Rijksbesluit van 25 november 1999, houdende regels met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen ingevolge het Wetboek van Militair Strafrecht, de Wet militair tuchtrecht en de Wet militaire strafrechtspraak (Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht)

Type Rijks Kb
Publication 2017-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 juli 1999, nr. CST99/0117/016 99002114, directie juridische zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;

Gelet op de artikelen 21, 36b, 44a, 59, 71 en 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht, de artikelen 46, 65, 80p, 92, 98, 103 en 105 van de Wet militair tuchtrecht en de artikelen 6, 9, 11, 17, 18, 23, 33, en 61 van de Wet militaire strafrechtspraak;

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 18 oktober 1999);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 24 november 1999, nr. CST 99/0117/016 99.003153 uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Nadere bepalingen met betrekking tot het Wetboek van militair strafrecht

§ 1. Tenuitvoerlegging buiten het Europese deel van Nederland en buiten het Koninkrijk

Artikel 1
1.

Tenuitvoerlegging in strafinrichtingen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden, indien:

2.

De straf wordt ten uitvoer gelegd, indien zij bestaat uit:

Artikel 2
1.

Tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden in een strafinrichting buiten het Koninkrijk, die naar het oordeel van het met de tenuitvoerlegging belaste gezag daarvoor genoegzaam geschikt is, of, doch voor ten hoogste vier weken, op een plaats bestemd of geschikt voor het ondergaan van een tuchtrechtelijke straf. Tenzij het feitelijk onmogelijk is de veroordeelde zijn verdere straf in een strafinrichting binnen het Koninkrijk te doen ondergaan, vindt, zonder diens schriftelijke toestemming, de tenuitvoerlegging voor ten hoogste zes maanden in een strafinrichting buiten het Koninkrijk plaats.

2.

Is een strafinrichting buiten het Koninkrijk niet of niet meer beschikbaar, dan kan de gehele straf of het gehele verdere deel van de straf worden ondergaan op een plaats bestemd of geschikt voor het ondergaan van een tuchtrechtelijke straf.

3.

Bij de aanwijzing van die plaatsen ziet het met de tenuitvoerlegging belaste gezag erop toe dat de vrijheid van de veroordeelde ten gevolge van die aanwijzing niet anders wordt beperkt dan uit de aard van de opgelegde straf noodzakelijk voortvloeit.

§ 2. Tijdstip van ingang bijkomende straf

Artikel 3
1.

Met betrekking tot het tijdstip van ingang van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, genoemd in artikel 36 van het Wetboek van Militair Strafrecht, of de luchtvaart uit te oefenen, genoemd in artikel 36a van die wet, en de daaraan verbonden administratieve gevolgen wordt die straf gelijkgesteld met de overeenkomstige straf van het burgerlijk strafrecht van het rijksdeel, waar de veroordeelde op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak woont, of, zo hij op dat tijdstip militair is, is gestationeerd. Is de veroordeelde buiten het Koninkrijk woonachtig onderscheidenlijk gestationeerd, dan vindt gelijkstelling met de overeenkomstige straf in het Wetboek van Strafrecht van het Europese deel van Nederland plaats.

2.

Indien met toepassing van het eerste lid het tijdstip van ingang van de daar genoemde bijkomende straffen niet kan worden bepaald, gaan zij in zodra de rechterlijke uitspraak uitvoerbaar is geworden.

3.

Bij de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, verliest een aan de veroordeelde door Onze Minister van Defensie afgegeven militair rijbewijs zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak uitvoerbaar is geworden.

4.

De veroordeelde is verplicht het betrokken rijbewijs binnen acht dagen nadat het zijn geldigheid heeft verloren, op eerste vordering over te geven aan een door het met de tenuitvoerlegging belaste gezag aangewezen opsporingsambtenaar. De ambtenaar zendt het bewijs onverwijld naar dat gezag.

5.

Indien een militair de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is opgelegd, geeft het openbaar ministerie daarvan kennis aan Onze Minister van Defensie. De datum waarop deze bijkomende straf onherroepelijk wordt of is geworden, wordt eveneens medegedeeld.

§ 3. Verpleging in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba

Artikel 4
1.

De verpleging van personen, bedoeld in artikel 44a van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien

2.

De verpleging kan slechts plaatsvinden in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting welke naar het oordeel van het met de tenuitvoerlegging belaste gezag daartoe, mede met het oog op de persoon van de ter beschikking gestelde, genoegzaam geschikt is.

§ 4. Strafbeschikking

Artikel 5
1.

De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een strafbeschikking als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan slechts worden uitgeoefend in zaken die betrekking hebben op een strafbaar feit omschreven in:

2.

Indien het strafbare feit is begaan in deelneming met een of meer personen op wie uitsluitend het Wetboek van Strafrecht van het Europese deel van Nederland van toepassing is, oefent de bevelvoerende militair zijn bevoegdheid slechts uit na verkregen toestemming van de officier van justitie bij het in artikel 55, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie genoemde gerecht.

3.

In de strafbeschikking worden enkel een geldboete of een verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer opgelegd. De strafbeschikking kan in totaal ten hoogste een betalingsverplichting van € 2.000 inhouden.

4.

De strafbeschikking vermeldt, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 257a, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering van het Europees deel van Nederland, de naam en rang van de bevelvoerende militair die de strafbeschikking uitvaardigt.

Artikel 6
1.

De bevelvoerende militair die de strafbeschikking uitvaardigt, verstrekt de officier van justitie, genoemd in artikel 5, tweede lid, de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit artikel en voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete of verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer.

2.

De officier van justitie houdt aantekening in de daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers van elke uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking.

3.

In geval van uitreiking in persoon wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:

4.

In geval van toezending wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:

Artikel 7
1.

De bevelvoerende militair die de strafbeschikking uitvaardigt, wijst ten behoeve van de verdachte die wil voldoen aan de opgelegde geldboete of verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer, een plaats aan waar en een persoon bij wie kan worden overgegaan tot betaling.

2.

Ten aanzien van de betaling wordt door of vanwege de bevelvoerende militair die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd onverwijld een gedagtekend en ondertekend betalingsbewijs uitgereikt. Een kopie van het gedagtekende en ondertekende betalingsbewijs wordt door of vanwege de bevelvoerende militair bewaard.

3.

De op grond van het eerste lid ontvangen gelden worden regelmatig, indien nodig door tussenkomst van de in artikel 5, tweede lid, genoemde officier van justitie, overgemaakt op de daartoe bestemde bankrekening van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

4.

De commandanten van de operationele commando’s doen op de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen wijze opgave van de verstrekking en het beheer van de betalingsbewijzen, de afrekening en de verantwoording van de ontvangen gelden alsmede de in verband daarmee te voeren administratie.

§ 5. Bekendmaking «tijd van oorlog»

Artikel 8
1.

De officier van justitie, genoemd in artikel 5, tweede lid, draagt zorg dat de krachtens artikel 59, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak aangewezen bevelvoerende militairen door tussenkomst van de commandanten van de operationele commando's in het bezit worden gesteld van de richtlijnen, bedoeld in artikel 59, derde lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, waarin per delictscategorie de geldboetebedragen worden aangegeven. Aan de betrokken personen verleent de bevelvoerende militair ter gelegenheid van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, desgevraagd inzage in de richtlijn.

2.

De officier van justitie ziet erop toe dat de bevelvoerende militair bij de uitoefening van diens bevoegdheid dit besluit en de richtlijnen naleeft.

3.

De officier van justitie kan bepalen dat het belang van de strafvordering vergt dat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een strafbeschikking wordt opgeschort. Van de opschorting wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de commandanten van de betrokken operationele commando's. Deze dragen zorg dat de mededeling de betrokken bevelvoerende militairen onverwijld bereikt en dat deze dienovereenkomstig handelen.

4.

Indien de redenen van de opschorting zijn vervallen, doet de officier van justitie de commandanten van de betrokken operationele commando's daarvan onverwijld schriftelijk mededeling. Deze dragen zorg dat deze mededeling de betrokken bevelvoerende militairen onverwijld bereikt.

§ 6. Dienstvoorschriften

Artikel 9

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.