoeve van de lading aanwezig zijn, toegestaan indien:

Artikel 95

3.

indien een bediening van de hoofdschakelaar aan de buitenzijde van het voertuig is aangebracht, is deze uitgevoerd in een duidelijk opvallende of contrasterende kleur.

Artikel 56 rn. 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.1 tank-identificatieplaat

Artikel 99

2.

Het in het eerste lid bedoelde waarmerk, zoals gebruikt tot 1 januari 2005, blijft van kracht gedurende de termijn dat de desbetreffende keuring geldig is.

2.

De opschriften zijn van buitenaf duidelijk leesbaar aangegeven.

§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1

1.

Bij het bedieningsmechanisme van de hoofdschakelaar is het opschrift ‘hoofdschakelaar’ in een duidelijk opvallende uitvoering of een naar het oordeel van de directeur duidelijk herkenbaar symbool aangebracht. Bij de in de cabine geplaatste schakelaar behoeft geen opschrift te worden aangebracht indien naar het oordeel van de directeur deze schakelaar op andere wijze voldoende herkenbaar is.

Hoofdstuk VIII Goedkeuringsprocedures

4.

Indien tijdens de nieuwbouw of de wijziging afwijkingen van een in beginsel goedgekeurde tekening wenselijk worden geacht, wordt dit aan de directeur ter goedkeuring voorgedragen.

Artikel 61

Artikel 110

3.

Voor voertuigen die moeten voldoen aan rn. 9.2.3.1 van de ADR voor wat betreft een antiblokkeer systeem of een duurreminstallatie wordt een aanvraagformulier overgelegd zoals genoemd in artikel 69.

De ontwerpaanvraag bevat de volgende tekeningen in tweevoud (indien van toepassing):

Artikel 64

§ 2.2. Berekeningen

Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.

Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen

IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code);

3.

Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen, tanks en tankcontainers worden gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

1.

Deze bijlage is niet van toepassing op:

Artikel 6

3.

Op alle delen van het materiaal bedoeld in het tweede lid is het chargenummer, vermeld in het bijbehorende attest, aangegeven. Dit nummer is door de materiaalfabrikant aangebracht of, bij versneden platen, op een door de directeur te bepalen wijze overgestempeld.

Tot 1 januari 2009 worden de volgende berekeningscodes door de directeur erkend:

1.

Het kwaliteitsniveau van de lassen dient te voldoen aan:

2.

Radiografisch lasonderzoek wordt uitgevoerd en gerapporteerd volgens EN 1435. De techniek van het onderzoek volgens klasse B.

3.

De resultaten van het radiografisch lasonderzoek worden beoordeeld aan de hand van één van de volgende criteria:

1.

Een lasser wordt als gediplomeerd in de zin van bijlage 1 beschouwd indien

2.

De lasmethodekwalificatie is overeenkomstig EN 288 of voldoet aan de voorschriften daaromtrent in de voor het ontwerp van de tanks toegepaste code.

1.

Tanks die niet zijn ontworpen en ingericht om te laden of te lossen onder overdruk en waarvan de waterinhoud van elk tankcompartiment, ongeacht het aantal slingerschotten, ten hoogste 15.000 liter bedraagt, worden geacht de in rn. 6.8.2.1.2 genoemde, op de bodem(s) uitgeoefende kracht ter grootte van 2 maal de massa van de lading te kunnen opnemen.

rn. 6.9

3.

Van tanks vervaardigd uit glasvezelversterkte kunststof mag de waterinhoud ten hoogste 10.000 liter bedragen.

1.

Bij tanks voor het vervoer van een vloeibaar gemaakt gas van klasse 2 is voor het bepalen van de maximaal toelaatbare tankinhoud het vastgestelde maximumvulgewicht bij de maximumvullingsgraad maatgevend.

1.

Kruisende lasnaden in de tankwand zijn niet toegestaan. Ter voorkoming hiervan zijn de volgende constructiewijze of werkwijze toegestaan:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op lasnaden van versterkingsringen, dubbelplaten en dergelijke die lasnaden in de tankwand kruisen.

2.

In dit geval zijn zodanige voorzieningen aangebracht dat:

Tanks bestemd voor het vervoer van vloeistoffen die niet zijn ontworpen overeenkomstig rn. 6.10 van bijlage 1 zijn niet met een scharnierende eindbodem uitgerust.

1.

Voor de constructie van een explosiebestendige tank zijn de volgende criteria van toepassing:

2.

Indien de binnenbekleding uitsluitend is aangebracht om de zuiverheid van de lading te waarborgen, is de bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen maatgevend.

4.

Naast het bepaalde in het eerste lid, wordt bij tanks vervaardigd van aluminiumlegeringen de mate van bestendigheid van het tankmateriaal tegen de te vervoeren stoffen aangetoond, waaraan in elk geval is voldaan indien op basis van algemene bestendigheidlijsten, zoals van de fabrikant van het tankmateriaal, wordt aangetoond dat aantasting van de aluminiumlegering door de te vervoeren stof slechts in beperkte mate is te verwachten.

Artikel 19 rn. 6.8.2.2.4 mangaten

Bij tanks die niet zijn uitgerust met een scharnierende achterbodem bedraagt de inwendige doorsnede van mangaten ten minste 500 mm.

§ 4 Bescherming

2.

Indien de in het Voertuigreglement genoemde beschermingsinrichting tegen klemrijden is aangebracht op ten minste 10 cm achter de achterzijde van de tank of achter de tank aangebrachte apparatuur, kan deze tevens worden aangemerkt als de stootbalk overeenkomstig randnummer 9.7.6.

4.

Indien de tank niet is voorzien van de in rn. 6.8.2.2.2 genoemde eindafsluiter aan het einde van elke vul- en losleiding, bedraagt het weerstandsmoment tegen buiging van de stootbalk om de zwakste doorsnede ten minste 30 cm3.

5.

Indien de tank:

6.

(stootbalk bij tanks met isolerende bekleding) Bij tanks voorzien van een uitwendige isolerende bekleding wordt de achterzijde van de binnentank als het meest naar achteren gelegen deel van de tankwand aangemerkt. De achterzijde van de stootbalk behoeft niet meer dan 50 mm achter de bekledingsbodem te zijn gelegen (gemeten in rijklare toestand van het voertuig), mits de dikte van de isolatie ten minste 50 mm bedraagt.

Artikel 21 bescherming tegen beschadiging bij botsingen of kantelen

1.

Uitwendig tegen de zijkant, de voorbodem en de achterbodem van tanks aangebrachte uitrustingsdelen zijn zodanig bevestigd of beschermd dat geen gevaar bestaat dat de tank tengevolge van op de betreffende uitrustingsdelen uitgeoefende krachten wordt beschadigd.

1.

In het geval van beschermende kappen zoals morsbakken, mag de lengte van de morsbak een uitwendige lengte hebben van maximaal 1500 mm.

3.

In het geval van verzonken aangebrachte uitrusting zoals bedoeld in artikel 6.13.2.3 van EN 13094:2004 behoeft de ring niet de contour van de tank te volgen.

1.

Ter bepaling van de in rn. 6.8.4 TE 19 voorgeschreven maat van 200 mm worden als meest uitstekende deel van de tank uitsluitend de tankwand, ononderbroken versterkingsringen of langsbalken ter bescherming van de tank aangemerkt.

is deze kunststof vlamdovend uitgevoerd, waaraan geacht wordt te zijn voldaan indien monsters zijn beproefd in overeenstemming met ISO-norm 3759:1989

1.

Scharnieren van tankbodems zijn nastelbaar uitgevoerd.

2.

Knevels ten behoeve van de sluiting van de tankbodem voldoen aan de volgende voorschriften:

a. bij een inwendige doorsnede van ten hoogste 50 mm:

2.

Tubelures die aan de buitenzijde van de tank zijn aangebracht, zijn zo kort mogelijk uitgevoerd.

3.

Indien een uitwendige leiding vast op een afsluiter op de tank is aangesloten, zijn beschermende voorzieningen getroffen om te voorkomen dat tengevolge van een ongeval, hierop uitgeoefende krachten tot ondichtheid van de tank leiden.

1.

De doorlaatopening bedraagt ten hoogste 100 mm.

3.

De opening is uitsluitend door middel van een blindflens afgesloten.

2.

Bij toepassing van de combinatie van een veiligheidsventiel en een breekplaat:

Artikel 29 rn. 4.3.4.1.1 en 6.8.2.2.6, bescherming tegen vlaminslag

Beveiligingsinrichtingen van de tank tegen over- en onderdruk met een openingsdruk (verschildruk) van niet meer dan 50 kPa (0,5 bar) zijn bij het vervoer van brandbare stoffen met een vlampunt van ten hoogste 61°C, ongeacht de gevarenklasse, voorzien van de in rn. 4.3.4.1.1, onder deel 4 (veiligheidskleppen/inrichtingen) genoemde bescherming tegen vlaminslag.

Artikel 30 rn. 6.10.3.8 onder b, pomp-/afzuiginrichting

Bij toepassing van pomp-/compressoreenheden waarin, gezien hun constructie, vonkvorming zou kunnen plaatsvinden, wordt geacht te zijn voldaan aan het bepaalde in rn. 6.10.3.8 onder b, indien ten minste één der volgende maatregelen is getroffen:

Naast het bepaalde in rn. 6.8.2.2.2 wordt eveneens geacht aan de controleerbaarheid van de stand (open of dicht) te zijn voldaan, indien bepaalde voor het wegrijden noodzakelijke handelingen zoals het sluiten van een meterkastluik, het uitschakelen van de p.t.o. of de parkeerreminrichting ofwel slechts mogelijk zijn indien bedoelde appendages zijn gesloten, dan wel het sluiten van bedoelde appendages tot gevolg hebben.

Indien de laad- en losinrichtingen zijn aangebracht in gesloten ruimten, zijn deze ruimten voorzien van ventilatieopeningen. Deze ventilatieopeningen zijn in de bodem of zo laag mogelijk in de zijwanden aangebracht en omvatten een gezamenlijk oppervlak van ten minste 20 mm2 per liter inhoud van de te ventileren ruimte.

1.

De hierna genoemde uitrustingsdelen zijn, voor zover zij zijn voorgeschreven of aanwezig zijn, door de directeur goedgekeurd. Op verzoek van de fabrikant of de officiële vertegenwoordiger in Nederland kan een typegoedkeuring worden aangevraagd, overeenkomstig de artikelen 70 tot en met 73:

1.

Ontluchtingsinrichtingen zijn uitgevoerd als:

2.

De voorschriften van de normen EN 13082 (dampafsluiter) en EN 14595(druk- en vacuumontluchting) zijn van toepassing op ontluchtingsinrichtingen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel a, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine zonder giftige and corrosieve subclassificatie.

3.

De inrichtingen voor tanks, anders dan bedoeld in het tweede lid voldoen aan:

Overdrukventielen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b:

Artikel 36 bodemafsluiters

1.

De voorschriften van de normen EN 13308 en EN 13316 zijn van toepassing op bodemafsluiters als bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel c, gebruikt op tanks met een maximale werkdruk van 0,5 bar en het vervoer van vloeibare aardolieproducten en andere gevaarlijk stoffen van klasse 3 met een dampdruk van ten hoogste 1,1 bar en benzine, zonder giftige en corrosieve subclassificatie.

Artikel 38 mangatdeksels

Scharnierende mangatdeksels met een werkdruk boven de 0,5 bar zijn voorzien van tenminste 4 knevelbouten met oog of vleugelmoeren.

Artikel 39 identificatiekenmerken

1.

Tenzij in de betreffende appendagenormen anders wordt bepaald dienen uitrustingsdelen te zijn voorzien van de volgende, duidelijk en duurzaam aangebrachte kenmerken:

3.

De identificatiekenmerken op de appendages worden op een zodanige plaats aangebracht dat deze leesbaar zijn, indien de appendages zijn gemonteerd.

Artikel 42 één-assige aanhangwagens

Eén-assige en meerassige middenasaanhangwagens zijn uitsluitend toegestaan voor het vervoer van vaste (poeder- of korrelvormige) stoffen.

2.

Indien een oplegger niet is voorzien van parkeersteunen, is deze zodanig ingericht dat losse ondersteuningen kunnen worden geplaatst teneinde bij onderhoudswerkzaamheden en bij de periodieke keuring de ledige oplegger af te koppelen.

2.

De tankbevestigingspunten zijn met behulp van een profielconstructie deugdelijk met het voertuigchassis verbonden.

Indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 61°C of lager, van brandbare stoffen van klasse 2 zoals gedefinieerd in rn. 2.2.2.1.1 (FL voertuig) dan wel is uitgevoerd als EX/II of EX/III voertuig, is ten aanzien van de motor die het voertuig voortbeweegt aan de artikelen 47 tot en met 49 te voldoen.

Artikel 47 rn. 9.2.4.4 en 9.3.5

1.

Aan het bepaalde in rn. 9.2.4.4 en 9.3.5 wordt geacht te zijn voldaan indien:

2.

De uitmonding van de uitlaatleiding mag onder het voertuig zijn gelegen indien de uitmonding schuin naar beneden is gericht.

1.

Aan het bepaalde in rn.’s 9.2.4.5 en 9.3.6 is voldaan indien een afscherming is aangebracht die ten minste even doeltreffend is als een afscherming met de onderstaande kenmerken:

3.

Bij een trekker voor het voortbewegen van een oplegger is in elk geval voldaan aan het tweede lid, indien:

5.

In verband met de aansluiting van een uitlaatgasafzuiginrichting behoeft het aan de uitmonding grenzende deel van de uitlaatleiding over een lengte van ten hoogste 10 cm niet te zijn afgeschermd.

Artikel 50 verticaal gerichte uitlaat

1.

Een verticaal gerichte uitlaatleiding is voor alle categorieën (FL, EX/II, EX/III, OX en AT) toegestaan indien:

3.

Bij voertuigen van de categorie FL is aan het einde van de uitlaatleiding een vonkenvanger aangebracht.

§ 2. Hulpmotor (Verbrandingsmotor)

Artikel 52 rn. 9.2.2.2.1 zekeringen

1.

Het van fabriekswege tot de standaarduitrusting van een voertuig behorende zekeringenbestand wordt als voldoende aangemerkt, indien ten minste aan het onderstaande is voldaan:

2.

Indien een voertuig is uitgerust met extra accu’s ten behoeve van hulpapparatuur, voldoen deze aan de volgende voorschriften:

De uitvoering van de in genoemd randnummer voorgeschreven identificatieplaat voldoet aan de navolgende voorschriften:

Artikel 57 rn 6.8.2.5.1 en 6.8.3.5.10 waarmerk

Artikel 58 rn. 6.8.2.5.2, 6.8.3.5.6, 6.8.3.5.11 en 6.8.3.5.12

1.

Voor de in de VLG voorgeschreven opschriften bedraagt de letterhoogte voor:

3.

Bij vervoer van vloeibaar gemaakte gassen worden de op het voertuig aan te brengen opschriften aangevuld met het hoogst toelaatbare vulpercentage.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 58 is het voor de buitenzijde voorgeschreven opschrift met een letterhoogte van ten minste 10 mm uitgevoerd.

Artikel 60

1.

Alvorens tot keuring van een nieuw of gewijzigd voertuig of voertuigdeel wordt overgegaan, zijn ontwerpgegevens van de constructie bij IKS overgelegd en akkoord bevonden;

3.

Bij ontwerptekeningen, respectievelijk berekeningen inzake een wijziging, wordt deze wijziging zo volledig mogelijk omschreven.

5.

De directeur deelt de goedkeuring van het ontwerp, waaraan voorschriften kunnen worden verbonden, schriftelijk mede aan de ondernemer;

Aan de daartoe door de directeur aangewezen inspecteurs wordt tijdens de bouw of het wijzigen van een voertuig te allen tijde gelegenheid gegeven daarbij tegenwoordig te zijn en worden alle gewenste inlichtingen verstrekt en alle medewerking verleend.

§ 2. Ontwerpbeoordeling voertuigen met uitzondering van trekkers en dragende motorvoertuigen, opleggers en aanhangwagens voor containers met een inhoud van meer dan 3000 liter

2.

Voor voertuigen die moeten voldoen aan rn 9.7.5.2 van de ADR wordt aangegeven op welke wijze voldaan wordt.

§ 2.1 Tekeningen (Algemeen)

Alle tekeningen:

Artikel 65

1.

Overzichtstekeningen geven aan voor wat betreft het complete voertuig:

Artikel 68

Bij het ontwerp worden per voertuig ten minste de volgende berekeningen overgelegd:

§ 3. Beoordeling van een aanvraag voor goedkeuring van een trekker of een dragend motorvoertuig of getrokken voertuig voor containers met een inhoud groter dan 3000 liter

Artikel 69

1.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, wordt een aanvraagformulier volgens een door de directeur vastgesteld model overgelegd.

2.

Op het aanvraagformulier wordt door de fabrikant van het voertuig of zijn officiële vertegenwoordiger in Nederland verklaard aan welke ADR typegoedkeuring het voertuig voldoet. Tevens wordt verklaard dat het ABS en indien van toepassing de duurreminstallatie voldoen aan de eisen zoals vastgesteld in het ADR.

§ 4. Typegoedkeuring uitrustingsdelen

Artikel 70

Typegoedkeuring voor de in artikel 33 genoemde uitrustingsdelen wordt uitsluitend verleend aan de fabrikant van de appendages of aan de officiële vertegenwoordiging daarvan in Nederland.

Artikel 71

De aanvraag ter verkrijging van een typegoedkeuring gaat vergezeld van de volgende bescheiden:

Artikel 72

De in artikel 71, onderdelen b, c en e, bedoelde bescheiden worden door de fabrikant van de appendages verstrekt.

Artikel 73

Indien de in artikel 71 bedoelde over te leggen bescheiden door de directeur akkoord zijn bevonden wordt een proefexemplaar van het appendage, dat van de vereiste merk- en typeaanduiding(en) is voorzien, ter beoordeling overgelegd.

Hoofdstuk IX Keuringen en beproevingen

§ 1. Algemeen

Artikel 74

Naast het overige dat in de VLG is voorgeschreven, wordt een voertuig onderscheidenlijk tank voor een keuring respectievelijk beproeving aangeboden:

Artikel 75

1.

Een nieuw gebouwd of gewijzigd voertuig voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt niet in dienst gesteld dan na goedkeuring door of namens de directeur.

2.

De keuringen en beproevingen worden slechts verricht na ontvangst van een schriftelijke orderbevestiging.

3.

De keuringsdatum wordt vastgesteld nadat de ontwerpgegevens zijn goedgekeurd door de directeur.

4.

In geval van verhindering is daarvan voor de keuringsdatum kennis gegeven aan de directeur.

Artikel 76

Bij de keuring wordt nagegaan of het te keuren object:

Artikel 77

1.

Bij keuringen en beproevingen staat voldoende geschoold personeel en gereedschap ter beschikking, opdat eventuele verrichtingen als hydraulische proefpersingen, dichtheidsbeproevingen, wanddiktemetingen, demontage van onderdelen, remproeven en dergelijke, een vlot verloop kunnen hebben.

2.

Bij keuringen en beproevingen bevinden de voertuigen en in het bijzonder de tanks met bijbehorende appendages, zich in een in- en uitwendig afdoende gereinigde staat.

Artikel 78

Voor zover geen inwendige inspectie of proefpersing van de tank is vereist, behoeft de tank niet inwendig te worden gereinigd bij de keuring van:

Artikel 79

1.

Bij keuringen, onderscheidenlijk beproevingen zonder inwendige inspectie van de tank wordt het bepaalde onder artikel 77, tweede lid, bevestigd in een door de eigenaar, dan wel houder van het voertuig opgestelde verklaring, welke onmiddellijk vóór de keuring onderscheidenlijk beproeving aan de keurende inspecteur wordt afgegeven.

2.

In deze verklaring is tevens vermeldt welke stof, aangegeven door naam, klasse en rn., als laatste werd vervoerd voorafgaand aan het tijdstip van keuring onderscheidenlijk beproeving.

Artikel 80

1.

Voorafgaand aan een inwendige inspectie is de tank inwendig gereinigd.

2.

Onmiddellijk voor de inwendige inspectie van de tank wordt een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat de veiligheid van degene die de tank inwendig inspecteert, is gegarandeerd. In het certificaat is ten minste aangegeven:

3.

Het in het tweede lid genoemde certificaat is opgemaakt door een deskundige, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder v van het Veiligheidsbesluit Tankschepen, van een door het Directoraat Generaal van de Arbeid erkende rechtspersoon.

4.

Indien de fabrikant van de tank of de werkplaats waar de tank wordt geïnspecteerd ten minste is gecertificeerd voor een kwaliteitsborgingssysteem volgens de norm ISO 9001:2000, kan de directeur onder nader bekend te maken voorschriften en beperkingen toestaan dat het certificaat, bedoeld in het tweede lid, door de eigen gekwalificeerde deskundige wordt opgesteld en gewaarmerkt.

5.

Het in het tweede lid genoemde certificaat behoeft niet te worden overgelegd, indien:

Artikel 81

Indien bij een keuring of beproeving gebreken worden vastgesteld van zodanige aard dat niet tot goedkeuring kan worden overgegaan, wordt aan de ondernemer een opgave verstrekt van de gebreken die tot de weigering van de goedkeuring hebben geleid en wordt het voertuig, nadat de nodige voorzieningen zijn getroffen, voor herkeuring aangeboden.

§ 2. Beproevingen (Algemeen)

Artikel 82 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing /rn.

1.

Hydraulische proefpersingen en dichtheidsproeven worden onder toezicht van IKS verricht.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de directeur toestaan dat bedoelde beproevingen worden verricht onder toezicht van een door hem aan te wijzen deskundige, in dat geval wordt een door genoemde deskundige gewaarmerkt certificaat overgelegd, waarin is vermeld:

Artikel 83

Bij tanks overeenkomstig rn. 6.8.2.1.14 onder (a), die zijn verdeeld in compartimenten en die zijn gebouwd volgens de met ingang van 1 januari 1990 geldende voorschriften, wordt de proefpersing van elk compartiment verricht bij een druk gelijk aan die van de gehele tank.

Artikel 84

1.

De bij de proefpersing toegepaste druk bedraagt in elk geval ten minste 25 kPa (0,25 bar).

Indien de proefpersing met vloeistof als medium wordt verricht, wordt genoemde druk gemeten boven in de tank.

2.

Bij een beproevingsdruk van ten hoogste 50 kPa (0,5 bar) mag lucht of een ander gas als beproevingsmedium worden toegepast, voor zover dat in geen enkel opzicht gevaar oplevert.

Artikel 85 rn. 6.8.2.4.1 hydraulische proefpersing / rn. 6.8.2.4.3 dichtheidsproef

1.

De in rn. 6.8.2.4.3 bedoelde inwendige druk van ten minste 20 kPa (0,2) bar, wordt bij beproeving met vloeistof als medium, gemeten boven in de tank.

2.

Indien de tank is voorzien van een ontluchtings- en veiligheidsinrichting die voorkomt dat de inhoud uit de tank ontsnapt, wordt de dichtheidsproef verricht bij een inwendige druk welke ten minste gelijk is aan de openingsdruk van deze voorziening.

§ 3. Fabricageonderzoek rn. 6.8.2.4.1

Artikel 86

Uiterlijk bij de aanvang van de keuring worden de volgende bescheiden overgelegd:

Artikel 87 proefpersing

1.

Bij de proefpersing worden alle noodzakelijke inspecties verricht om vast te stellen dat:

2.

Bij de proefpersing is de tank:

§ 4. Periodiek inspectie en beproeving rn. 6.8.2.4.2

Artikel 88

Voor de periodieke inspectie en beproeving wordt de tank van een tankvoertuig en een tankcontainer tijdig voor het aflopen van de in rn. 6.8.2.4.2 genoemde termijnen bij IKS voor keuring aangeboden.

Artikel 89

Indien de resultaten van het inwendige onderzoek van de tank daartoe aanleiding geven en in elk geval met tussenliggende perioden van ten hoogste 12 jaar, wordt tevens een onderzoek naar de tankondersteuning ingesteld, waartoe de eventueel aanwezige tankommanteling wordt verwijderd voor zover dit met het oog op het onderzoek naar het oordeel van de directeur noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 90

1.

De hydraulische proefpersing wordt bij de tank als geheel verricht bij de beproevingsdruk, zoals vermeld op de tank-identificatieplaat (stempelplaat).

2.

Per compartiment wordt de hydraulische proefpersing verricht bij een druk gelijk aan 1,3 maal de op de stempelplaat aangegeven werkdruk.

3.

Indien de beproeving per compartiment plaats vindt aansluitend aan de in het eerste lid bedoelde beproeving, behoeven de aan het te beproeven compartiment grenzende compartimenten niet te zijn geledigd.

§5. Periodieke keuring voertuig

Artikel 91

De ondernemer wordt, ten behoeve van de jaarlijkse periodieke keuring, in de regel ten minste acht dagen voor de vervaldag van het keuringsdocument namens de directeur door het keuringsstation van VT waaronder de ondernemer ressorteert, bericht gegeven. Datum, plaats, en tijdstip van de keuringen worden door het betrokken keuringsstation in overleg met de aanvrager vastgesteld.

Artikel 92

Het niet ontvangen van de in artikel 91 bedoelde oproep ontslaat de ondernemer niet van zijn plicht de keuring tijdig aan te vragen.

Artikel 93

Bij de periodieke keuring wordt nagegaan of het voertuig:

Artikel 94

1.

Indien ten behoeve van de periodieke keuring het inwendig reinigen van de tank niet, of slechts met zeer grote moeite mogelijk is, kan ontheffing daarvan worden aangevraagd bij IKS.

2.

Wanneer de gevraagde ontheffing wordt verleend, zal de tank op door de directeur vast te stellen termijnen aan vervangende en aanvullende beproevingen worden onderworpen. Het voertuig wordt voor deze vervangende en aanvullende beproevingen aangeboden bij IKS.

3.

Het oorspronkelijk verstrekte keuringsdocument wordt daarbij vervangen door een exemplaar waarop uitsluitend die stoffen zijn vermeld, welke aanleiding gaven tot het aanvragen van de ontheffing.

4.

Indien de eigenaar of houder van het voertuig niet langer van de ontheffing gebruik wenst te maken, wordt het voertuig bij het keuringsstation van VT aangeboden waar dit is geregistreerd ter controle van die aspecten, die tengevolge van bedoelde ontheffing bij de voorgaande periodieke keuring achterwege zijn gebleven; eerst daarna kan het voertuig wederom worden goedgekeurd voor de stoffen die op het oorspronkelijke keuringsdocument waren vermeld.

§6. Keuring na belangrijke herstelling ongeval

Artikel 95 rn. 6.8.2.4.4

Bij een schademelding ingevolge artikel 5, zijn tevens de volgende voorschriften van toepassing:

Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 96

Deze bijlage is van toepassing op voertuigen, tanks, tankcontainers en hun uitrusting, die zijn vervaardigd overeenkomstig de VLG.

Artikel 97

1.

Bijlage 4 bij de VLG, zoals deze luidde met ingang van 11 september 2002 en zoals gewijzigd met ingang van 1 januari 2005, blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.

2.

De Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1990 blijft van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht was.

3.

De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1985 (R.V.L.G. ’85) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.

4.

De Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen 1978 (R.V.L.G. ’78) blijven van toepassing op voertuigen waarvoor zij bij de toelating van kracht waren.

Aanhangsel 1 als bedoeld in artikel 57, bijlage 4, Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen: waarmerk

Het in het waarmerk opgenomen nummer ‘01’ kan variëren afhankelijk van degene die de keuring uitvoert.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage 1, die ter inzage wordt gelegd bij het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Nieuwe Uitleg 1 te Den Haag.