Besluit van 8 juni 1999, houdende vaststelling van de regeling inzake de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van defensie personeel (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie)

Type AMvB
Publication 2025-01-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 12 januari 1999, nr. P/98008731;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 4 maart 1999, no. WO7.99.0019/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 2 juni 1999, nr. P/99002950;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt volgens Stb. 2001/277 in werking als fase 2 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in werking treedt. Besluit in werking getreden o.g.v. de formulering in de Nota van Toelichting van Stb. 2001/277.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Bovenwettelijke uitkeringen

Artikel 2. Aansluitende uitkering
1.

Betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en die op de dag voor het intreden van zijn werkloosheid een aangesloten dienstijd heeft van tenminste 6 jaar en 40 jaar of ouder is, heeft na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering. De duur van de aansluitende uitkering is het verschil in uitkeringsduur tussen de WW en de uitkeringsduur van de WW zoals deze gold voor 1 oktober 2006.

2.

In afwijking van het eerste lid is, voor de betrokkene met een arbeidsverleden van ten minste 22 jaar, die onder toepassing van het Sociaal Beleidskader wordt ontslagen, de duur van de aansluitende uitkering tweemaal de duur van het recht op een WW-uitkering zoals dat luidt op 1 januari 2012.

4.

Onze Minister kan voor de berekening van de diensttijd, bedoeld in het eerste en derde lid, de tijd meetellen, die betrokkene bij een andere sector van de overheid heeft doorgebracht, indien die betrokkene in het kader van een reorganisatie bij die andere sector van de overheid bij het Ministerie van Defensie te werk is gesteld.

5.

Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur daarvan, maar uiterlijk de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

6.

Er bestaat geen recht op aansluitende uitkering als betrokkene zijn recht heeft afgekocht als bedoeld in artikel 15.

Artikel 3. Aanvullende uitkering
1.

Betrokkene, die recht heeft op een WW-uitkering, dan wel een aansluitende uitkering ingevolge artikel 2, heeft recht op een aanvullende uitkering.

2.

Er bestaat geen recht op aanvullende uitkering als betrokkene zijn recht heeft afgekocht als bedoeld in artikel 15.

Artikel 4. Hoogte aanvullende uitkering
1.

De WW-uitkering wordt gedurende de eerste zes maanden aangevuld tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en gedurende de resterende periode tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.

2.

Gedurende de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in artikel 2, bedraagt de uitkering 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.

Artikel 5. Aanvullende uitkering bij ziekte
1.

Indien betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op een loongerelateerde WW-uitkering of op een aansluitende uitkering, wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en daarom een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt, wordt de uitkering krachtens de Ziektewet aangevuld tot de percentages van het dagloon bedoeld in artikel 4.

2.

De uitkering krachtens de Ziektewet wordt aangevuld tot het percentage van het voor betrokkene geldende dagloon, bedoeld in artikel 4, dat van toepassing zou zijn indien betrokkene niet ziek zou zijn.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt indien de vrouwelijke betrokkene gedurende de periode dat zij recht heeft op een loongerelateerde WW-uitkering of op een aansluitende uitkering recht krijgt op een uitkering krachtens artikel 29a van de Ziektewet, die uitkering aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon.

Artikel 6. Aanvullende overlijdensuitkering
1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de uitkering bedoeld in artikel 35, dan wel 36 van de Ziektewet aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon over een tijdvak van 3 maanden.

2.

Indien betrokkene overlijdt tijdens de duur van de uitkering op grond van dit besluit en er geen recht bestaat op een overlijdensuitkering op grond van artikel 35 en 36 van de Ziektewet, uitsluitend omdat betrokkene niet meer verzekerd is op grond van de Ziektewet, wordt een overlijdensuitkering betaald onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 en 36 van de Ziektewet. Deze uitkering wordt aangevuld overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 7. Voorwaarden aanvullende en aansluitende uitkeringen
1.

Tijdens de duur van de aanvullende en aansluitende uitkeringen zijn de regels betreffende het recht op een WW-uitkering welke bij of krachtens de WW zijn vastgesteld van overeenkomstige toepassing.

2.

Tijdens de duur van de aanvullende uitkering bij ziekte zijn de regels betreffende het recht op een Ziektewet-uitkering welke bij of krachtens de Ziektewet zijn vastgesteld van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan Onze Minister nadere regels stellen.

Artikel 8. Aanvraag uitkering

Onze Minister beslist over de toekenning van de bovenwettelijke uitkering op aanvraag van betrokkene.

Hoofdstuk 3. Loonaanvulling, aanspraken bij werkloosheid na werkhervatting en privatiseringsontslag

Artikel 9. Loonaanvulling
1.

Betrokkene, die aansluitend aan zijn ontslag een passende nieuwe betrekking aanvaardt, ontvangt op zijn aanvraag een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het dagloon dat voor hem zou gelden als hij werkloos zou zijn geworden.

2.

Betrokkene, wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk wordt beëindigd wegens het aanvaarden van een passende nieuwe betrekking ontvangt op zijn aanvraag een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het voor hem geldende dagloon.

4.

De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de omvang van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe betrekking groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het feitelijk verschil in dagloon tussen het voor hem geldende dagloon en het dagloon uit de nieuwe betrekking.

6.

Indien betrokkene wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, of wegens een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, verhinderd is zijn arbeid te verrichten, of zijn arbeid niet verricht wegens verlof, blijft het recht op loonaanvulling bestaan voor zolang hij recht heeft op loon, maar ten hoogste gedurende de periode bedoeld in het vijfde lid.

7.

De loonaanvulling eindigt met ingang van de dag, waarop betrokkene opnieuw werkloos wordt of niet meer voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, of de duur van de uitkering is verstreken.

8.

Indien betrokkene na beëindiging van de betrekking als bedoeld in het eerste en tweede lid, een volgende passende betrekking aanvaardt, herleeft het recht op loonaanvulling voor de resterende duur daarvan.

9.

Dit artikel is mede van toepassing op degene aan wie op aanvraag ontslag wordt verleend op voorwaarde dat:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.