Besluit van 6 augustus 1999, houdende vaststelling van de algemene berekeningswijze van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, de educatie en de landelijke organen, alsmede vaststelling van voorschriften over het informatieverkeer, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (Uitvoeringsbesluit WEB)

Type AMvB
Publication 2024-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 124
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordrachten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 8 maart 1999, nr. 1998/8716 (3704) en van 31 maart 1999, nr. 1999/14257 (3693), directie Wetgeving en Juridische Zaken, de eerste voordracht gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op de artikelen 2.2.1, eerste lid en vijfde lid, 2.2.4, vierde lid, 2.2.12, tweede lid, 2.3.1, eerste en derde lid, 2.3.6, tweede en derde lid, 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.4.2, vierde lid, 2.5.3, negende lid, 2.5.5, tweede en derde lid, 2.5.10, eerste lid, en 2.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 19, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (adviezen van 29 april 1999, nr. W05.99.0160/II en van 6 mei 1999, nr. W05.99/0111/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 22 juli 1999, nr. 1999/30854 (3704), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 1.1.2. Overleg

Vervallen

Hoofdstuk 2. Bekostiging beroepsonderwijs

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1. Reikwijdte hoofdstuk 2
1.

Hoofdstuk 2 is van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

2.

De paragrafen 6 en 6a hebben mede betrekking op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten.

Artikel 2.1.2. Begripsbepalingen hoofdstuk 2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • bbl-student: student die is ingeschreven voor een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg;
  • bol-student: student die is ingeschreven voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg;
  • diploma van een beroepsopleiding: door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 van de wet voor bekostiging in aanmerking komt, alsmede van een opleiding die niet langer wordt bekostigd op grond van artikel 2.1.1 van de wet;
Artikel 2.1.3. Vaststelling omvang landelijk beschikbare budgetten beroepsonderwijs
1.

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs.

2.

Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in landelijk beschikbare budgetten voor:

  • a. de entreeopleiding,
  • b. de basisberoepsopleiding, en
  • c. de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
3.

Onze Minister berekent ieder kalenderjaar de som van de betalingen die op grond van artikel 2.2.3, eerste lid, van de wet, zijn verricht in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober van het betreffende kalenderjaar en de betalingen waarvan vaststaat dat ze nog dat kalenderjaar worden verricht.

4.

Voorts berekent Onze Minister ieder kalenderjaar de som van het bedrag dat voor de betalingen, bedoeld in het derde lid, was gereserveerd en het bedrag van de middelen die in dat kalenderjaar in mindering zijn gebracht op de rijksbijdrage op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, tweede volzin, van de wet.

5.

Indien de som, bedoeld in het vierde lid hoger is dan de som, bedoeld in het derde lid, wordt het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar verhoogd met dat verschil.

Paragraaf 2. Exploitatiekosten en huisvestingskosten

Artikel 2.2.1. Berekening rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten beroepsonderwijs
1.

Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:

  • a. het rijksbijdragedeel voor de entreeopleiding,
  • b. het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding, en
  • c. het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding,

zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.2.3. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

2.

De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte studenten, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2.6a.1.

3.

De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 2.2.2. Berekening rijksbijdragedeel entreeopleiding
1.

Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor de entreeopleiding volgens de formule:

ISW
––––– x LB
LSW

waarbij wordt verstaan onder:

  • ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de entreeopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;
  • LSW: de landelijke studentenwaarde voor de entreeopleiding, zijnde de som van de studentenwaarden voor de entreeopleiding van de instellingen;
  • LB: het landelijk beschikbare budget voor de entreeopleiding.
2.

ISW wordt berekend volgens de formule:

∑ [(Sbbl x 0,5 x PF) + (Sbol x PF)] x Cf

waarbij wordt verstaan onder:

  • Sbbl: elke student die
  • a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
  • b. daadwerkelijk die opleiding volgt en
  • c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
  • Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
  • PF: de op grond van het vijfde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;
  • Cf: de op grond van het vierde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de entreeopleiding.
3.

Vervallen.

4.

Cf wordt als volgt berekend:

[Sbbl1 x 0,5 + Sbol1]+ [Sbbl2 x 0,5 + Sbol2]
2 x[Sbbl1 x 0,5 + Sbol1]

In deze formule wordt verstaan onder:

  • Sbbl1: het aantal bbl-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
  • Sbol1: het aantal bol-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
  • Sbbl2: het aantal bbl-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
  • Sbol2: het aantal bol-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
5.

PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.

6.

Voor de berekening, bedoeld in dit artikel, tellen de studenten die op de genoemde tijdstippen voor de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014, zijn ingeschreven als ingeschreven studenten voor de entreeopleiding.

Artikel 2.2.3. Berekening rijksbijdragedeel basisberoepsopleiding en rijksbijdragedeel vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding
1.

Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding volgens de formule:

ISW + IDiW
------------- x LB
LSW + LDiW

waarbij het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, en

waarbij wordt verstaan onder:

ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;

IDiW: de op grond van het zesde lid berekende diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, afgerond op twee decimalen;

LSW: de landelijke studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de ISW van alle instellingen;

LDiW: de landelijke diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de diplomawaarden van alle instellingen;

LB: het landelijk beschikbare budget voor de basisberoepsopleiding respectievelijk het landelijk beschikbare budget voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.

2.

ISW wordt berekend volgens de formule:

Σ [(Sbbl x 0,4 x PF) + (Sbol x PF)] x 0,8 x Cf

waarbij wordt verstaan onder:

Sbbl: elke student die

  • a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
  • b. daadwerkelijk die opleiding volgt, en
  • c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding, en
  • 1°. daadwerkelijk op die datum die opleiding in de praktijk van het beroep volgt, dan wel
  • 2°. indien een student een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;

Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;

PF: de op grond van het vierde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;

Cf: de op grond van het vijfde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding.

3.

Vervallen.

4.

PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.

5.

Cf wordt als volgt berekend:

[Sbbl1 x 0,4 + Sbol1]+ [Sbbl2 x 0,4 + Sbol2]
----------------------------------------------------
2 x [Sbbl1 x 0,4 + Sbol1]

In deze formule wordt verstaan onder:

Sbbl1: het aantal bbl-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;

Sbol1: het aantal bol-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;

Sbbl2: het aantal bbl-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;

Sbol2: het aantal bol-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.

6.

IDiW wordt berekend volgens de formule:

IDiW = Σ {[(S x DiW - DiE) + DS] x 0,2}

waarbij wordt verstaan onder:

S: elke student die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling een diploma van een basisberoepsopleiding respectievelijk een vakopleiding of middenkaderopleiding heeft behaald;

DiW: de diplomawaarde; DiW bedraagt voor:

  • –. een basisberoepsopleiding: 1,
  • –. een vakopleiding: 3,
  • –. een middenkaderopleiding: 5;

DiE: DiW van het hoogste door S eerder behaalde diploma van een basisberoepsopleiding, een vakopleiding of een middenkaderopleiding;

DS: de diplomawaarde voor een specialistenopleiding bedraagt 2 voor elke student die een diploma van een specialistenopleiding heeft behaald in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, en niet eerder een diploma van een specialistenopleiding heeft behaald.

Onder student wordt mede begrepen de extraneus, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

Indien het eerder behaalde diploma, bedoeld in DiE van een hoger niveau is dan het diploma bedoeld in S, dan wordt het diploma bedoeld in S buiten beschouwing gelaten. Indien in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar meerdere diploma’s op dezelfde datum zijn afgegeven, telt steeds het laagste diploma als het eerder behaalde diploma.

Indien een diploma is behaald door een student die drie aaneengesloten voorgaande kalenderjaren niet op 1 oktober was ingeschreven, blijven diploma’s behaald voorafgaand aan deze onderbreking buiten beschouwing.

Artikel 2.2.4. Aangepaste berekening bij fusie en splitsing van instellingen
1.

In geval van fusie van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2 de gegevens van de instellingen die in de gefuseerde instelling zijn opgegaan en berekent de bijdrage voor de gefuseerde instelling op basis van die gegevens.

2.

In geval van splitsing van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2 de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.

Artikel 2.2.5. Indienen gegevens; vaststelling bekostigingsgegevens bij te late indiening
1.

De gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdeel a of c, 6, vijfde lid, 7, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, en 8, zesde lid, onderdelen a en c, van het Besluit register onderwijsdeelnemers en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, van de wet worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.

2.

Bij de toepassing van artikel 2.2.1 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs in afwijking van artikel 2.2.2 en artikel 2.2.3, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.

3.

De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdeel a of c, 6, vijfde lid, 7, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, en 8, zesde lid, onderdelen a en c, van het Besluit register onderwijsdeelnemers, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.

4.

Indien toepassing van artikel 2.2.2 en artikel 2.2.3 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.

Artikel 2.2.6. Aangepaste berekening bij fusie van instellingen en splitsing van werkzaamheden

Vervallen

Paragraaf 3. Voorbereidend beroepsonderwijs aan agrarische opleidingscentra

Artikel 2.3.1. Uitzondering toepassing bekostigingsbepalingen Wet educatie en beroepsonderwijs enWet op het voortgezet onderwijs op voorbereidend beroepsonderwijs verzorgd aan agrarische opleidingscentra

Vervallen

Artikel 2.3.2. Berekening rijksbijdrage voorbereidend beroepsonderwijs

Vervallen

Paragraaf 4. Huisvesting

Artikel 2.4.1. Berekening rijksbijdrage huisvestingskosten scholengemeenschap of AOC

Vervallen

Paragraaf 5. Toevoeging rijksbijdrage in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid

Artikel 2.5.1. Begripsbepalingen paragraaf 5

Vervallen

Artikel 2.5.2. Toevoeging aan de rijksbijdrage

Vervallen

Artikel 2.5.3. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling

Vervallen

Hoofdstuk 3. Rijksbijdrage educatie en huisvesting opleidingen VAVO

Paragraaf 6. Vermindering rijksbijdrage beroepsonderwijs in verband met normatieve inhouding cursusgelden

Artikel 3.1. Begripsbepaling hoofdstuk 3

Vervallen

Paragraaf 6a. Gehandicapte studenten

Artikel 3.2.1. Berekening uitkering educatie vanaf 2018
1.

De uitkering educatie die per kalenderjaar aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio educatie wordt verstrekt, is de som van de bedragen die voor elk van de tot die regio educatie behorende gemeenten wordt berekend volgens de volgende formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Og: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage inwoners van de gemeente van 15 tot en met 75 jaar met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, vermenigvuldigd met het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;

On: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld Og voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;

Ag: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.

An: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld AG voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;

Bg: Het aantal WWB-uitkeringen aan personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;

Bn: de som van bovenbedoeld Bg voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;

Ib: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.

2.

De uitkomst van de berekening op grond van het eerste lid wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

3.

Jaarlijks wordt in januari de voor dat kalenderjaar vastgestelde uitkering educatie betaald aan de contactgemeente.

Artikel 3.2.2. Aanpassing uitkering educatie bij gemeentelijke herindeling

Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van artikel 3.2.1 worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben, reeds was ingegaan.

Artikel 3.2.3

Vervallen

Paragraaf 2. De rijksbijdrage educatie

Artikel 3.3.1. Reserveringsregeling
1.

Indien in een kalenderjaar de uitkering educatie niet volledig is besteed, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het niet bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het daaropvolgende kalenderjaar.

2.

Indien in een kalenderjaar meer dan de uitkering educatie is besteed aan opleidingen educatie, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie ten laste brengen van de uitkering educatie voor het daaropvolgende kalenderjaar.

3.

In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente maximaal 50% van de voor het kalenderjaar 2020 toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2021.

4.

In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente maximaal 50% van de voor het kalenderjaar 2021 toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2022.

Hoofdstuk 2A. Bekostiging voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1. Vorming, wijziging of beëindiging

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een verticale scholengemeenschap slechts met ingang van een bepaald tijdstip kan worden gevormd, gewijzigd of beëindigd.

Artikel 4.1.2. Aanvraagprocedure

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de aanvraagprocedure voor de vorming, wijziging of beëindiging van een verticale scholengemeenschap.

Artikel 4.1.3. Postcodegebied

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een percentage van de leerlingen van de school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van de verticale scholengemeenschap ten minste afkomstig is uit hetzelfde postcodegebied als de studenten van de instelling die deel uitmaakt van die verticale scholengemeenschap.

Artikel 4.1.4. Vaststelling omvang landelijk beschikbare budgetten kenniscentra

Vervallen

Paragraaf 2. Exploitatiekosten en huisvestingskosten

Artikel 4.2.1. Berekening rijksbijdrage huisvestingskosten
1.

De rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, van de wet, wordt berekend door het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar aan de school of scholengemeenschap was ingeschreven, te vermenigvuldigen met een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.

2.

Artikel 2.2.4 is van overeenkomstige toepassing op een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.

Artikel 4.2.2. Berekening rijksbijdrage exploitatiekosten en huisvestingskosten kenniscentra

Vervallen

Artikel 4.2.3. Berekening rijksbijdragedeel voor de taken rond de kwalificatiestructuur

Vervallen

Artikel 4.2.4. Berekening rijksbijdragedeel voor de taken rond de leerbedrijven en de beroepspraktijkvorming

Vervallen

Artikel 4.2.5. Opgave aantal leerbedrijven

Vervallen

Artikel 4.2.6. Aangepaste berekening bij fusie en splitsing kenniscentra

Vervallen

Artikel 4.2.7. Berekening rijksbijdragedeel exploitatiekosten kenniscentra volgens maatstaf leerbedrijven
1.

Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf leerbedrijven, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vijfde lid.

2.

Voor elk kenniscentrum wordt het aantal leerbedrijven vastgesteld op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld.

3.

Op het aantal leerbedrijven voor elk kenniscentrum, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel:

Aantal leerbedrijven Factor
1 t/m 7.500 1
7.501 t/m 10.000 0,965
10.001 t/m 12.500 0,930
12.501 t/m 15.000 0,895
15.001 t/m 17.500 0,860
17.501 t/m 20.000 0,825
20.001 t/m 22.500 0,790
22.501 t/m 25.000 0,755
25.001 t/m 27.500 0,720
27.501 t/m 30.000 0,685
30.001 en hoger 0,650
4.

De berekening volgens het tweede en derde lid leidt tot een aantal leerbedrijven voor het kenniscentrum, rekenkundig af te ronden op een geheel getal.

5.

Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld naar rato van het aantal leerbedrijven van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie en de afronding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, heeft plaatsgevonden.

Artikel 4.2.8. Voorwaarde meetellen leerbedrijven in berekeningsmaatstaf rijksbijdrage

Bij de berekening, bedoeld in artikel 4.2.7, betrekt Onze Minister uitsluitend de leerbedrijven die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit.

Paragraaf 3. Huisvesting

Artikel 4.3.1. Berekening rijksbijdrage huisvestingskosten kenniscentra

Vervallen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 4.4.1. Vaststelling rijksbijdrage kenniscentrum op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel

Vervallen

Artikel 4.4.2. Vaststelling omvang landelijk beschikbaar budget voor kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het kenniscentrum op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving.

Artikel 4.4.3. Berekeningsmaatstaven rijksbijdrage kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving

Onze Minister berekent de rijksbijdrage afzonderlijk voor:

Artikel 4.4.4. Verdeling landelijk beschikbare budget exploitatiekosten kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving

Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum wordt:

  • a. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder a, met dien verstande dat 10% van het desbetreffende deel van het landelijk beschikbare budget betrekking heeft op strategische expertise-ontwikkeling,
Artikel 4.4.5. Vaststelling hoogte rijksbijdrage exploitatiekosten kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving
1.

Onze Minister berekent de totale rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum door de middelen bij elkaar op te tellen die voor het kenniscentrum zijn berekend op grond van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4.

2.

De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 4.4.6. Rijksbijdrage huisvestingskosten kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving
1.

Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor het kenniscentrum vast.

2.

De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Paragraaf 3. Huisvesting

Artikel 4.5.1. Begripsbepalingen paragraaf 5

Vervallen

Artikel 4.5.2. Vermindering rijksbijdrage

Vervallen

Artikel 4.5.3. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling

Vervallen

Hoofdstuk 5. Informatie

Paragraaf 2. Huisvesting

Artikel 5.1.1. Reikwijdte hoofdstuk 5

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

Artikel 5.1.2. Begripsbepaling hoofdstuk 5

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • Gegevenswoordenboek: de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1.

Paragraaf 3. Huisvesting

Artikel 5.2.1. Ordening gegevens
1.

De informatieverzameling, bedoeld in de artikelen 2.2.4, 2.3.6, 2.5.3 en 2.5.5 van de wet, waarover het bevoegd gezag van een instelling dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op de bekostiging, zijn in het desbetreffende gegevenswoordenboek als zodanig aangeduid.

Artikel 5.2.2. Wijze van beschikbaarstelling gegevens
1.

Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling gegevens aan hem beschikbaar, die door de instelling op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld.

2.

De beschikbaarstelling geschiedt voor het beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs overeenkomstig bijlage 4 bij dit besluit.

3.

In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen.

Artikel 5.2.3. Aanvulling gegevensvraag over bekostiging

Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijst ten aanzien van bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag van een instelling.

Artikel 5.2.4. Bewaarplicht gegevens
1.

Het bevoegd gezag van een instelling bewaart de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs en van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gedurende ten minste zeven jaren.

2.

Het bevoegd gezag van een instelling bewaart de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.

Hoofdstuk 4A. Subsidie Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen

Paragraaf 3. Huisvesting

Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling bestaande opleidingen; opleidingen in afbouw

Vervallen

Artikel 6.1.2. Afwijking risicodeelnemers

Vervallen

Artikel 6.1.3. Overgangsbepaling huisvestingskosten in verband met decentralisatie huisvesting

Indien 12% van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten beroepsonderwijs voor een kalenderjaar voor een instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, minder bedraagt dan het op grond van artikel 3 of artikel 4, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 7 of artikel 8, van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 zoals deze luidde op 31 december 1999, voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.

Artikel 6.1.4. Overgangsbepaling 2015–2018 wijziging berekening rijksbijdrage in verband met aanpassingen mbo-bekostiging
1.

Voor de berekening van de overgangsbekostiging beroepsonderwijs van een instelling wordt de rijksbijdrage voor een instelling voor het kalenderjaar 2015, berekend op grond van artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, zoals dat artikel met ingang van 1 augustus 2014 luidt, vergeleken met de rijksbijdrage voor beroepsonderwijs zoals die voor het kalenderjaar 2015 zou zijn vastgesteld volgens de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid en tweede lid, en 2.4.1, eerste lid, zoals deze luidden op 31 juli 2014.

2.

Bij de uitvoering van de vergelijking bedoeld in het eerste lid wordt bij de berekening van de rijksbijdrage voor 2015 volgens de berekeningswijze op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen zoals die luidden op 31 juli 2014, uitgegaan van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, voor 2015, verminderd met het voor alle instellingen vastgestelde budget, bedoeld in artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet. De aldus berekende rijksbijdrage van een instelling wordt verhoogd met het bedrag dat voor die instelling op grond van artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet is berekend. Dit bedrag wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

3.

Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 verminderd met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

4.

Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 aangevuld met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

5.

Indien aan een instelling voor het kalenderjaar 2015 een bedrag in mindering wordt gebracht op grond van het derde lid, wordt aan die instelling voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 60%, 40% respectievelijk 20% van het verschil bedoeld in het derde lid in mindering gebracht. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

6.

Indien een instelling voor het kalenderjaar 2015 een aanvulling ontvangt op grond van het vierde lid, ontvangt die instelling voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 aanvullingen van 60%, 40% respectievelijk 20% van het verschil bedoeld in het vierde lid. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

7.

Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling meer dan 4% lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, kan Onze Minister ter voorkoming van een zodanig financieel nadeel voor die instelling dat de continuïteit van de instelling in gevaar komt, aanvullende bekostiging verstrekken aan die instelling naast de aanvulling bedoeld in het zesde lid.

Artikel 6.1.5. Overgangsbepaling vaststelling bekostigingsgegevens bij te late indiening
1.

Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2015 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2015 en, in afwijking van artikel 6.1.4, de overgangsbekostiging voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de gegevens van het kalenderjaar 2012, respectievelijk het studiejaar 2012–2013.

2.

De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2014 de gegevens bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.

3.

Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 6.1.4 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.

Paragraaf 3. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister

Artikel 6.2.1. Overgangsbepaling berekening rijksbijdrage exploitatie- en huisvestingskosten en verdeling rijksbijdragedeel gehandicapte deelnemers voor het bekostigingsjaar 2015

Vervallen

Artikel 6.2.2. Overgangsbepaling berekening rijksbijdrage exploitatie- en huisvestingskosten en verdeling rijksbijdragedeel gehandicapte deelnemers voor het bekostigingsjaar 2016

Vervallen

Artikel 6.2.3. Verhoging of verlaging rijksbijdrage educatie op grond van overgangsregeling in de jaren 2000 tot en met 2003

Vervallen

Artikel 6.2.4. Bedrag educatie op grond van afwijking in verband met bijzondere omstandigheden in de jaren 2000 tot en met 2003

Vervallen

Artikel 6.2.5

Vervallen

Paragraaf 2. Ordening en wijze van beschikbaarstelling gegevens

Artikel 6.3.1. Overgangsbepaling voor voormalige agrarische opleidingscentra
1.

Voor de berekening van de rijksbijdrage van de scholen voor praktijkonderwijs en vbo binnen verticale scholengemeenschappen die van rechtswege zijn ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, wordt voor wat betreft het kalenderjaar waarin die omzetting plaatsvindt, gebruik gemaakt van de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.1.3, 2.3.2 en 2.4.1 zoals deze luidden op 1 januari van dat kalenderjaar.

2.

Een besluit tot de berekening van de bekostiging van een school die van rechtswege is ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, vindt voor het eerst toepassing op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 2.6.3 van de wet over het kalenderjaar volgend op die omzetting.

Artikel 6.3.2. Overgangsbepaling 2013–2016 in verband met aanpassing bekostiging kenniscentra

Vervallen

Artikel 6.3.3. Tijdelijke afwijking vaststelling bedrag huisvestingskosten

Onze Minister stelt tot de datum, bedoeld artikel 6.3.2, eerste lid, het bedrag voor huisvestingskosten, bedoeld in artikel 4.3.1, eerste lid, voor elk kenniscentrum vast op basis van het percentage dat op grond van artikel 6.3.2, derde lid, voor dat kenniscentrum is vastgesteld. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.

Artikel 6.3.4. Correctie rijksbijdrage huisvestingskosten kalenderjaren 2000 en 2001

Vervallen

Artikel 6.3.5. Vermindering rijksbijdrage kalenderjaren 2000 en 2001

Vervallen

Artikel 6.3.6. Overgangsregeling bekostiging huisvesting voor kalenderjaar 2002

Vervallen

Artikel 6.3.7. Evaluatie hoofdstuk 4

Onze Minister evalueert de werking van hoofdstuk 4 na afloop van een periode van 5 jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk.

Hoofdstuk 5A. Personeel

Artikel 7.1. Inwerkingtreding
1.

Dit besluit treedt, met uitzondering van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 voor zover het betreft de artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4, en 6, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

2.

De hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2 en 6, paragraaf 1, dan wel de hoofdstukken 3 en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4 en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.

2.

De artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4 van dit besluit treden in werking 12 maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de formulieren ten aanzien van de gegevens inzake uitgereikte diploma's niet eerder van toepassing zijn dan over het kalenderjaar 2001 en de overige formulieren niet eerder dan over het studiejaar 2001–2002.

Artikel 7.2. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WEB.

Bijlage 1. Informatieverzameling instellingen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB

A. Deelnemers

A. Deelnemers

B. Personeel

1. Inleiding

In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en OCenW. Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de scholen worden vastgelegd. Dit betekent niet dat deze gegevens ook zo worden geleverd aan het departement. De manier waarop dat gebeurt wordt bepaald in bijlage 4, Formulieren. Verder betekent dit ook niet dat in alle gevallen de hier gepresenteerde waarden (codes) dienen te worden gebruikt in de eigen administratie. Dat hoeft feitelijk alleen bij de levering. Zo kan de instelling een volledige buitenlandse postcode hanteren, maar die naar de hier beschreven waarden omzetten bij levering.

In dit gegevenswoordenboek staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en OCenW. Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de scholen worden vastgelegd. Dit betekent niet dat deze gegevens ook zo worden geleverd aan het departement. De manier waarop dat gebeurt wordt bepaald in bijlage 4, Formulieren. Verder betekent dit ook niet dat in alle gevallen de hier gepresenteerde waarden (codes) dienen te worden gebruikt in de eigen administratie. Dat hoeft feitelijk alleen bij de levering. Zo kan de instelling een volledige buitenlandse postcode hanteren, maar die naar de hier beschreven waarden omzetten bij levering.

A. Deelnemers

A. Deelnemers

A. Deelnemers

B. Personeel

A. Deelnemers

A. Deelnemers

2. Begripsbepalingen en definities

1. Inleiding

1. Inleiding

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding

1. Inleiding

In dit programma van eisen staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de instellingen of hun salarisadministrateur worden vastgelegd. De levering van deze gegevens is noodzakelijk voor bekostiging, monitoring, beleidsontwikkeling en -evaluatie.

2. Begripsbepalingen en definities

De gegevens over personeel worden door DUO verzameld op het niveau van arbeidsrelaties en op het niveau van het bevoegd gezag. Gegevens op het niveau van de arbeidsrelaties worden vastgelegd in de Basisregistratie Personeel (BRP). Voor het beleid van OCW en EL&I – en in het bijzonder het arbeidsmarktbeleid voor de sector Onderwijs – is het noodzakelijk dat landelijke ontwikkelingen kunnen worden gevolgd.

Bijlage 1A. Vooropleidingentabel bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB

2. Programma van eisen

De indeling van deze bijlage is als volgt. In hoofdstuk 2 worden enkele gebruikte termen gedefinieerd, voor zover dat niet al in andere teksten (wet, tekst Uitvoeringsbesluit) is gebeurd. Het bestaat uit twee delen: algemene termen en de Kenmerken. Hoofdstuk 3 vormt de kern van deze bijlage en omvat de profielen van alle te registreren gegevens. Aan deelnemergegevens en aan personeelsgegevens zijn aparte paragrafen gewijd.

2.2. Onderdeel Arbeidsrelatie

2.3. Onderdeel Loon, toelagen en kortingen

Deze bijlage bevat een programma van eisen of gegevenswoordenboek, waarin de personeelsgegevens worden gespecificeerd die het bevoegd gezag verplicht is aan de overheid te leveren, krachtens artikel 2.3.6, tweede lid, en artikel 2.5.5, tweede lid, van de WEB en artikelen 5.2.1 en 5.2.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB.

A. Deelnemers

In dit programma van eisen staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de instellingen of hun salarisadministrateur worden vastgelegd. De levering van deze gegevens is noodzakelijk voor bekostiging, monitoring, beleidsontwikkeling en -evaluatie.

3. Specificatie functiecategorieën

De gegevens over personeel worden door DUO verzameld op het niveau van arbeidsrelaties en op het niveau van het bevoegd gezag. Gegevens op het niveau van de arbeidsrelaties worden vastgelegd in de Basisregistratie Personeel (BRP). Voor het beleid van OCW en EL&I – en in het bijzonder het arbeidsmarktbeleid voor de sector Onderwijs – is het noodzakelijk dat landelijke ontwikkelingen kunnen worden gevolgd.

B. Personeel

Deze bijlage bevat een programma van eisen of gegevenswoordenboek, waarin de personeelsgegevens worden gespecificeerd die het bevoegd gezag verplicht is aan de overheid te leveren, krachtens artikel 2.3.6, tweede lid, en artikel 2.5.5, tweede lid, van de WEB en artikelen 5.2.1 en 5.2.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB.

1. Inleiding

In dit programma van eisen staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de instellingen of hun salarisadministrateur worden vastgelegd. De levering van deze gegevens is noodzakelijk voor bekostiging, monitoring, beleidsontwikkeling en -evaluatie.

2.3. Onderdeel Loon, toelagen en kortingen

Deze bijlage bevat een programma van eisen of gegevenswoordenboek, waarin de personeelsgegevens worden gespecificeerd die het bevoegd gezag verplicht is aan de overheid te leveren, krachtens artikel 2.3.6, tweede lid, en artikel 2.5.5, tweede lid, van de WEB en artikelen 5.2.1 en 5.2.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB.

1. Inleiding

1. Inleiding

In dit programma van eisen staat per gegeven de technische uitwerking, zoals die dient voor de uitwisseling van het gegeven tussen de instellingen en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het gaat hierbij om de gegevens zoals die door de instellingen of hun salarisadministrateur worden vastgelegd. De levering van deze gegevens is noodzakelijk voor bekostiging, monitoring en beleidsontwikkeling en -evaluatie.

2.1. Onderdeel Persoon

De gegevens over personeel worden door DUO verzameld op het niveau van arbeidsrelaties en op het niveau van het bevoegd gezag. Gegevens op het niveau van de arbeidsrelaties worden vastgelegd in de Basisregistratie Personeel (BRP). Voor het beleid van OCW en EL&I – en in het bijzonder het arbeidsmarktbeleid voor de sector Onderwijs – is het noodzakelijk dat landelijke ontwikkelingen kunnen worden gevolgd.

2. Programma van eisen

In bijlage 4 worden de voorschriften voor beschikbaarstelling uiteengezet.

2.1. Onderdeel Persoon

GROEP: Deelnemer

Bijlage 1. Informatieverzameling instellingen bij hoofdstuk 5 Informatie van het Uitvoeringsbesluit WEB

Bijlage 1A. Vooropleidingentabel bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB

Vervallen

Bijlage 1B. Codetabel kwalificatiestructuur educatie bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB

Vervallen

Over de sectoren heen dienen begrippen zoveel mogelijk op dezelfde wijze geïnterpreteerd te worden. Daarom wordt ernaar gestreefd de begripsbepalingen m.b.t. de op te vragen gegevens, binnen de onderscheiden sectoren po, vo en bve, zo veel mogelijk op elkaar af stemmen.

De typering van de functie vindt plaats aan de hand van de volgende toedeling:

De typering van de functie vindt plaats aan de hand van de volgende toedeling:

2.2. Onderdeel Arbeidsrelatie

Onder 1) management wordt verstaan:

Voorbeelden:

voorzitter CvB, Lid CvB, directeur, officemanager, bestuurssecretaris, domeindirecteur, sectormanagers, regiodirecteur, locatiemanagers, managers van clusters van opleidingen, directiesecretaresse.

De volgende functionarissen vallen niet onder deze functiecategorie: managers die verantwoordelijk zijn voor ondersteunende dienst(en), zoals hoofd facilitaire dienst, hoofd ICT en ook operationeel management in het primair proces (teammanager, opleidingsmanager), secretariële ondersteuning voor operationeel primair proces en ondersteunende diensten.

Onder 6) Management met een onderwijskundige taak wordt verstaan: medewerkers die een leidinggevende functie uitvoeren in het primaire proces.

2.4a. Lerarenregister en registervoorportaal

2.5. Inhoudelijke uitwerking gegevenslevering

A. Algemeen

directeur, docenten die regisserende taken hebben in een team en zijn benoemd in LB, LC, LD of LE, sectormanagers, clustermanagers, locatiemanagers, domeinmanagers.

3. Gegevenslijst

Bijlage 4. Wijze van beschikbaarstelling gegevens door instellingen bij hoofdstuk 5 Informatie van het Uitvoeringsbesluit WEB

leraar, docent, regisseur binnen een onderwijsteam.

2. Definities

Voorbeelden:

Leraar in opleiding.

De volgende functionarissen vallen niet onder deze functiecategorie:

Leraar.

Onder 12) Onderwijsassisterende functie wordt verstaan: medewerkers die veelal zonder bevoegdheid en altijd onder verantwoordelijkheid van de docent assisterende werkzaamheden verrichten voor, tijdens en na de lessen. De activiteiten van deze medewerkers zijn bijvoorbeeld opstellen van benodigde apparatuur, klaarleggen van materialen, het instrueren van leerlingen over het gebruik van gereedschap, het controleren van gereedschap en het uitvoeren van administratieve handelingen behorende bij het primaire proces. Ook de ICT-medewerkers die ondersteuning bieden bij de lessen behoren tot deze categorie indien de meerderheid van hun taken het bieden van ondersteuning bij de lessen is.

Functie:

1. Termijn voor aanlevering van gegevens

Type:

2. Wijze van aanlevering

Bijlage 1B. Codetabel kwalificatiestructuur educatie bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)