Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1999-2000

Type Circulaire
Publication 1999-06-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Circulaire aan de ministers

Inleiding/managementinformatie

Op 2 juni 1999 is met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Rijkspersoneel (SOR) een overeenkomst gesloten over de arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de contractperiode 1 juni 1999 - 1 augustus 2000. Een afschrift van de overeenkomst is als bijlage 1 bij deze circulaire gevoegd. De formalisering daarvan is thans ter hand genomen.

Bij deze circulaire informeer ik u over de inhoud van de gesloten overeenkomst. Aan het slot van deze circulaire zijn de contactpersonen vermeld voor de overeengekomen maatregelen.

I. Wijziging van de salarissen en van de eindejaarsuitkering (Onderdeel 2.1 van de overeenkomst)

1. Salarisverhoging per 1 augustus 1999

Met ingang van 1 augustus 1999 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk verhoogd met 2,9%.

a. Salarisbedragen per 1 augustus 1999

In verband met de salarisverhoging van 2,9% komen de salarisbedragen voor volwassenen per 1 augustus 1999 te luiden zoals aangegeven in de bij deze circulaire als bijlage 2 gevoegde inpassingstabel.

De als bijlage 3 bijgevoegde inpassingstabel per 1 augustus 1999 vermeldt de zogenaamde ’tussen’-bedragen. Dit zijn in het verleden gegarandeerde salarisbedragen die niet meer voorkomen in de bijlagen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984), maar die binnen de sector Rijk nog sporadisch worden gehanteerd.

De nieuwe salarisbedragen voor jeugdigen (de zogenaamde ’J-bedragen’), voorkomende in bijlage B van het BBRA 1984, zijn vermeld in de inpassingstabel die als bijlage 4 bij deze circulaire is gevoegd.

Als bijlage 5 is bijgevoegd een overzicht van de schalen van het BBRA 1984 per 1 augustus 1999.

b. Aanpassing van toelagen, vergoedingen en dergelijke

Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het BBRA 1984 en toelagen die krachtens een BBRA-overgangsregeling nog van toepassing zijn, dienen in het algemeen in verband met de algemene salarisverhoging te worden verhoogd met ingang van 1 augustus 1999. Veelal vindt dit automatisch plaats, bijvoorbeeld voor toelagen die zijn uitgedrukt in een percentage van het salaris van de ambtenaar of die overeenkomen met één of meer periodieke salarisverhogingen in de salarisreeks. Hiervoor kan onder meer worden gedacht aan de toelage onregelmatige dienst (artikel 17, tweede lid, BBRA 1984).

Indien zo’n automatische aanpassing niet plaatsvindt, dient – behalve in gevallen als hierna bedoeld – met ingang van 1 augustus 1999 een verhoging te worden toegepast van 2,9%.

Ten slotte zijn er toelagen die geen aanpassing behoren te ondergaan, bijvoorbeeld op grond van hun aard of op grond van de desbetreffende toekenningsbeschikking. Deze toelagen blijven dus ongewijzigd.

De herziening van bijzondere regelingen die zijn getroffen met toepassing van artikel 26 BBRA 1984, dient van geval tot geval te worden beoordeeld, zo nodig in overleg met de afdeling Arbeidsvoorwaarden van mijn ministerie. Indien tot bijstelling wordt overgegaan, dient een afschrift daarvan ter informatie te worden gezonden aan genoemde afdeling.

In verband met de algemene salarisverhoging wordt de ingevolge artikel 13, derde lid, van de Overgangsregeling BBRA 1984 gehandhaafde EHBO-toelage per 1 augustus 1999 verhoogd van f 16,98 tot f 17,47 per maand.

c. Minimumbedrag van de vakantie-uitkering

In verband met de algemene salarisverhoging wordt het minimumbedrag van de vakantie-uitkering per 1 augustus 1999 verhoogd van f 258,90 tot f 266,41 per maand.

d. Uitbetaling

Ik verzoek u in verband met genoemde salarismaatregel met ingang van de salaris-betaling van augustus 1999 rekening te houden met het voorgaande.

e. Algemeen karakter

Deze salarisverhoging heeft een algemeen karakter en werkt daarom door naar wachtgelden, pensioenen e.d.

2. Verhoging van de eindejaarsuitkering over 1999

De eindejaarsuitkering voor het jaar 1999 wordt eenmalig verhoogd met 0,5 procentpunt. De verhoging voor 1999 werkt terug tot en met 1 januari 1999. Met ingang van 1 januari 2000 zal de eindejaarsuitkering weer gelijk zijn aan het huidige niveau, te weten 0,3%.

De verhoging van de eindejaarsuitkering met 0,5 procentpunt werkt in verband met de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1999 ook door in de berekeningsgrondslag voor het wachtgeld (Rijkswachtgeldbesluit 1959) of overeenkomstige uitkeringen van ambtenaren die op of na 2 januari 1999 met wachtgeld of met een overeenkomstige uitkering zijn gegaan. Indien in de periode januari 1999 tot en met december 1999 in de berekeningsbasis van het wachtgeld of uitkering als eindejaarsuitkering 0,8% is opgenomen, blijft voor betrokkenen ook na 1999 in de berekeningsgrondslag de eindejaarsuitkering op 0,8% gehandhaafd.

II. Individuele arbeidsvoorwaarden (onderdeel 3 van de overeenkomst)

1. Individuele beloning

Er wordt een SOR-werkgroep Individuele beloning (IB) ingesteld. Deze werkgroep bestaat uit een delegatie van vier personen van de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel en een delegatie van vier personen van werkgeverszijde, waaronder de voorzitter. De werkgroep maakt een analyse van de sterke en zwakke kanten van de salarisstructuur.

Vóór 1 januari 2000 zal het rapport van de SOR-werkgroep aan het SOR worden aangeboden. Het SOR zal op basis van dit rapport besluiten of, en zo ja, op welke wijze, een vergroting van de individuele beloning in de rijksdienst plaatsvindt.

2. Individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket (Ikap)

In de vorige arbeidsvoorwaardenovereenkomst is aan departementen tijdelijk de mogelijkheid geboden om door middel van pilots te experimenteren met het verruimen van de individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket. Hiertoe is een AMvB opgesteld die loopt tot 1 januari 2001 (de Tijdelijke regeling individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket sector Rijk).

In de huidige arbeidsvoorwaardenovereenkomst zijn de volgende afspraken gemaakt.

Ook is overeengekomen een regeling te ontwerpen die life-time sparen van verlofuren mogelijk maakt. Deze regeling dient te voldoen aan de Comptabiliteitswet en aan de fiscale regelgeving ter zake.

III. Ziektekosten (onderdeel 4 van de overeenkomst)

1. Collectief ziektekostenverzekeringscontract

Het SOR streeft ernaar voor 1 januari 2001 te besluiten of, en zo ja met welke verzekeringsmaatschappij(en), een collectief contract voor het rijkspersoneel zou kunnen worden afgesloten. Het SOR staat hierbij een collectief contract voor ogen dat een kwalitatief hoogwaardig pakket biedt met ruime individuele keuzemogelijkheden. Deze collectieve ziektekostenverzekering dient algemeen toegankelijk te zijn tegen een aantrekkelijke premie.

De SOR-werkgroep ’Herijking ziektekostenregelingen’ zal een conceptofferteaanvraag opstellen voor een collectief ziektekostenverzekeringscontract voor het rijkspersoneel. Voor het beoordelen van offertes stelt de werkgroep een toetsingskader op.

Met de besturen van de bestaande vrijwillige departementale collectieve ziektekostenverzekeringen zal de werkgroep overleggen over hun mogelijke rol in de vormgeving en de organisatie van een collectief ziektekostenverzekeringscontract.

Ik zal u op de hoogte houden van de ontwikkelingen.

2. Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (Btzr)

De Btzr-bijdrage wordt gehandhaafd op het niveau van 1999 tot het moment waarop de Btzr-bijdrage het niveau bereikt van het totaal van de helft van de MOOZ-bijdrage, de helft van de WTZ-bijdrage en 50% van het bedrag van de component ’polis’ van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd.

Vervolgens wordt de Btzr-bijdrage jaarlijks vastgesteld op 50% van het totaal van de MOOZ-bijdrage, de WTZ-bijdrage en het bedrag van de component ’polis’ van de particuliere ziektekostenpremie voor maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau wordt geraamd.

3. De Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (Zvr)

Per 1 januari 2000 worden de mogelijkheden om ziektekosten in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel beperkt tot:

Ten overvloede merk ik op dat indien een ambtenaar wordt geconfronteerd met excessieve, te zijnen laste blijvende, kosten verband houdende met ziekte, hij een verzoek kan doen aan het bevoegd gezag om hierin een tegemoetkoming te ontvangen krachtens artikel 47 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

4. Vrijvallende middelen

De middelen die per saldo beschikbaar komen door wijzigingen van de ziektekostenregelingen worden jaarlijks aangewend voor een eindejaarsuitkering, tenzij door het SOR hieraan een andere bestemming wordt gegeven.

IV. Diversiteitsbeleid (onderdeel 5.1 van de overeenkomst)

Vastgelegd is dat het personeelsbestand van de rijksoverheid naar leeftijd, sekse en etniciteit een afspiegeling moet zijn van de samenleving. De departementen zullen hieraan in samenspraak met de medezeggenschap door het voeren van een diversiteitsbeleid invulling geven.

De departementen zullen het beleid ten aanzien van het bevorderen van instroom en doorstroom van minderheden in overeenstemming met de vereisten van de Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden voortzetten en stimuleren.

De departementen zullen het beleid ten aanzien van het behoud en doorstroom van vrouwen naar hogere gezichtsbepalende functies intensiveren.

De departementen zullen in 2000 tenminste 150 additionele werkervaringsplaatsen creëren ten behoeve van langdurig werklozen en leerlingwerknemers. Voor de bekostiging kan door de departementen een beroep gedaan worden op middelen die beschikbaar komen via de Wet Inschakeling Werkzoekenden, de Europese structuurfondsen en het A+O fonds Rijk.

De departementen zullen een extra inspanning verrichten om – mede met behulp van de middelen die beschikbaar zijn via de Wet reïntegratie arbeidsgehandicapten – het aandeel arbeidsgehandicapten substantieel te verhogen, op weg naar 5%.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) draagt er jaarlijks zorg voor dat het SOR geïnformeerd wordt over de voortgang van het diversiteitsbeleid. De departementen zullen hiervoor de benodigde informatie aanleveren.

V. Traineeproject (Onderdeel 5.2. van de overeenkomst)

Het in 1998 gestarte Traineeproject Rijksoverheid wordt verlengd met een derde en vierde tranche. In 2000 en 2001 zullen ten minste 100 traineeplaatsen worden gecreëerd voor pas afgestudeerde HBO’ers en WO’ers.

Grondslag voor de verlenging vormt de subsidieregeling van 1 december 1997. In overleg met de interdepartementale projectgroep zal worden bezien of aanpassing van de regeling nodig is vooruitlopend op rapportages van de departementen over de eerste en tweede tranche en op de eindevaluatie. Te denken valt aan nadere specificatie van de bestedingsvoorwaarden op het gebied van opleiding, mobiliteit, begeleiding en instroom in een reguliere functie.

Daarnaast zal met het oog op de creatie van extra traineeplaatsen worden onderzocht of medefinanciering door departementen mogelijk is.

De besluitvorming over de invulling van de verlenging zal in het najaar van 1999 plaatsvinden.

VI. Reïntegratie personen met wachtgeld (onderdeel 5.3. van de overeenkomst)

Reïntegratie van personen met een wachtgelduitkering is van belang voor zowel de wachtgelder als de werkgever. Daarnaast heeft het personeels- en lijnmanagement de taak te blijven streven naar het voorkomen van de instroom in het wachtgeld.

Onlangs heeft het SOR voor de Uitkeringsregeling 1966 (UR’66) handhavings- en sanctiebepalingen vastgesteld. Het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB’59) heeft nog geen adequaat handhavings- en sanctiebeleid. Het SOR heeft voor het RWB’59 handhavings- en sanctiebepalingen vastgesteld die overeenkomen met de bepalingen voor de UR’66.

VII. Arbeidsmarktcommunicatie (onderdeel 5.4. van de overeenkomst)

Juist op een krappe arbeidsmarkt is een positief imago een essentiële voorwaarde voor effectieve arbeidsmarktcommunicatie. Dit geldt op het niveau van individuele, decentrale werkgevers maar ook op het niveau van de centrale werkgever sector rijk.

Er zullen activiteiten worden ontplooid om de beeldvorming over het werken bij de rijksdienst positief te beïnvloeden. Voor 1 januari 2000 zal door de werkgever een plan van aanpak gemaakt worden dat zal worden besproken in het SOR.

VIII. Werkdruk (onderdeel 6.1. van de overeenkomst)

Werkdruk wordt gezien als serieus vraagstuk dat om een stevige aanpak vraagt. De ministeries worden opgeroepen om in overleg met de medezeggenschapsorganen maatregelen te treffen: maatregelen om de werkdruk te verminderen, indien daarvan sprake is, èn maatregelen om werkdruk te voorkomen. Dit gebeurt concreet door:

De ministeries worden opgeroepen om elkaar en het SOR over de maatregelen te informeren, om de ondersteunende rol van het SOR verder inhoud te geven.

De aanpak van werkdruk vereist maatwerk, per departement of departementsonderdeel. De rol van BZK bestaat uit:

Door een aantal departementen zijn al maatregelen genomen, vooral om werkdruk in kaart te brengen, maar ook ter voorkoming daarvan. Voorzover dat nog niet is gebeurd zal in overleg met medezeggenschapsorganen moeten worden geïnventariseerd waar zich te hoge werkdruk voordoet en wat de oorzaken daarvan zijn. Verder zullen zonodig maatregelen moeten worden getroffen om deze werkdruk te verminderen of te voorkomen, in het bijzonder bij reorganisatieprocessen.

IX. Scholing (onderdeel 6.2. van de overeenkomst)

Door middel van het intensiveren van het scholingsbeleid zal de inzetbaarheid van het personeel vergroot worden. De verschillende activiteiten vinden plaats in het verlengde van de artikelen 59 en 60 van het ARAR.

Het ministerie van BZK zal in samenwerking met het A+O fonds Rijk en een aantal betrokken ministeries kleinschalige pilotprojecten ontwikkelen gericht op het opdoen van ervaring met op individuele leest geschoeide niet-functiegerichte scholingsafspraken en hieraan verbonden persoonsgebonden scholingsbudgetten.

Daarnaast zal onderzocht worden op welke wijze de aansluiting van het aanbod van scholing naar aard en kwaliteit op de behoefte van de werkgevers en werknemers in de sector Rijk verbeterd kan worden.

Tevens wordt bezien of door het maken van afspraken tussen reguliere onderwijsinstellingen en departementen de kwalificatie-eisen van de onderwijsinstellingen beter afgestemd kunnen worden op de kwaliteitseisen van de departementen. Hiertoe zullen departementen gestimuleerd worden in samenwerking met onderwijsinstellingen duale leerwegen te ontwikkelen.

Eind 2000 zal over de stand van zaken ten aanzien van het ontwikkelen van duale leerwegen gerapporteerd worden aan het SOR.

De departementen kunnen ten behoeve van het uitvoeren van hun scholingsprogramma’s voor minderheden, langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten en ouderen subsidies aanvragen bij het A+O fonds Rijk.

Tevens kunnen de departementen een beroep doen op de per 1 januari 1999 beschikbaar gekomen fiscale faciliteit Afdrachtvermindering scholing. Over de voorwaarden waaronder de departementen gebruik kunnen maken van deze faciliteit zal binnenkort een afzonderlijke circulaire verschijnen.

X. Medezeggenschap (Onderdeel 6.3.1. van de overeenkomst)

Uit het evaluatieonderzoek naar de invoering van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) bij de sector Rijk is gebleken dat deze invoering bevredigend is verlopen. Aan enkele gesignaleerde knelpunten zal aandacht worden besteed:

Al deze onderwerpen zullen in een afzonderlijke circulaire worden toegelicht. Voorts zal aandacht worden gegeven aan de kaders van de WOR ten opzichte van de positie van bestuurders en leden van ondernemingsraden. Tevens komt in bovengenoemde circulaire aan de orde het feitelijk functioneren van het decentrale overleg, waaronder de afbakening van taken en bevoegdheden van de ondernemingsraden, groepsondernemingsraden en het departementaal georganiseerd overleg (DGO). Over dit laatste onderwerp zal door het SOR een themadag worden georganiseerd.

XI. Sociaal beleid (onderdeel 6.3.2. van de overeenkomst)

Ten aanzien van veranderingsprocessen kan worden geconstateerd dat, gelet op de resultaten van het onderzoek naar de effecten van het eertijds afgesproken sociaal beleid, de in hoofdstuk VII van het ARAR neergelegde regelgeving voldoende zekerheid geeft om de sociale gevolgen van reorganisaties op te vangen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.