Besluit van 6 augustus 1999, houdende vaststelling van de algemene berekeningswijze van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, de educatie en de landelijke organen, alsmede vaststelling van voorschriften over het informatieverkeer, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (Uitvoeringsbesluit WEB)

Type AMvB
Publication 2024-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordrachten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 8 maart 1999, nr. 1998/8716 (3704) en van 31 maart 1999, nr. 1999/14257 (3693), directie Wetgeving en Juridische Zaken, de eerste voordracht gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op de artikelen 2.2.1, eerste lid en vijfde lid, 2.2.4, vierde lid, 2.2.12, tweede lid, 2.3.1, eerste en derde lid, 2.3.6, tweede en derde lid, 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.4.2, vierde lid, 2.5.3, negende lid, 2.5.5, tweede en derde lid, 2.5.10, eerste lid, en 2.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 19, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (adviezen van 29 april 1999, nr. W05.99.0160/II en van 6 mei 1999, nr. W05.99/0111/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 22 juli 1999, nr. 1999/30854 (3704), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 1.1.2. Overleg

Vervallen

Hoofdstuk 2. Bekostiging beroepsonderwijs

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1. Reikwijdte hoofdstuk 2
1.

Hoofdstuk 2 is van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

2.

De paragrafen 6 en 6a hebben mede betrekking op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten.

Artikel 2.1.2. Begripsbepalingen hoofdstuk 2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 2.1.3. Vaststelling omvang landelijk beschikbare budgetten beroepsonderwijs
1.

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs.

2.

Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in landelijk beschikbare budgetten voor:

3.

Onze Minister berekent ieder kalenderjaar de som van de betalingen die op grond van artikel 2.2.3, eerste lid, van de wet, zijn verricht in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober van het betreffende kalenderjaar en de betalingen waarvan vaststaat dat ze nog dat kalenderjaar worden verricht.

4.

Voorts berekent Onze Minister ieder kalenderjaar de som van het bedrag dat voor de betalingen, bedoeld in het derde lid, was gereserveerd en het bedrag van de middelen die in dat kalenderjaar in mindering zijn gebracht op de rijksbijdrage op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, tweede volzin, van de wet.

5.

Indien de som, bedoeld in het vierde lid hoger is dan de som, bedoeld in het derde lid, wordt het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar verhoogd met dat verschil.

Paragraaf 2. Exploitatiekosten en huisvestingskosten

Artikel 2.2.1. Berekening rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten beroepsonderwijs
1.

Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:

zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.2.3. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

2.

De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte studenten, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2.6a.1.

3.

De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 2.2.2. Berekening rijksbijdragedeel entreeopleiding
1.

Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor de entreeopleiding volgens de formule:

ISW
––––– x LB
LSW

waarbij wordt verstaan onder:

2.

ISW wordt berekend volgens de formule:

∑ [(Sbbl x 0,5 x PF) + (Sbol x PF)] x Cf

waarbij wordt verstaan onder:

3.

Vervallen.

4.

Cf wordt als volgt berekend:

[Sbbl1 x 0,5 + Sbol1]+ [Sbbl2 x 0,5 + Sbol2]
2 x[Sbbl1 x 0,5 + Sbol1]

In deze formule wordt verstaan onder:

5.

PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.

6.

Voor de berekening, bedoeld in dit artikel, tellen de studenten die op de genoemde tijdstippen voor de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014, zijn ingeschreven als ingeschreven studenten voor de entreeopleiding.

Artikel 2.2.3. Berekening rijksbijdragedeel basisberoepsopleiding en rijksbijdragedeel vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding
1.

Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding volgens de formule:

ISW + IDiW
------------- x LB
LSW + LDiW

waarbij het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, en

waarbij wordt verstaan onder:

ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;

IDiW: de op grond van het zesde lid berekende diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, afgerond op twee decimalen;

LSW: de landelijke studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de ISW van alle instellingen;

LDiW: de landelijke diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de diplomawaarden van alle instellingen;

LB: het landelijk beschikbare budget voor de basisberoepsopleiding respectievelijk het landelijk beschikbare budget voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.

2.

ISW wordt berekend volgens de formule:

Σ [(Sbbl x 0,4 x PF) + (Sbol x PF)] x 0,8 x Cf

waarbij wordt verstaan onder:

Sbbl: elke student die

Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;

PF: de op grond van het vierde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;

Cf: de op grond van het vijfde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding.

3.

Vervallen.

4.

PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.